Menu +

1717 Kerstvloed

___________________________________________________________

Op 24 december 1717 steekt een zware noordwesterstorm op. In de kerstnacht van 25 december breken ondermeer in de provincie Groningen de dijken door. De provincie loopt tot de Stad Groningen onder. De gevolgen waren verschrikkelijk. De bevolking veramde en kon nauwelijks voldoen aan hun plicht tot herstel van de dijken, velen konden hun landhuur niet meer voldoen etcetc.
Tot in 1720 was men bezig met het herstellen van de dijken.

Zou in deze stormnacht de kerkklok “Maria” geluid hebben?

Geluidsopname van de luidklok “Maria” door Ed Hartman (2017)

Over deze ramp is veel te vinden in de Groninger Archieven. Vele publicaties over deze stormvloed, waaronder de Journalen van Thomas van Seeratt,  zijn nu digitaal op de website van de Groninger Archieven te raadplegen. Thomas van Seeratt was in september 1716 door De Edele Moogende Heeren Staeten van Stadt ende Lande aangesteld als Commijs Provinciaal, met als doel de toestand van de dijken in Stad en Ommeland te beschrijven. Zijn conclusie was dat de onderhoudstoestand ronduit slecht en zorgelijk was.

Op 24 december 1717 was hij in Reide en noteerde:

De Maand December bragte geheel Nederland, te weeten de aangrensende See Provincien in een groote Eelende. Den 24de December Des Morgens 9 uir was
ick met een Schip aen Reijda [Reide], al waar het waater soo laag was, Dat een out Heijbaas van 80 jaeren, altijt daar gewoont hebende verklaarde, sulks daar noiet gesien te hebben, De wint was Zuid-West en Zuid-Zuid-West Twee à Drie Daegen geweest, De Lugt begon soo wonderlijck te staan Hoog, en over al met Draijingen, Ick haestende mij nee Dell-Zijl [Delfzijl], ende des middaegs Een Uir vertrock nae Groningen, De lugt wierde hoe langer hoe swaarder, gelijck in de West-Indies als daar Orkanen komen, ende de wint Draijde nae ‘t Westen, en soo te waeijen, Dat tot Windeweer [Winneweer] Twee Paerden voor de TreckSchuijt moesten Zetten, ende kwamen Eerst des avonds half Tien uir  binnen Groningen,  Des Nagts waijde het een Storm uit den Noord-Westen en West-Noord-Westen.

Den 25de Sijnde Christdag des voormiddags Een vliegende Storm, ende wierde seer hoeg waeter, het welcke Continueerde, Ick Sond expressers uit te Paerde omme te sien off hooren nae ongemakken, ende Tot een Uir des middaegs Zag men noch over al het Landt Droog, maar Tot Twee uire kwam Een van die Expresswers te paerde aenrijden met groote haast, ende Riep het waeter kwam aen, ende Kort daarnae kam het Soute Zee waeter aenloopen wel 2 a 3 voet hoog, ende te Vier uiren Sagh men van de Stadts wallen niets als waater, De Huisen ende Kercken daarin staande, Zijnde Een Droevige gerichte.

Des avonds ten 5 uire Vergaderden haare Eedele Moogende De Heeren GeDeputeerde Staeten in De Roemer, Zijnde een Wijnhius aen de Merkt alwaar Ick meede geroepen wierde.
Haare Eedele Moogende Besoigneerden over middelen, om voor Eerst menschen en Beesten te bergen, waaromme ick van haare Eedele Moogende versoekte om ordre Ten Eersten alle de Schepen en Vaertuijgen te laeten klaar maeken, omme des Morgens uit te Seijlen, menschen en Beesten te bergen.
De Eedele Moogende Heeren Borgemeesteren ende Raadt waeren meede vergadert ende gaven Permissie aen De Heeren Gedeputeerden Staeten omme De Borgers ende Ingesetenen van de Stadt te Emploijeren tot alle behulpsaamheijd.
Als doen Ontvong Ick ordre van De Eedele Moogende Heeren GeDeputeerden, als meede wierde den Majoor Provinciaal met de Officiers gelast, neffens alle Provincie Boodens om mij te assisteren, ende te Doen wat Ick haar Soude ordonneren 

    
Kaart waarop te zien is dat vanaf Amsterdam tot Zweden de kustgebieden waren ondergelopen. In het huidige Friesland was de schade minder doordat de dijken daar beter onderhouden waren.

