Menu +

A130 A131 Brandstichting boerderij Kooyenburg 1923

___________________________________________________________

 

(met potlood 9.37)

WEHE, den 7 November 1922
No 14/280
JUSTITIE en POLITIE
1 BIJLAGE

Ik heb de eer U hiernevens toe te zenden een door den beambte Modderman, te Leens opgemaakt proces-verbaal, betr. een brand van de boerenbehuizing en roerende goederen van Djurre Siccama, te Zuurdijk.

De Burgemeester der gemeente Leens, IJ Wierum

DEN HEER
OFFICIER VAN JUSTITIE
Te Groningen.

============

(met potlood 9.37)
(met potlood 2)

Proces-Verbaal.

In den nacht van Donderdag 2 op Vrijdag 3 November 1922 werd mij Derk Modderman, rijksveldwachter, gestationeerd te Leens, medegedeeld dat te Zuurdijk, gemeente Leens brand was uitgebroken.
Ik heb mij onmiddellijk daarheen begeven en zag aldaar bij mijn komst dat de boerderij bewoond door Djurre Sikkema, staande te Zuurdijk gemeente Leens geheel in brand stond.

In verband met hiermede is door mij een onderzoek ingesteld en door mij gehoord:

Luikje Dijkhuis, oud 13 jaar, kindermeisje bij Djurre Sikkema, landbouwer te Zuurdijk, gemeente Leens, die verklaarde:

Donderdagavond (2 November 1922) ben ik met de andere dienstbode Harmina Kremer thuis geweest op de boerderij van Sikkema. Sikkema en zijn vrouw zijn te ongeveer 6½ uur in dien avond met paard en rijtuig naar Ulrum gereden.
Ik had de vier kinderen van Sikkema dien avond naar bed gebracht, en nadien ben ik met de andere dienstbode in de keuken geweest.
Omstreeks 9 uur zijn wij uit de keuken naar ons slaapvertrek gegaan , alwaar ik mij kort daarop te bed heb gegeven.
De andere dienstbode is nog even naar het kleinste kind gegaan, dat erg verkouden was, doch kwam na ongeveer 5 minuten weer terug, waarna zij zich ontkleedde en naar bed ging.
Ik ben kort daarna in slaap gevallen.
In den nacht (hoe laat het was weet ik niet) werd ik wakker doordat ik bijna geen adem kon halen.
Ik riep daarop de andere dienstbode en zeide Harmina wat is hier, ik word zoo benauwd.
Harmina werd door mijn roepen wakker en zeide “ sta gauw op, de boel staat in brand”.
Ik ben daarop onmiddellijk opgestaan en zag dat mijn kamer vol rook stond en dat het buiten verlicht was.
Ik ben vervolgens in nachtgewaad door de voordeur naar buiten gegaan, alwaar ik zag dat de vlammen uit de Noordelijke zijde der groote schuur boven de koestal uitsloegen.
Ik ben geheel rond de boerderij geloopen en zag de kinderen in nachtgewaad in den tuin staan. 
Ik ben later met de kinderen naar de andere boerderij gegaan.
Ik heb niets bijzonders bij de brand gezien en kan niet verklaren op welke wijze de brand is ontstaan.

Gehoord Harmina Kremer, oud 22 jaar, diensbode wonende bij Djurre Sikkema landbouwer te Zuurdijk gemeente Leens, die verklaarde:

Donderdagavond (2 November 1922) ben ik thuis geweest op de boerderij van Sikkema te Zuurdijk gemeente Leens.
Sikkema en zijn vrouw waren te ongeveer 6½ uur in dien avond met paard en rijtuig naar Ulrum gegaan.
Het kindermeisje heeft dien avond de vier kinderen naar bed gebracht.
Nadien ben ik met dat meisje in de keuken gaan zitten.
Ongeveer 9 uur in dien avond zijn wij uit de keuken naar ons slaapvertrek gegaan.
Ik ben later nog even in de slaapkamer van Sikkema geweest en heb naar ’ t kleinste kind gezien dat erg verkouden was.
Het kindermeisje lag reeds te bed waarna ik ook naar bed ben gegaan.
Later in den nacht (hoe laat het was weet ik niet) werd ik door het kindermeisje wakker geroepen. Die mij zeide wat wordt ik benauwd.
Ik keek daarop onmiddellijk het bed uit naar het dakraam van mijn kamertje en zag dat de vlammen reeds boven het dakraam kronkelden, tevens rook ik brandlucht.
Ik zeide aan het kindermeisje sta direct op de boel staat in brand, waarna ik mij onmiddellijk van bed liet glijden.
Ik ben vervolgens naar van der Kamp gegaan (die in de kleine schuur der boerderij woont) en heb die wakker geroepen.
Daarna heb ik de kinderen van boven en uit de slaapkamer gehaald en buiten in de tuin neergezet, waarna ik mijn naaimachine en eenige kleedingstukken nog uit huis heb gehaald; bijna al mijn kleeren zijn verbrand.
Ik kan niet verklaren op welke wijze de brand is ontstaan, aangezien ik voor dat ik naar bed geen bijzonders heb opgemerkt en aan de zijde van de boerderij waar aanvankelijk het meeste vuur was, geen kachel wordt gestookt.

