Han Jansen, kunstenaar, * 04-03-1931 Kloosterburen

___________________________________________________________
 
Johannes Regnerus Jozef (Johannes’) Jansen, kunstenaar, * 04-03-1931 Kloosterburen, † 04-02-1994 Nieuw Loosdrecht 

Ouders: Johannes Regnerus (Freerks) Jansen, landbouwer, (Kloosterburen 7), Dijksterweg 27 Kloosterburen x 08-10-1917 Kloosterburen Theresia Regnera (Theodorus’) Bos 

P.A. Scheen: Jansen, Johannes Regnerus Jozef (Han’); geb. Kloosterburen 4 maart 1931. Woonde en werkte in Kloosterburen, Kerkrade, Maastricht, Groningen; thans in Eelderwolde (gem. Eelde). Autodidakt (als schilder en beeldenmaker). Schildert, tekent (ook pen) en beeldhouwt. Onderwerpen en kunstrichting: landschappelijke, industriële pop en minimal art. 

___________________________________________________________
 

Han Jansen
schilder van land-. zee- en luchtlandschappen
door Erik Beenker en Jan Abrahamse
ISBN: 9789070399399

___________________________________________________________

08-11-1969 Nieuwsblad van het Noorden, dinsdag  

KUNSTSCHILDER HAN JANSEN:
  Achter Luns daar hoort het portret van een koe — dat is Nederland!

In het westen sloeg het in als een bom.”
— Dat is nu de conclusie van de 38-jarige kunstschilder Han Jansen uit het succes van zijn allereerste expositie (vorig jaar mei) bij Galerie Wout Vuyk in Hilversum. Niet alleen kwam er een reportage over zijn werk op de TV, ook tijdschriften en kranten besteedden veel aandacht aan dit debuut. De succesvolle schilderijen waren landschappen met koeien of beter gezegd met het moderne koeieleven en dat was voor veel mensen een inslaande bom. Wie wist eigenlijk nog hoe de beesten leven die we tot en met de botten gebruiken? 

  Han Jansen: „Er zijn erg veel reacties op die expositie gekomen; het naturelle dat sprak gewoon wel aan en iedereen herkende op een gegeven ogenblik het Hollandse Landschap weer. Je kreeg gewoon mensen bij je die zeiden: we gaan weer naar de koeien kijken. Ze zijn er zo verschrikkelijk vaak bij langs gereden, het is hun doodgewoon niet opgevallen dat die dingen nog in het landschap liepen.” 

  Jansen schilderde niet altijd zo. Wat hij vroeger maakte noemt hij nu grotendeels „roggebrood” en „afbraak in de verf”.
Toch mag die kant best gezien worden, vindt hij.

Wanneer kwam de koe in je werk? vroegen we Han.
„Dat het alleen maar koe werd, dat begon ongeveer vanaf ’66, maar het is heel langzaam gegaan want de eerste koeschilderijen heb ik weer overgeverfd. Waarom de koe? Ik vind dat je met de koe alles kunt doen, een koe is namelijk helemaal niet gebonden, ’t Is ook een kwestie van kennen. Je hebt bijvoorbeeld Maas-, Rijn-, IJsselvee, in sommige landschappen vind ik dit soort koeien zo prachtig; in het Hogeland vind ik die blaarkoppen zo mooi; in Friesland die zwart-bonte zo verrekte goed. Dan kom je verder en zie je opeens die Engelse koeien, de Jerseys en die zijn zo verschrikkelijk intelligent. Je komt echt alles in die koe tegen”. 

De Groninger kunstschilder Han Jansen (op de foto rechts) in een gesprek met Erik Beenker, die daarvan in onderstaand artikel uitvoerig verslag doet — Erik Beenker (25), geboren in Groningen, was korte tijd leerling van de Academie Minerva en daarna enthousiast deelnemer aan de vrije academie Ateliers ’63 in Haarlem. Hij was enige tijd recensent beeldende kunst voor het Vrije Volk, resp. in Groningen en Amsterdam.