In Friesland had de Spaansche gouverneur Caspar de Robles na de Allerheiligenvloed van 1570 met kracht ingegrepen, niet alleen om de dijken te verzwaren, maar ook een doelmatiger onderhoudsplicht in te voeren. In de provincie Groningen had men zelfs nog na den watervloed van 1686 weinig meer gedaan dan alles tot den vorigen toestand terug te brengen.

Ook in het Westerkwartier was minder schade en nauwelijks slachtoffers.

___________________________________________________________

De dijken waren in 1717 ongeveer 2,5 meter hoog en volgens Van Seeratt in mindere staat van onderhoud.
De vloed had ongeveer een hoogte van 3 meter en ging dus ruim over de niet doorgebroken dijken heen.

In 1855 werd in Groningen nog gewerkt met het Winschoterpeil.
Uitgaande van het Winschoterpeil was de wierde van Ewer in 1855 ongeveer 3 meter hoog, ofwel 3 el. De kerk van Zuurdijk zal ongeveer op 3,5 meter hoogte liggen.

Mochten de arbeiderswoningen Ewer 11, 13 en 15 bestaan hebben dan zullen deze het wellicht droog gehouden kunnen hebben. De mogelijk aanwezige woningen Ewer 7 en 9 niet, want deze lagen iets lager. Idem de 3 boerderijen, Ewer 3 (Loots), 5 (Zijlma) en 17 (Hayemaheerd).
Algemeen wordt aangenomen dat de boerderijen beter gebouwd waren dan de woningen van de arbeiders en neringdoenden. Een beter gebouwde woning is beter tegen een overstroming bestand.
Dit kan verklaren waarom er meer arbeiders en neringdoenden verdronken zijn aan de rand van de dorpen en daarbuiten.

Nadat de storm was gaan liggen duurde het vrij lang voor het water uit de ondergelopen landerijen was verdwenen. Dit kan erop duiden dat de schade aan de dijken op vele plaatsen toch minder was en het water daardoor min of meer tegengehouden werd. Er waren te weinig doorbraken van de dijk om het water snel af te voeren? Nader onderzoek zal nodig zijn.

Thomas van Seeratt meldt weinig over de zoetwater voorziening in de latere jaren.
Het zal enige tijd geduurd hebben voor het zoute slootwater weer echt zoet werd. Hoe kwamen de overlevenden en het vee aan hun zoete water? Had elk huis zijn eigen regenbak? Zo ja, dan was het gewoon een kwestie van leegscheppen en weer laten vullen met regenwater.
Of waren er zoetwaterwellen? Het zoute/brakke water zal de zoetwaterwellen niet bereikt hebben.
Van de boerderij Hayemaheerd is bekend dat in de jaren 50 van de vorige eeuw de koeien opgepompt zoetwater kregen uit een onder de boerderij gelegen zoetwaterwel. De bewoners kregen het water uit de regenbak.
Hadden meerdere boerderijen een zoetwaterwel? 

In 1717 waren de boerderijen meer voor de veeteelt dan voor de akkerbouw. Akkerbouw gewassen zijn gevoeliger voor zout dan gras?
Toen de veepest aan het einde van de 18e eeuw dankzij de inspanning van Geert Reinders (de Enter) redelijk onder controle was, had Marten Aedsges Teenstra, landbouwer op Castor, zijn bedrijfsvoering al aangepast. Minder veeteelt en meer akkerbouw.

Meester J.S. van Weerden beschreef in “Wandelingen door de Marne” het scheuren van het grasland door Marten Aedsges Teenstra:

Hij ging er toe over, een deel der oude greiden te scheuren en te herscheppen in vruchtbaar bouwland, een daad, die door zijn Zuurdijkster medeboeren bijna als een misdaad werd beschouwd. Wel trof men, ook toen reeds, bij elke boerderij enig bouwland aan, waarop in hoofdzaak bonen en haver werden verbouwd; de kern van elk bedrijf was echter veeteelt. Naast de boterbereiding. die op de boerderij plaats vond, van fabriekmatige bereiding was natuurlijk nog geen sprake, was het vooral de vetweiderij, die geld in het laatje bracht. En de mestossen uit het zuidelijke deel der Marne, vooral die van Zuurdijk. waren eertijds beroemd!

