D109 D110 interview E.J. Hazenkamp 17-08-1985

Interview 17-08-1985 Nieuwsblad van het Noorden

 

 

Drs. E. J. Hazekamp (58) ging als rector van de scholengemeenschap Oost in Groningen per 1 augustus in de VUT. Hij gaat nu meer tijd besteden aan de Stichting ’40-45’, want de oorlog heeft een zwaar stempel op zijn leven gedrukt. Biljarten en aquarelleren staan echter ook op het wenslijstje van de man, die zichzelf binnen het onderwijs als ‘wat ouderwets’ beschouwt.

 

d109-d110-1985-foto-egge-hazekamp

Qua lengte is hij bepaald geen indrukwekkende figuur, maar op school had hij de wind er goed onder. De leerlingen vonden hem vaak een strenge man en ook een driftkikker, maar hij had het goed met ze voor. Jacques Wallage – Tweede Kamerlid voor de PvdA; maar destijds de Groninger wethouder die de grote onderwijsvernieuwing inzette – had nogal wat te stellen met drs. E.J. Hazekamp (58), die al die al die progressieve ideëen wel eens te ver vond gaan. Op 1 augustus ging de rector van scholengemeenschap Oost (zo’n 1.400 leerlingen uit Stad en Ommeland) in Groningen met de VUT.

Nu kan hij meer tijd steken in zijn activiteiten voor de Stichting’40-’45. De Tweede Wereldoorlog heeft een zwaar stempel op zijn leven gedrukt: zijn vader en broer overleef den hem niet. Het zakhorloge van zijn broer kwam in 1948 via Engeland bij de familie terug. Hazekamp bewaart het horloge nog steeds, laat het zien, windt het op en legt het op tafel. Het horloge tikt gedurende ons gesprek luid en duidelijk door.

Eigenlijk ben ik bij toeval in het onderwijs gerold. We woonden in Schoonoord, waar ik ook geboren ben en mijn ouders dachten dat ik te klein was ‘om te warken’. Mijn broer was wat groter, dus hij moest ‘warken’ en werd huisschilder. Ik moest gaan leren. In de oorlog behaalde ik mijn mulo-diploma. Tja en wat toen? Mijn vader kon goed opschieten met de hervormde predikant en die deed het idee aan de hand van het internaat Klokkenberg in Nijmegen. Ik veroverde een beurs en ging naar het zuiden. Het was een erg goede tijd, maar vooral in het begin heb ik veel heimwee gehad. Ik had de Waal alleen op een versleten landkaart gezien en ging er nu ineens met de trein overheen. Ja, ja, dat was me wat.

Ik moest op het internaat in Nijmegen tot mijn verbazing onderwijzer worden. Eigenlijk wilde ik dat niet, maar goed, het was er gezellig. In de oorlog werd het hele gezin gearresteerd: mijn vader, mijn moeder en mijn broer, dus ik terug naar Schoonoord. Mijn moeder werd vrijgelaten, maar mijn vader en broer kwamen om in concentratiekampen.

In de buuze

Ik kan me de laatste keer dat ik mijn vader sprak nog goed herinneren. Ik vroeg hem, waarom hij het verzetswerk deed. Hij zat niet bij de kp, die overvallen deden en zo, maar bij de lo, landelijke onderduikers. ‘Je kunt niet met joen haand’n in de buuze blieven staon kieken, as er iene verzöp’, zei hij. Mijn vader was niet geleerd, maar de wijsheid dat er toen wat moest gebeuren had hij wel.

Mijn broer zat in een vreselijk kamp net over de grens bij Zwartemeer, een soort dependance van het concentratiekamp Neuengamme. Ik wil er nog eens heengaan. Daar is hij later overleden. Jaren later kwam zijn horloge via Engeland bij ons terug. De emoties die toen loskwamen….