Achter iedere rechter…
 
Bovendien de hele confrontatie van Nederland is altijd met de koe geweest en ik zou bijvoorbeeld doodgewoon achter de stoel van iedere rechter….. daar zou ik geen portret van de koningin hangen maar een koe: achter iedere rector-magnificus of wie dan ook. Ik vind dat iedereen een koe nodig heeft, achter iedere minister-president hoort een koe te staan, ik bedoel maar, achter Luns daar hoort een koe, dat is Nederland. We willen allemaal van de koe af en de windmolens, maar ik wil dit brengen. 

  Han Jansen gebruikte eerst die koe als protest en signaleerde in zijn werk de revolutie in de veeteelt.

  Han Jansen: „Men is over het algemeen zo geselecteerd bezig geweest dat alle ziektebeelden bij koeien, zoals abortus bang en t.b. niet worden bestreden, maar die beesten worden afgemaakt, zodat de vererving op zich een dusdanig programma krijgt dat er praktisch geen ziektebeelden meer op dit gebied voorkomen. Het is op een gegeven moment ook mogelijk alle koeien dusdanig te selecteren dat als ze tegelijk geïnsemineerd worden 99% van die koeien bevrucht raken; daar kan gewoon naar toe gewerkt worden, dan kunnen die koeien ook tegelijk kalven. Maar dat houdt ook in: iedere koe heeft een bepaalde periode dat ie droogstaat, dat noemen ze de lactatieperiode, dan hoeft ie niet gemolken te worden en is dus niet arbeidsintensief; en in die periode kan de boer, die meestal nooit aan het maatschappelijke leven kan deelnemen, eens een keer zeggen: we gaan een maand op reis”.

  Jansen vertelt ook hoe bijvoorbeeld uiers door fokmethoden steeds groter werden, steeds meer opgeblazen om die beesten meer te laten produceren.
  „Zoiets treft mij bijvoorbeeld ook al omdat ik altijd gek op dieren geweest ben. Ik heb altijd een heleboel beesten om me heen gehad. We hadden thuis een agrarisch bedrijf, daar waren ook altijd een paar koeien, die koeien die boeiden mij het meest; de beest op zich”.

  In de veeteelt en de veefokkerij zijn ze zo ongelooflijk ver, dat ze op een gegeven moment ook ongelooflijk harde maatregelen hebben. Zo worden stieren van twee jaar afgemaakt omdat ze al voldoende sperma geproduceerd hebben en dus voor de eeuwigheid bewaard blijven. Dit soort dingen, zoals de K.I. (kunstmatige inseminatie) vindt een gemiddelde agrariër zo normaal als het beesten betreft, maar zodra we het op mensen betrekken gaat iedereen de haren recht op de kop zetten.”

Wielrenner-voetballer
  Han Jansen, geboren in Kloosterburen in een boerengezin van elf kinderen, spreekt van „een wilde jeugd” en „bekend staan als de bonte hond” — telde mee in de sport en won eens de wielerronde van Middelstum en speelde ook voetbal in het noordelijk jeugdelftal. Uit zijn „wilde jeugd” vertelt hij:
  „Ik moest vaak met een koe naar de stier toe, zo’n echte dorpsbol. Ik was een van de weinigen die een koe kon berijden. Er was altijd wel iemand die dan vroeg: Kest zulf naait doun? Dus ik zat op de koe als ik er mee naar de stier ging en dat was zo’n drie à vier kilometer van onze boerderij vandaan.
Als het dan helemaal donker was, dan dacht ik, verrek ik ga niet zo ver, en als ik dan een stier zag staan dan ging ik daar met de koe naar toe. Zo’n bol staat altijd bij een waterplasje, zo’n beest moet ook water drinken. Op een avond ga ik er met zo’n koe naar toe en ik zet die koe neer, ik sta voor die koe en op ’n gegeven moment springt die stier en naait dat hele spul zo het water in…. ik ben bijna verzopen; kotsend en onder het kroos ben ik naar huis gegaan”.

  Mijn vader kreeg ieder jaar een afrekening voor het gebruik van die dorpsbol, die kostte tien of twintig gulden, ik weet het niet meer precies, per keer. Mijn vader kreeg één keer de rekening, keek er naar en riep: Verrek jongens, die koeien kunnen nooit drachtig zijn want ik hoef maar 30 gulden te betalen. Hij wist het dus wel en hij keek me er wel op aan, maar hij heeft er nooit over gepraat, ’t was crisistijd…. er waren elf kinderen ’t scheelde hem misschien wel een paar honderd gulden.”