___________________________________________________________

Het blijft lastig waar de door Thomas van Seeratt bedoelde dijken van Zuurdijk lagen.

Op een kaart van 05-09-1620 zijn in kleur aangegeven de dijken. Ook is aangegeven de buurtschap De Kampen. Een paar jaar later werd een bocht van het Reitdiep rechtgemaakt met als gevolg dat De Kampen afgesneden werd van Zuurdijk. De Kampen bleef kerkelijk behoren bij Zuurdijk, doch ging overigens vallen onder Oldehove (Westerkwartier)

Zuurdijk lag toen niet aan een dijk. De Sutherdicke zal in 1620 niet meer bestaan hebben.
De ingetekende dijk liep van Barnegaten, Stoepemaheerd (Op de Douwen), Castor, Pollux, Freeburg, Doornbosheerd, voor Ewer langs naar het oude Nieuw Ewer, ‘t Gansehuis naar Houwerzijl. Gedeelten van deze dijk zijn nog aanwezig.
De in schuinschrift aangegeven boerderijen bestonden toen nog niet.

Op de in 1771 door T. Beckering getekende kaart – welke ook is afgebeeld in Zuurdiek mien Dörpke – is de dijk zichtbaar en ook de indijking van de kwelder (Het Hoge Slijk).
De oude Sutherdicke zal gelopen hebben van Barnegaten, Carpo, Huizingaheem, Rondenborg, Heuvelheem, Dijkstede, Gaykengaheerd, Kooyenburg.
In 1987 werd bij de boerderij Huizinga een perceel grond geëgaliseerd. Het is niet uit te sluiten dat er toen resten gevonden zijn van oude bebouwing uit 1717? Zie 1987 ontgronding bij Huizingaheem.
De in 1717 doorgebroken dijk liep van Barnegaten, Stoepemaheerd, Castor, Pollux, het oude Nieuw Ewer, ‘t Gansehuis.
De boerderijen Castor en Pollux was toen het buurtschap Monnikkehorn. Verder valt op dat Freeburg wel ingetekend is, maar Doornbosheerd niet. Op Ewer zijn 4 bebouwingen ingetekend en tussen Ewer en het oude Nieuw Ewer 1 bebouwing.

Kaart 1717

Zie verder: Stormvloeden, dijken en polders

___________________________________________________________

Geuchien Zijlma heeft in de Groninger Volksalmanak van 1918, gebruikmakende van de beschikbare bronnen het volgende geschreven:

Kort daarop zag men het van de stadswallen drie à vier voeten hoog komen aanrollen. Zoo gezegd klinkt dit wel ongeloofelijk. Doch ook bij voorzaten in mijne familie, van welke er destijds in Adorp woonden, werd bij overlevering dezelfde uitdrukking gebruikt. Tegen vier uur was alles reeds eene zee, waaruit de dorpen en boerenwoningen als eilanden verrezen. Des namiddags te vijf uur vergaderden Gedeputeerde Staten en werd aan Seeratt, die daarbij tegenwoordig was, opgedragen alle middelen in het werk te stellen om menschen en vee te redden. Het stedelijk bestuur stelde daartoe al de aanwezige schepen met het benoodigde personeel ter zijner beschikking. Ook de militaire macht werd gerequireerd om zijne bevelen te helpen uitvoeren en daarbij de orde te bewaren. Den geheelen nacht was men bezig de schepen uit te rusten en zeilvaardig te maken. Daar de hooge waterstand belette de schepen ledig onder de bruggen door te brengen, werden ze telkens eerst vol menschen geladen, waardoor het gelukte reeds den volgenden dag te elf uur 40 schepen buiten de wallen ter afreis gereed te hebben, ‘s namiddags nog door 40 andere schepen gevolgd. Het was toen, den tweeden Kerstdag, goed weder met westelijken wind. Des namiddags te vier uur waren ongeveer 30 schepen terug met menschen, vee en allerlei goederen. Ook werden twee gewapende schepen uitgezonden om inwoners van Pekela en Wildervank, welke kwamen om te rooven, terug te drijven. Men zeilde rechtuit rechtaan, want om de stad stond overal van zeven tot tien voeten water. ln de stad werden alle provinsiale gebouwen provisioneel met menschen opgevuld, velen ook door medelijdende burgers in huis opgenomen. Het akademieplein, de kerkhoven en andere ruimten werden overdekt tot berging van vee en veevoeder. Den 28ste December waren reeds 3000 stuks vee geborgen, wat eenige dagen later tot 5000 stuks vermeerderde. Seeratt had in alles schier onbepaalde macht bekomen en zond 29 December ruim 20 vaartuigen uit om hooi en graan uit de overstroomde boerderijen op te halen, onder aanteekening van de eigenaars en de hoeveelheid, om het later te vereffenen. Zoo kwam weldra veevoeder in overvloed en waren, behalve hetgeen particulieren deden, slechts een paar honderd van alles beroofde soms bijna naakte menschen te verzorgen.