Mijn vader is, ja, zo’n beetje in rook opgegaan. We weten niet precies wat er met hem gebeurd is. Hij heeft in elk geval in het kamp Oraniënburg gezeten, waarschijnlijk ook in Bergen-Belsen. Ik weet ook dat hij van papieren cementzakken winddichte kleding maakte, die hij dan verruilde voor onder meer sigaretten. Hij is ernstig gewond geraakt. Zijn voet werd verbrijzeld onder een bietenkar. Wonder boven wonder is hij daar weer van hersteld. We weten ook dat hij op transport is gesteld en nooit op het eindpunt – het plaatsje Police in Polen – is aangekomen.

Een paar jaar geleden stopte er een bus met Polen uit die plaats bij het Helperzwembad hier in de straat, dus ik er als de bliksem heen. Maar ze wilden niet veel vertellen. Het zijn van die brandende onzekerheden…

Ik kon niet meer terug naar het zuiden want een deel van Nederland was al bevrijd, dus bleef ik de rest van de oorlog bij mijn moeder ondergedoken. Na de oorlog is mijn moeder met me naar Nijmegen gegaan. We hebben met geld van de Stichting ’40-‘45 – waar mijn moeder voor in aanmerking kwam – een bovenwoning gehuurd. Ik heb mijn opleiding wel afgemaakt, maar was niet helemaal bevoegd om les te geven!

In militaire dienst – ik hoefde door mijn ervaringen in de oorlog niet naar Nederlands-lndië – kwam ik op het idee om geschiedenis te studeren, maar ja, dat kon niet alleen met een mulo-diploma en de kweekschool. Dus ben ik haar rector Schuursma van het Praediniusgymnasium in Groningen; gestapt en heb hem heel eerbiedig gevraagd of hij mij Grieks en Latijn wilde leren.

Geschiedenis

In 1954 kon ik als leraar geschiedenis bij de Rijks-hbs in Groningen komen. Ik was wel niet helemaal bevoegd, maar er was een tekort aan onderwijzers. Voordat ik bij de Rijks-hbs aan de slag ging, ben ik naar de toenmalige directeur Deinema gestapt. Ik zei tegen hem: ‘Ik heb een baan, ik kan toevallig een huis krijgen. Zes jaar ben ik nu al verloofd. Wat vindt u, is het verstandig om te trouwen? ‘Doe maar jong, trouwen is mooi werk’, antwoordde hij en we hebben het toen maar gedaan. Mijn vrouw had ik in Nijmegen leren kennen. Ze woonde tegenover ons.

Bij de Rijks-hbs werd ik al gauw onderdirecteur en in 1964 heb ik de sprong gewaagd en gesolliciteerd naar de functie van rector aan het Heymanslyceum. Ik had nooit gedacht dat ze zo dom zouden zijn om mij aan te nemen. Destijds was het nog zo dat je wel vijf keer naar zo’n post moest solliciteren, voordat je echt werd aangenomen. Lesgeven heb ik vanaf het begin leuk gevonden, dat had ik eigenlijk niet zo verwacht. En met orde houden, ach, daar heb ik nooit zulke problemen mee gehad. Als je fysiek geweld gebruikt, leg je het altijd af. Je moet goed gemotiveerd lesgeven, laten merken dat je het leuk en belangrijk vindt. Dan loopt het vanzelf. Je moet herkenbaar zijn als mens, je moet echt zijn. Kinderen weten echt verdomd goed wat toneelspel is. Wil je goed onderwijs geven, dan moet je een goede vakkennis hebben. Eigenlijk is er wel een overeenkomst tussen een verkoper en een leraar, allebei moetje iets aan de man brengen.