1   Gehoord Jan van der Kamp, oud 57 jaar, landarbeider, wonende op de boerderij van Djurre Sikkema te Zuurdijk, gemeente Leens die verklaarde,

Gisteravond (Donderdag 2 November 1922) ben ik bij mijn vrouw thuis geweest aan de boerderij van Sikkema te Zuurdijk.
Ongeveer 6½ uur in dien avond zijn Sikkema met zijn vrouw met paard en rijtuig vertrokken.
Ik had in dien avond al deuren achter de boerderij gesloten behalve de deur waar Sikkema met het rijtuig in moest rijden dien had ik met een stok gesloten zoodat de deur vanaf de buitenkant kon worden opengeduwd.
Ter omstreeks 9 uur in dien avond ben ik nog door de beide schuren der boerderij gekomen alsmede door den koestal, ik heb evenwel geen bijzonderheden opgemerkt en geen brandlucht geroken.
Ongeveer 9 uur ben ik in dien avond naar bed gegaan. In dien nacht onstreeks 12 uur werd ik verschrikt wakker doordat bij ons in de slaapkamer een ruit werd ingeslagen en meteen werd geroepen  brand.
Wij zijn onmiddellijk opgestaan en gingen vervolgens naar buiten waar alles  rook was vlammen zag ik evenwel niet.
Ik zag even later dat de groote schuur aan de noordzijde in brand stond.
Ik heb met behulp van mijn  vrouw en zoon en eenige toegeschoten buren  eenig huisraad naar buiten gedragen.
Onze meubels en kleeren zijn grootendeels verbrand.
Ik kan niet verklaren op welke wijze de brand is ontstaan ik heb niet gerookt in de schuur of koestal en evenmin een lucifer aan gestoken.
Mijn huisraad is tegen brandschade verzekerd bij de Eenrummer brand waarborg Maatschappij voor de som van een duizend  gulden.

2  Gehoord: Roelf Pieter Bouwman, oud 36 jaar, landbouwer, wonende te Zuurdijk, gemeente Leens, die verklaarde:

In den nacht van Donderdag op Vrijdag 3 November 1922 te ongeveer 11½ uur werd ik wakker doordat een flikkerend licht bij ons in de slaapkamer scheen.
Ik stond onmiddellijk van bed op en zag door de ruiten dat de boerderij van Sikkema (die op ongeveer 3 minuten van onze boerderij staat verwijderd) in brand stond.
Nadat ik mij had gekleed heb ik mij onmiddellijk met mijn zoon  naar de brandende boerderij begeven en zag dat de kleine kinderen in nachtgewaad in den tuin liggen.
Ik heb daarop achter de boerderij gegaan alwaar ik zag  dat aan de Noordzijde van de groote schuur de vlammen voor en achter boven de koestal uit het rietendak sloegen, terwijl de koestaldeuren reeds in brand stonden.
Ik ben daarop naar de kleine schuur gegaan welker deuren ik van buiten af open heb geduwd en heb vervolgens met behulp van mijn zoon 3 paarden die zich aldaar in de paardenstal bevonden naar buiten gebracht.
Ik heb onderweg dat ik naar die brandende boerderij ben geloopen niemand ontmoet en niets verdachts opgemerkt.

3   Gehoord: Djurre Sikkema,  oud 38 jaar, landbouwer, wonende te Zuurdijk, gemeente Leens, die verklaarde:

Gisteravond Donderdag 2 November 1922 heb ik mij ten ongeveer 6½  uur met mijn vrouw van af mijn boerderij staande te Zuurdijk gemeente Leens per rijtuig begeven naar Ulrum, alwaar wij een feest zouden bijwonen.
Ik had 2 dienstboden bij mijn 4 kleine kinderen op de boerderij achtergelaten, met een vaste arbeider v.d. kamp die ook woonachtig is aan mijn boerderij.
Ten ongeveer 11¾ uur in dienzelfden avond terwijl ik mij met mijn vrouw in het cafe van Hartsema te Ulrum bevond zeide een der aldaar aanwezigen, dat er brand was.
Ik begaf mij daarop naar buiten en zag dat de brand was in de richting waar mijn boerderij stond.
Ik heb mij onmiddellijk per auto naar mijn boerderij laten brengen en zag bij mijn komst aldaar dat de groote schuur van mijn boerderij geheel in brand stond. De kinderen en dienstboden kwamen mij op den weg reeds tegen.
Ik ben onmiddellijk naar het woonhuis mijner boerderij gegaan dat nog niet brandende was en zag dat mijn arbeider van der Kamp, met zijn vrouw en zoon hun meubels uit huis droegen.
Ik ging vervolgens naar onze woonkamer en heb aldaar met behulp van eenige toegeschoten buren, meubels uit mijn kamers gehaald, meerendeels is alles daar evenwel in verbrand.
Ik kan geen verklaring geven op welke wijze de brand is ontstaan, aangezien ik geheel niet aanwezig was, bij het uitbreken van der brand.
Ik heb voorzover ik weet zeer betrouwbaar personeel.
De 2 groote schuren der boerderij waren geheel gevuld met koren terwijl 8 koeien en 2 kalveren in de koestal aanwezig waren die mede zijn verbrand.
De boerderij was geheel van electrisch licht voorzien en behoort mijn schoonvader den heer Schelte Toxopeus, wonende te Groningen in eigendom toe.
De gebouwen der boerderij zijn tegen brandschade verzekert voor de som van 48500 gulden, terwijl de inboedel door mij is verzekert voor de som van 35000 gulden, alles bij de Eenrummer Brandwaarborg Maatschappij te Eenrum.

Het is mij verbalisant nog niet gebleken dat opzet bij de brand heeft plaats gehad, het onderzoek evenwel voortgezet.
Kortsluiting is niet uitgesloten aangezien het geheele gebouw van electrische geleidingen was voorzien.

Waarvan door mij op ambtseed is opgemaakt dit proces-verbaal.
D. Modderman

 

___________________________________________________________

Terug naar graven Djurre Siccama en Jantine Toxopeus