Seeratt verklaart van 25 December tot 3 januari onafgebroken van des morgens zes tot des avonds tien of elf uur in de weer te zijn geweest en geen enkelen middag in zijn huis te hebben gegeten. Nu eerst kwam voor den onvermoeiden man tijd tot het hem eveneens opgedragen onderzoek naar den toestand van dijken en zeeweringen, alsmede wat gedaan kon worden tot provísioneel herstel der. gevaarlijkste punten. Omtrent zijne bevinding rapporteert hij onder meer het volgende:
De zware zuidwendingsdijk ten noordwesten van Delfzijl was weggeslagen en met het paalwerk gelijk.
De dijken verderop naar Watum velerwege met den grond gelijk, waarbij een groote en meerdere kleine kolken. Te Delfzijl de middenste sluis uitgespoeld, de Oterdummerzijl geheel weggeslagen en door een breede kolk vervangen. De dijken ten zuiden van de Fimel en verder om den Dollard grootendeels verdwenen. De Reitdiepsdijken mede voor ongeveer de helft verloren, met vele doch niet zeer groote doorbraken. Omtrent de noorderdijken wordt vermeld, dat ze onder Pieterburen en Wierhuizen meest weg en met het maaiveld gelijk waren. De Kloosterbuursterdijk, achter den in 1715 ingedijkten polder nieuw aan- gelegd, was tot op den grondslag verdwenen, met vele groote en diepe kolken. Achter Hornhuizen de toestand iets beter; toch waren er einden dijk die geheel ontbraken en was deze overal erg be- schadigd. Doorbraken en kolken, thans nog aanwezlg, waren daar, zoo al minder talrijk, niet minder groot. De dijk van Vierhuízen tot Zoutkamp had veel geleden doch vertoonde weinig doorbraken en kolken, al was ook het dijksvolume tot op de helft gereduceerd. Op dit geheele dijkterrein tot aan Dijkum, kort bij Pleterburen, telde Seeratt 30 kolken, van welke er 9 eene diepte hadden van 30 tot 40 voet, terwijl de grootste eene breedte had van 40 roeden a 16 voet. Van Dijkum tot aan de Eems bij Watum was de dijk, ofschoon ze over iets hooger terrein liep, toch meerendeels weggeslagen. Hoe het er overigens te lande moet hebben uitgezien, kan uit dit alles worden afgeleid. Het rapport is daarover minder uitvoerig, wijl het niet zoozeer met die bedoeling was opgemaakt. Dat het een toonbeeld van verwoesting zal hebben opgeleverd, mag men gerust aannemen. Omtrent het aantal verdronkenen stemmen de tot ons gekomen opgaven niet altijd overeen, noch zijn zij geheel volledig. Niet zelden ontbreken aan de specificatie enkele dorpen, die wel dooden zullen hebben gehad. Toch mag uit dit minder nauwkeurige voor vast worden aangenomen, dat hier in het noorden minstens 2300 menschen zijn omgekomen. Het ligt voor de hand, dat de kuststreek het meest te verduren heeft gehad. Ofschoon het juiste inwonertal der afzonderlijke dorpen niet bekend is, valt echter uit andere gegevens na te gaan, dat in de ergst getroffen plaatsen een derde deel der bevolking in dien vloed het leven heeft gelaten.