Stomme naam

Na de invoering van de Mammoetwet in 1968 werd de naam veranderd in Heymanscollege en een paar jaar geleden na samenvoeging met de Theo Lancée-mavo scholengemeenschap Oost. Dat vind ik trouwens een stomme naam, zegt niks en ik hoop dat ze er nog eens wat anders op vinden. In de tijd van Jacques Wallage als wethouder van onderwijs is er veel veranderd. Ik was het lang niet altijd met hem eens – dat gold voor meer mensen – maar we konden toch goed met elkaar opschieten. Jacques Wallage zal over mij wel eens gedacht hebben: ‘Daar heb je die geweldig ouderwetse zak weer.’ Ik vond hem de grote vernieuwer, maar soms was hij er dichtbij om de grote vernieler te worden. Ik geloof niet zo in allerlei nieuwe vormen van onderwijs. Onderwijs is een dienstverlenende factor. De maatschappij verandert, dus verandert het onderwijs, maar slechts in details.

Ik geloof nog altijd dat kennis vergaren – het cognitieve element – in het onderwijs heel belangrijk is. Ik ben wat dat betreft toch wat ouderwets. Toen ik in ’38 naar de mulo in Borger ging, was ik nieuwsgierig: Ik wilde van alles weten. Ik wilde Frans leren, maar dacht eerst dat wat wij leerden geen Frans was. Tot ik een keer bij de kapper was en een potje met het opschrift ‘savon pour la barbe’ zag. Verdomd, het was toch Frans dat ik op school leerde. De maatschappij blijft heus vragen om mensen die wat kennen. Die sociale vaardigheden zijn natuurlijk ook wel belangrijk, maar dat leren ze thuis wel en in het leven zelf. Ik vind het zulke opgeklopte karnemelk. Er komt nooit roomboter van.
Wat moet een jongen van zestien, zeventien jaar nu in een medezeggenschapsraad? ‘s Avonds vergaderen, ik zou op mijn beurt liever op het voetbalveld staan. Daar word je ook wel sociaal vaardig.

Fusies

Kijk, ik geloof vast in fusies tot mavo/havo/vwo-scholengemeenschappen. Maar die fusies had je moeten doen in een tijd van overvloed. Hier in Groningen waren we te laat. Een fusie kost altijd banen. Gaat het goed, dan kun je mensen die hun baan verliezen snel weer aan werk helpen. In minder goede tijden gaat dat niet. Dan is de schok extra groot. Het Heymanscollege ging samen met de Theo Lancée-mavo, dat is gelukkig allemaal goed verlopen. Ik geloof er niet meer in als ook het lager beroepsonderwijs in zon scholengemeenschap erbij moet komen. De lbo-kinderen voelen zich niet zo gelukkig in zon grote club. Mavo-kinderen zeiden in de begintijd na de fusie al: ‘Ach, die atheneummers’, zo van die kakjongens. Dat is godzijdank meegevallen, maar met het lbo erbij, dan heb ik de grootste twijfels of dat goedkomt. Net zoals met die ideeën van heterogene klassen (leerlingen van alle niveaus bij elkaar in de klas-red.). In de eerste klas moet dat kunnen, maar in het tweede jaar heb je verschillende stromingen nodig. Je loopt anders het gevaar dat mensen die iets vlugger kunnen tekort wordt gedaan. Zelfs wordt er gesproken over heterogene groepen in het derde leerjaar, maar dan vraag ik me toch echt af of een mavo-, havo-, of vwo-leerling ooit nog wel aan zijn eindexameneisen kan voldoen.

Zwaar

Het werk als rector begon op het laatst wel zwaar te worden. Voor al door de Rijksoverheid. Om de andere dag sturen ze circulaires, vaak veel te laat. We hebben op school ooit eens een lege envelop van het ministerie binnengekregen. Of een dik pak papier waarin alle symbolen voor ‘kleiner dan’ als ‘groter dan’ moesten worden gelezen. Door allerlei rare systemen rond de rechtspositie van docenten wordt er met mensen omgegaan als met zakjes zand. Het zou toch wel mooi zijn als je als gemeente aan de opzegtermijn van drie maanden voor een ontslag kunt voldoen. Je kunt nooit precies weten hoeveel leerlingen je het volgende jaar hebt, maar de formatie moet wel vantevoren vastgesteld worden. In je voorspelling moet je somber zijn, want je mag niet te veel mensen in dienst houden. Je ontslaat dus gauw te veel men: sen, die even later weer in dienst komen. Daar krijg je onrust van. Die hele rechtspositie is het resultaat van knokpartijen tussen overheid en vakbonden. In goede tijden werkt het wel, maar in slechte tijden gaat het helemaal mis. En dan van die toestanden dat iemand die twintig jaar Frans heeft gegeven nu ineens tekenen moet gaan geven. Dat is net zo belachelijk als het feit dat een eindexamenleerling die zakt het volgende jaar maar meetelt voor eentiende leerling. Als je zulke dingen verzint, ben je goed gek aan de gang.