Mooi kijkspel
  „De stier met een koe, daar mochten we wel bij zijn, maar als er een hengst bij de merrie kwam niet, dat was een edel beest. ’t Is ook wel zo: een stier dat gaat spanningsloos, die springt erop en dan is ’t afgelopen, maar bij paarden daar is een boel spanning bij. Als mijn vader de paarden hielp achter de schuur, dan mochten wij er niet bij zijn, maar onze schuur had elf raampjes en dan stond achter ieder raam een kind te kijken.” 

  „Kijk, dat speelt natuurlijk een rol, dat je die dingen aan den lijve hebt meegemaakt. Ik mocht van mijn vader nooit bij de arbeiders werken, want ik hield ze volgens hem van ’t werk af.
Ik luisterde graag naar hun verhalen, je wist op het laatst alles van iedereen af. Ik wist bijvoorbeeld precies welk kind van wie was, maar dan ook precies.” 

  „Ik stroopte ook veel. In de oorlog hadden we wel tien onderduikers in huis, er moest dus altijd extra eten zijn. Ik stroopte onvoorstelbaar veel. Mijn vader was een echte gentleman en als ie dat geweten had, zou ie me echt vermoord hebben, hoor. Ik moest het dus altijd ’s avonds en ’s nachts doen, dan liep ik de polder in om hazen te strikken enz. Kijk, en daarom heb ik nu wel eens het idee dat ik dat nu nog doe, maar dan heel anders hè dat ik jaag op mijn eigen schilderijen bij wijze van spreken.”
  Han Jansen is eigenlijk altijd al aan het tekenen en schilderen geweest „Bij een echte Hogelandster boerderij heb je vaak een stookhutje. Zo’n stookhutje stond ook bij onze boerderij en dat heb ik al vroeg ingenomen; daar heb ik jarenlang geëxperimenteerd, en daar is het eigenlijk allemaal begonnen. Op m’n elfde jaar was ik al klant van een verfwinkel en dat is eigenlijk altijd zo gebleven”.

Baantje erbij
  „Ik heb altijd vreselijk veel verf nodig gehad en dat kost geld. Daarom heb ik ook al jarenlang een overeenkomst met een conservenfabriek, dat loopt zeer goed en de directeur is ook een man die het leuk vindt dat ik schilder. Ik heb een conservenagentuur. Een werkkring erbij zodat je veel vrijer in de wereld opgesteld staat…. het zou een ideale combinatie zijn voor de meeste schilders…. als ze het zouden kunnen halen. Ik heb het nooit als een hobby gezien. Bovendien, weet je, m’n schetsboek, dat komt gewoon langs de weg tot stand, dat ontstaat vaak in de middagtijd. Ik vind het fijn om gewoon door te experimenteren ………..
Ik ben nooit geïnspireerd door schilders uit ’t noorden. Wat ik wel een paar heel fijne schilders heb gevonden zijn Jan Altink (maar zeer nadrukkelijk in een bepaalde periode, van 1920 tot ’35) en Job Hansen”. 

  Job Hansen kwam wel eens bij Jansen langs. In die tijd was Jansen „zwaar” met donkere kleuren aan het werk. Hansen ging achter Jansen staan en zei bijna kreunend: „Oe, Han Han, pas toch op, dat wordt een oudebottenkleur.” 

  Het dorpje Oostum noemt Jansen het kerkhof van de schildersbent De Ploeg. „Ze hebben het allemaal aan de voorkant geschilderd maar ik heb het aan de achterkant gepakt,” merkt hij niet zonder trots op.

Waarom schildert hij helemaal geen paarden?
 
„Ja, dat weet ik zelf ook niet precies. Eigenlijk hou ik meer van paarden en nog meer van honden.

Laatste vraag aan Han Jansen: Je gebruikt in je nieuwe werk veel minder koeien, — hoe komt dat?