Volgens eene aanteekening van Ds. Eckens in het kerkeboek te Leens verdronken aldaar 180 menschen. waarvan 51 lidmaten, en dit nog wel niettegenstaande de kom van het dorp op en aan een wierde is gebouwd. Deze geeft hierbij voor de kleine gecombineerde gemeenten Niekerk en Vlledorp op 103 dooden. De lidmatenlijst van 1711 telt aldaar 91 namen, in 1917 ongeveer een twintigtal meer, doch in het kerkeboek van die dorpen worden 42 lidmaten bij name genoemd, welke in dien vloed het leven hebben verloren. Een nog grooter aantal omgekomenen in verhouding tot de bevolking telde Hornhuizen, 120, en Kloosterburen, 188. ln het laatste dorp moet schier de helft der inwoners zijn verdronken, in aanmerking genoonen dat de kom van dit dorp, blijkens een aanteekening van 1729, in dat jaar nog slechls 12 huizen telde. Volgens eene lijst, die ik voor mij heb, vielen in het meer binnenwaarts gelegen Eenrum 130 menschenlevens te betreuren, in Uithuizermeeden 280. Dit dorp stond dus in aantal omgekomenen ook thans bovenaan, gelijk zulks mede het geval was geweest bij den vloed van 1686, toen het 313 offers had gebracht. Hoe het er met de huizen voorstond, laat zich denken, Nagenoeg alle waren beschadigd, vele totaal verwoest en weggeslagen. Bovendien zijn volgens den geschiedschrijver Spandaw alleen in Hunsingo verdronken 1699 paarden, 6401 runderen, 13439 schapen en 771 varkens.

Ook Geuchien schrijft niets over de gevolgen van de Kerstvloed voor Zuurdijk.

___________________________________________________________

Ook De Marne werd zwaar getroffen.

Jan Zijlma noteert in zijn boek “De Marne eene geschiedkundige beschrijving” het volgende:

1717. In den kerstvloed dezes jaar verdronken te Leens 60 en te Niekerk en Vliedorp 39 ledematen van de Gereformeerde kerk. In de laatste gemeente bestond dat aantal, voor de overstroming, uit 90 of 91 personen, zodat ruim 2/5 door dien vloed omkwam.
In het kerkvoogdijboek van Ulrum komt voor, dat in dit jaar f 25.00 is gegeven tot de wederopbouw van het Warfhuizen torentje, wat evenwel, blijkens een aan het voormalig spitsje gevonden jaartal, eerst in 1729 gebeurde.

Merkwaardig is het wel dat Jan Zijlma over Zuurdijk niets gemeld heeft.

___________________________________________________________
 

Uit het Register van Geleden Verlies in de Provincie van Stadt en Lande (uitgegeven in 1718 door Johannes van Velsen) blijkt dat op Zuurdijk 15 huizen vernield zijn. Er verdronken 55 mensen, 285  hoornbeesten en 65 paarden,.

Voor het Westerkwartier wordt opgegeven: 11 huizen, 1 mens, 62 hoornbeesten, 11 paarden, 6 varkens en 290 schapen.
Voor Hunsingo: 684 huizen, 1764 mensen, 6401 hoornbeesten, 1699  paarden, 771 varkens, 13439 schapen

 

  Groninger Archieven

De predikant J.A. Mobachius te Delfzijl in een boekje ondermeer het volgende genoteerd:

Roelof Harms te Niekerk, deze is met een stuk van zijn geruïneerd huis van daar zeer snel komen drijven, voorbij de kerk van Vliedorp, tot aan het kerkhof van Zuurdijk; alwaar hij het geluk had in een boom te komen, in welke hij tot aan de middag moest blijven zitten, maar toen daar af wadende, behouden in de kerk te gekomen.

In enkele kerkboeken werd de Kerstvloed ook aangetekend:

Leens Anno 1717.

Den 25 December op Midwinter dagh des morgens om drie uijren heeft God de Heer ons alhijr besogtht met een overgroote watervloet, na dat het daaghs te vooren sterk gewaaijt had uijt den Zuijdwesten, met donder, blixem en hagel, het water is alhijr te Leens opgeklommen tot in de school daar het even inspoelde, tot an de put in ‘t Pastoriehof, waardoor bij de vijftigh huizen onder de klokkeslagh van Leens geheel sijn nedergestort en veel meer seer beschadight, bij de hondert en taghtentigh menschen verdronken, onder dese over de 60 ledematen, welke met een streek zijn angeteijckent en bij de driehondert en taghtentigh koebeesten, over de honderd peerden en seer veel schapen. 