De gemeente kan hier niets aan doen, maar wat die wel zou kunnen doen, is de scholen een tijdje met rust laten. De gemeente heeft een grote drang om alsmaar nieuwe dingen te doen, terwijl men de oude dingen nog niet eens in de vingers heeft. De scholengemeenschap Oost heeft goede mogelijkheden; een prachtig nieuw gebouw, schitterende eindexamenresultaten en een fusie, die we goed hebben overleefd. De school ligt in een volksrijke buurt (bij de nieuwbouwwijken Lewenborg en Beijum-red.). De scholengemeenschap moet nu wat rust krijgen.

Opvolging

Op 16 september hebben ze voor mij en conrector Bontsema, die na een ernstige ziekte ermee ophoudt, een afscheidsreceptie georganiseerd. We hebben samen zoveel meegemaakt en dan kost het de gemeente maar één keer een paar glaasjes jus d’orange. Een opvolger voor mij is er nog niet, maar als ik dan zie wat ze allemaal vragen van zo iemand!

Een schaap met vijf poten is al moeilijk te vinden, maar hier willen ze een genie hebben.
Ze hebben er een gewone man of vrouw voor nodig met een nuchter verstand. Hij of zij moet met mensen om kunnen gaan en belangstelling hebben voor kinderen. En dan nog wat van onderwijs weten. Al die eisen die door de gemeente aan een rector worden gesteld, het is gewoon opgeklopte karnemelk.
Als ik dat zie, dan voel je toch dat je ouderwets wordt, maar goed, ik heb in één of ander verward psychologieboek gelezen dat dat op deze leeftijd zo hoort.

Streng

Laatst schreef een leerling in een schoolkrantje dat hij de school heel aardig vond, maar meneer Hazekamp te streng. Toen dacht ik, ben ik echt te streng? Nee, ik geloof van niet. Ik kon wel eens goed kwaad worden, ben wel eens onbillijk geweest. Toch hoop ik dat ze in elk geval gemerkt hebben dat ik duidelijk was, dat ik uitstraalde dat ik het leven heel erg aardig vind en dat ik mensen met alle betrekkelijkheden hele aardige instellingen vind en ik hoop dat voor anderen het leven ook erg aardig is.

Ik denk dat de jeugd niet minder geworden is. De jongeren van nu komen er verdomd goed uit. Ja, ik weet wel dat er ook rotzakkken, nee dat is niet het juiste woord, jongeren met afwijkende patronen zijn, maar daar heb ik niets mee te maken gehad. Vroeger waren er net zoveel potentiële Z-siders als nu, maar er waren gewoon geen mogelijkheden voor. Je kreeg toen een dubbeltje en daar legde je nog eens vijf cent van opzij voor slechte tijden, wat dat ook mochten zijn. Als je ziet wat een spuitbus verf kost, waar de hele stad mee volgekalkt wordt.
Een geintje hoort er ook bij op school, dat moet kunnen vind ik. In een sprookjesachtige schoolfilm ter gelegenheid van het nieuwe gebouw speelde ik Koning Egge en ik heb ook eens aan een songfestival op school meegedaan. Met een buikorgel bracht ik een Frans lied ten gehore, samen met een combo. Het leek nergens op en we hebben ook geen prijs gewonnen. Als je bang bent dat je je gezicht verliest, dan heb je het al verloren.