  „Op een gegeven moment heb ik gedacht van die koeien af te kunnen, maar als object in het landschap kan ik ze domweg niet missen… ’t is eigenlijk puur landschap en dan heb je weer die ornamenten. Iemand zei eens tegen mij, je gebruikt ze gewoon als hoeren..
’n beetje een botte uitdrukking voor dit werk ….. Vóór en achter een dijk kan ik uitbeelden met een koe, voor en achter een boom met een koe, ’t is iedere keer de afbeelding die toch wel weer een rol speelt”. 

  „Ik geloof niet dat dit de Groninger traditie is waarin ik schilder. Ik heb die inspiratie wel uit het noorden, ik moet er ook bij zeggen dat ik dat hele Hogeland zo verschrikkelijk mooi vind…. ik bedoel maar…., ik zit er eigenlijk altijd, ik ben er nooit op uitgekeken.”

___________________________________________________________
 

Groningen en Han Jansen: ‘kortsluiting bij het leven’
  Han Jansen exposeert van heden af in de Groninger Galerie De Mangelgang. Hij is een geboren en getogen Groninger. Als schilder was hij niet onbekend. Desondanks werd hij door iemand uit het Westen ontdekt. Hoe dat mogelijk was en waarom hij niet eerder in Groningen exposeerde, vroegen we aan Han Jansen. Hij legt uit dat zijn werk ooit éénmaal in het Noorden te zien is geweest. Op Verhildersum bij Leens heeft het in 1961 eens twee dagen gehangen. Dat was echter heel ander werk dan nu. Donkerder van kleur en veel spijkers er in. Er hing ook een protest-schilderij bij. Het was een portret van Job Hansen, waarin spijkers waren geslagen, „Job Hansen als martelaar”. Job Hansen was toen net overleden en een paar jaar voor zijn dood beroemd geworden.
Han Jansen wilde er zijn verontwaardiging mee uitdrukken over de houding van andere Groningse schilders. Tijdens het leven van deze noordelijke kunstenaar hadden ze nooit wat in hem gezien. Toen hij eenmaal dood en beroemd was bleek iedereen opeens wel het werk gewaardeerd te hebben.

Han Jansen vond het verder niet noodzakelijk om tentoon te stellen, 

„ik was voor 99 procent met mijn eigen werkwijze bezig”; tevreden was hij ook niet, „het is een enorm kritische instelling waar ik jarenlang mee geschilderd heb, maar het werk is toen nooit overgekomen”.
Omstreeks ’66 kwam er een ommekeer in zijn werk die Jansen wel beviel. Twee jaar geleden besloot hij de stap te wagen en stuurde drie schilderijen ter beoordeling voor de tentoonstelling Dynamisch Groningen. Ze werden geweigerd. Er mee naar de Mangelgang gaan durfde hij ook niet.
  „In Groningen wordt het werk toch nooit gevreten”, dacht Han Jansen.

Een jaar later had hij er het grote succes mee in Hilversum. De galeriehouder Wout Vuyk, op het werk attent gemaakt door een vriend uit ’t Gooi die vroeger in Groningen werkte, was meteen bij het zien van deze schilderijen laaiend enthousiast geworden. Hij maakte van zijn ontdekking onmiddellijk een tentoonstelling. Een van de mensen die onder de indruk was van deze tentoonstelling, was de heer L. van Lagestein, directeur van De Mangelgang te Groningen. Hij zag het werk toen voor het eerst, hoewel Van Lagestein en Jansen elkaar al geruime tijd kenden.
Van Lagestein verklaart nu:
„Persoonlijk kende ik hem al wel, maar zijn schilderijen dus eigenlijk niet. Han kwam wel bij mij. Het enige wat ik van hem gezien had, hing bij restaurant Koos Kerstholt (de schoonvader van Han Jansen – E. B.) en dat vond ik gewoon erg slecht. Als ik dan met Han sprak en hij praatte over zijn werk, dan dacht ik altijd aan die dingen het is natuurlijk een kortsluiting bij het leven”. 
ERIK BEENKER 

___________________________________________________________
 

___________________________________________________________
 
Naar 06-09-1973: Waar is de Kikker | schilderijen van Han Jansen