En in de nabuijrige Carspelen is het niet beter sommige slimmer afgelopen. 

Te Niekerk is net als de Pastorie een Boeren huijs benevens de kerk staande gebleven, te Vierhuijzen ook maar een of ander stuk van Huijzen, te Hornhuijzen benevens de Pastorie en kerk maar een stuk van een en ander huijs. Te Cloosterbuijren stond het niet beter, en in die beide laatste carspelen zijn bijna de helfte menschen verdronken. Te Ulrum heeft de Noorder Straat de grootste schade geleden, te Wehe heeft het water tot ant Choor van de kerk gestaan. God wil al dese schade weder herstellen, en ons voor dergelijcke droevige ongevallen verder bewaren!  

Niekerk Vliedorp:

25 feb. 1720 attestatie gegeven:
Dat Jan Jurjens Lidtmaat is van de waare Gereformeerde Christelijke Religie getuijge ik ondergeschreeven, en heeft den 19 December 1717 het H. Avondtmaal noch met ons genooten, maar door de watervloet van den 25 December met sijn huijs wech gedreeven zijnde, en sich t’ sedert elders opgehouden, soo konnen wij geen getuijgenisse geeven, hoe sijn leeven en wandel in die tijdt geweest is, ondertusschen wenschende an die geene, wien deesen sal vertoont worden, genade en vreede.

Bellingeweer:

En konden het op het verloop des vierendeel jaers voor deese tijt tot Ranum niet celebreeren, alsoo op den 25 decemb. sijnde Kers morgen, tuschen 3 en 4 uijren door een geweldige storm wint uijt den Noordwesten, welke des daeghs te vooren uijt den zuijdwesten alsoo geweldigh was geweest, alle dijken wel 3 a 4 a 5 voeten hoogh het zeewater ooverstroomde, waerdoor de geheele Provincie jammerlijke wierde bedeckt met zoute wateren, en een zee geleek, een groot getal menschen en beesten verdroncken, en veele huijsen wegh spoelden, etc., alsoo dat voor den 6 feb. 1718, niet dan over ijs tot Ranum konde koomen prediken, als wanneer het zee water noch in ‘t lant was. 

Warffum:

1718 den 9 Januar. des Heeren H. avontm. gehouden, dat anders op den 25 Dec. was gekondigt, dog van wegen de watervloet niet eer kon gehouden worden, gelijk ook op dezen avontm. dag het water wederom zo hoog wies, dat de buitenlieden meest genootzaakt wierden in het dorp te blijven.

___________________________________________________________

Marten Douwes Teenstra schrijft in zijn “Stads- en Dorpskroniek”:

1717 Kerstvloed.

Deze zeer en geweldige vloed had in den nacht van den 25 op 26 December plaats; het onstuimige zeewater stortte over de dijken en maakte breuken en diepe kolken, waarna de bruischende golven met eene onweerstaanbare kracht over het land rolden, zoo dat de noordelijke gedeelten der provinciën Groningen en Friesland, met uitzondering van hooge Wierden, terpen en zandgronden in de wouden, onder water liepen. Alleen in de Provincie Groningen waren 840 roeden dijk totaal weggespoeld en het getal kolken was met 69 vermeerderd, waaronder waren die 40 voeten diepte hadden, die langs onze zeedijken, met de vroeger gespoelde kolken nog aanwezig zijn. Huizen en schuren, ofschoon niet zoo prachtig als na het midden der 19de eeuw, werden verwoest en dreven met huisgeraad en gereedschappen bij het gebulder der zee en het gehuil en gesuis van wind en water, tusschen het loeijende vee en kermende menschen diep landwaarts in, en waren in dien bangen en akeligen nacht den golven ten speelbal, drijvende bij de eb weder zeewaarts, over velden waar deze verschrikkelijke zeevloed alom dood en verwoesting verspreid had.
[]
en niet alleen dat daardoor ook al het te velde staande wintergranen verloren was, maar de landen waren door het zoute water ook zeer onvruchtbaar geworden, zoo dat de bouwlanden in de 2 à 3 eerst volgende jaren schrale oogsten opleverden.

Klein Midhuizen, eene boeren behuizinge en schuur, staande onder Vierhuizen (gemeente Ulrum) dreef oostwaarts tot naar de Houw (twee wierden aan den grindweg tusschen Ulrum en Leens). De boer zelve zat op den vlottende zolder en bleef behouden, doch zijne vrouw en acht kinderen verdronken.