Demonstratie

O ja, in die demonstratie van Gezag en Vrijheid heb ik een paar jaar geleden in de voorste gelederen mee gelopen. Dat is ook de enige demonstratie waar ik aan meegedaan heb. ik weet niet eens meer precies wat de aanleiding was. Die acties tegen de munitietreinen geloof ik. Als een politieman uitgescholden wordt voor SS’er, dan word ik ontzettend kwaad. Ze weten niet eens wat een SS’er is.

Ik zou in de huidige situatie niet meer aan zon demonstratie van Gezag en Vrijheid meedoen. Van onrust op school, omdat ik meeliep in die tocht, heb ik niets gemerkt. Er liepen trouwens ook genoeg leerlingen mee. Ik ben helemaal geen politieke extremist. Zo van ‘Ordnung muss sein’, dat kan ik helemaal niet zijn. Zoiets kan ik niet doen tegenover thuis, dat is godsonmogelijk.

Ik ben hu zon veertien dagen met VUT. Het is een gek idee, zeker nu de scholen ook weer begonnen zijn. Wat doe je ‘s ochtends om acht uur, hè? Dan kun je moeilijk een boek gaan zitten lezen. Om negen of tien uur wordt dat weer anders.

Ik ben voorzitter van de provincie Groningen van de Stichting ’40-‘45 en zit ook in het hoofdbestuur. Nu heb ik de tijd om meer voor de stichting te doen, want door ’40-‘45 heb ik destijds kunnen studeren. Als ik dan laatst van een mevrouw uit Drenthe hoor, dat haar man in dertig jaar niet meer uit huis is geweest door één of ander syndroom uit de oorlog. Dan geloof ik dat ik die man misschien een klein beetje begrijp, misschien iets kan helpen.

Waarom heb ik kunnen studeren? Nou, omdat ze thuis kapotgeschoten zijn. Dat is natuurlijk een Kromme redenering, maar de oorlogstijd heeft mij een hoop gedaan. De gebeurtenissen tussen ’40 en ’45 hebben mijn leven misschien wel misvormd – dat hoeft niet zo nodig in de krant – maar toch heb ik een verdomd aardig leven gehad. Destijds was het leven veel meer zwart-wit. Mijn moeder, die vorig jaar is overleden, brak enkele jaren geleden een heup. Nu, je weet hoe dat is voor een ouder iemand, herstel duurt lang en dan moeten ze weer opnieuw leren lopen. Ik was toen een keer bij haar op bezoek en toen zei ze zo: ‘Voor mij hoeft het allemaal niet meer zo en ik wil pa ook wél weer ééns zien.’
Zij had de zekerheid dat ze mijn vader weer zou zien. Zulke zekerheden heb ik niet.

 

Ik ben van plan om te gaan biljarten. Dat deed ik vroeger ook, maar ik had er nauwelijks tijd voor. Ik wil proberen of ik weer lid kan worden van de Sociëteit Harmonie. En ik ga een cursus aquarelleren volgen. Tekenen vond ik altijd al leuk, kan ik ook wel een beetje en het is een goed tijdverdrijf.

Mijn vrouw en ik hebben het gezellig zo samen. We zitten mekaar niet de hele dag op de lip. Dat lijkt me verschrikkelijk, want je hebt elkaar op het laatst niets meer te vertellen. We hebben allebei onze eigen dingen, mijn vrouw zit in verenigingen en ik weer in andere. Onze kinderen doen dat gelukkig ook. Het is altijd moeilijk om mensen te vinden die zich belangeloos in willen zetten voor een of andere organisatie. Eigenlijk is het niet eens belangeloos, want wat zou het leven zijn zonder veel van die verenigingen?

• ELLEN KOCH

 

 

Terug naar D109 D110 Marinus Hazekamp Klazina Oostema