1718.
[] Aan ingezetenen der Ommelanden, die, door den watervloed bijna alles verloren hadden, werd in gevolge resolutie der Provinciale staten van 27 Januarij, 25 en 26 Maart eenige tegemoetkoming verstrekt. Belangrijke binnendijking van kwelderlanden en uiterdijken op de noordkust van Hunsego en Fivelgo in de Prov. Groningen. []

Ongemeen droog en warm zomer, van April tot October regende het geen enkele maal en de verdorde veldvruchten stonden als verbrand op den akker, de rivieren droogden uit; de schouwburgen werden op hoog bevel gesloten. De warmte was zeer drukkend, zoodat de Thermometer van Farhenheit tot 97 graden klom.

1719
[] In deze tijd zag het er voor de landbouwers in de Provincie Groningen zeer treurig uit, zoo dat eenige beklemde meijers na herhaalde rampen en verliezen van vee en granen, ziekten en watervloeden, hunne boerderijen met het getimmerte en uitgezaaide koren, lusten en lasten aan de eigenaren terug te geven, als kunnende de vaste huur niet betalen.

___________________________________________________________

Uit deze verslagen blijkt dat het kerkhoven van Zuurdijk, Leens en Wehe deels niet en deels wel onder water stonden.
Voor de wierden van Ewer zal het beeld niet anders zijn geweest. Het is niet bekend welke huizen op Zuurdijk en Ewer vernield zijn.
De kerk van Zuurdijk heeft het watergeweld evenwel weerstaan.

Ook het kerkhof is in tact gebleven, getuige de grafstenen van:
Pieterke Eecres ( † 1670) en Pieter Beerens († 1705), kerkhof graf 4
Pieter Pieters, wellicht kerkhof graf 3.
Jan Ites († 1711), kerkhof graf 31

___________________________________________________________

Meester J.S. van Weerden schreef in “Wandelingen door de Marne“:

Als aardige bijzonderheid van Groot Zeewijk (in de Noordpolder) kan nog verteld worden dat bij de Kerstvloed van 1717 de wierde tijdelijk een toevluchtsoord was van de Engelse graaf Clancarthy (de “dolle graaf”), die om politieke redenen zijn vaderland was ontvlucht en met een aantal aanhangers zich op het eiland Rottum had gevestigd. Door koop was hij er eigenaar van geworden en heeft er gewoond van 1707-1731. In dit laatste jaar verkocht hij het aan een koopman uit Dokkum, van name Pieter Pivé; met zijn gezin trok hij toen zelf verder Duitsland in. In 1717 heeft ook Rottum erg van de Kerstvloed te lijden gehad; de woning spoelde totaal weg, en hij, met zijn hele “hofhouding” mag men wel zeggen, moest met een vaartuig de wijk nemen naar de Groninger kust, waar men op de wierde van Groot Zeewijk aankwam.

Nauwelijks daar aangekomen, beviel een der drie vrouwtjes van een jong graafje, dat echter al spoedig na de geboorte kwam te overlijden. Tegen betaling van 100 gulden werd het jongetje in de kerk te Warffum begraven. Toen de ergste gevaren geweken waren, is het gezelschap naar Rottum teruggekeerd.

___________________________________________________________

Op 30-03-1736 werd in het Breukdodenboek 1729-1794 Kerkelijke gemeente Groningen (GA 124/194/folio 373 aangetekend de begrafenis van Thomas van Seeratt.

H.O. Feith schrijft op 15-04-1886:
Den Rentmeester Thomas van Seeratt, gehuwd met Anna Schotthowaij heeft bij raadsverzegeling van 6 November 1722, het huis in de Oude-Boteringestraat, op den hoek van de Broerstraat gekocht. Mevrouw de weduwe Seeratt-Schotthowaij verkocht dit huis bij raadsverzegeling van 16 april 1742 aan den generaal-majoor O.G. Veldtman voor f 10.000.

In dit pand was later het kantoor van uitgeverij Wolters-Kluwer gevestigd.

___________________________________________________________


Bron: Waterschap Noorderzijlvest

___________________________________________________________

Stormvloeden, dijken en polders
Journalen van Thomas van Seeratt

Terug naar Geschiedenis