Wet besmettelijke Ziekten behandeling Eerste Kamer

 

Staats-Courant
Vel 21. 69 Eerste Kamer. 8STE ZITTING. – 14 NOVEMBER.

Voorziening tegen besmettelijke ziekten.

ZITTING VAN DONDERDAG 14 NOVEMBER. (GEOPEND TEN 1 URE.)

Ingekomen: verzoekschrift. — Verslagen op verzoekschriften uitgebragt. — Beraadslaging over en aanneming van het wetsontwerp houdende voorziening tegen besmettelijke ziekten.

Voorzitter: de heer van Bylandt.

Tegenwoordig, met den Voorzitter, 35 leden, te weten de heeren:

Michiels van Kessenich, van Vollenhoven, Cost Jordens, Prins, Rahusen, van Aylva van Pallandt, van Sasse van Ysselt, Hein, Coenen, Pincoffs, Nobel, de Vos van Steenwijk, Messchert van Vollenhoven, Hartsen, Duymaer van Twist, van Swinderen, van Rijckevorsel, Geertsema, van Esinga, de Raadt, Verschoor, Fransen van de Putte, Huydecoper van Maarsseveen, Borsius, Schot, van Goltstein, de Villers de Pité, Viruly, Cremers, Hengst, Stork, de Dieu Fontein Verschuir van Heilo, Beerenbroek en Smit; en de heer Minister van Binnenlandsche Zaken.

De notulen van het verhandelde in de vorige zitting worden gelezen en goedgekeurd.

De Voorzitter deelt mede dat is ingekomen: een verzoekschrift van H Weenk en Compagnie, fabrikanten, houdende adhaesie aan het adres van de kamer van koophandel en fabrieken te Almelo, betreffende het wets-ontwerp tot vaststelling der tariven van in-, uit- en doorvoer in Nederlandsch Indie.
Dit adres zal worden verzonden naar de Commissie voor de Verzoekschriften.

De Commissie voor de Verzoekschriften brengt de navolgende verslagen uit:

De heer Nobel, lid der Commissie:

Naar uwe Commissie is verzonden een adres van Joh. van der Linde, G. Roos en 26 anderen te Maasdam, waarbij adressanten, hoewel niet in de zoogenaamde gemoedsbezwaren doelende, echter andere bezwaren inbrengen tegen het wets-ontwerp tot voorziening tegen besmettelijke ziekten in het algemeen, en meer in ’t bijzonder tegen art. 6 van dit wetsontwerp. Zij wijzen daarbij op het huns inziens onbillijke van de bepalingen van dat artikel en op de groote nadeelen, die uit de toepassing daarvan voor den landbouw en de groote kosten die daaruit voor de gemeenten zullen voortvloeijen.

Daar dit adres betrekking heeft op een aanhangig wetsontwerp, heeft uwe Commissie de eer voor te stellen het ter visie te leggen voor de leden.

In handen der Commissie werd gesteld een adres van A. Mijnlieff Az., burgemeester van Andel, waarbij de adressant een aanprijzend oordeel uitspreekt over het wetsontwerp houdende voorziening tegen besmettelijke ziekten, en in het licht stelt hoe in die gemeente wordt geijverd tegen de ontworpen bepaling op de vaccine en verder de aandacht uwer Vergadering er op vestigt, dat op een adres tegen voormeld wetsontwerp, ingezonden door ds. van Goor, predikant aldaar, vele handteekeningen voorkomen van minderjarigen, zelfs van tienjarigen leeftijd. Daar dit adres betrekking heeft op een aanhangig wetsontwerp, heeft uwe Commissie de eer voor te stellen het adres neder te leggen ter griffie, ter inzage voor de leden.

III. In handen uwer Commissie voor de Verzoekschriften werden gesteld de navolgende petitien, allen bezwaren inbrengende tegen het wetsontwerp tot voorziening tegen besmettelijke ziekten en meer bepaaldelijk tegen het beginsel van art 17, waartegen adressanten hunne bezwaren in het breede ontwikkelen. Die adressen zijn van:

B. van Lummel en 6 anderen te Elburg;
van Binnendijk en T. F. Swart te Anjum;
C. Luitingh te Smilde;
IJsselman te Katwijk;
W. Nederbragt te Hardenberg;
W Ort te Alkmaar;
Houtman te Woubrugge ;
D. Israël te Wanswert;
Koolsbergen te Holwerd;
Klijn te Marssum en J. Krijken jr. te Menaldum;
Esker en 6 anderen te …….;
S. Lozan te Wissekerke;
C. W. Scheffer en K. Fleurke te Nieuwe Pekela;
Pletter en 3 anderen te Winterwijk;
den kerkeraad der Christelijk Gereformeerde gemeente te Smilde;
van der Weerdt en 114 anderen te Sneek;
van den Booget Gz. en 18 anderen te Middelharnis;
Witsink en 43 anderen te Appelscha:
Heringa te Woudsend;
Tietema te Tzum;
K. Horzinga en 53 anderen te Oostwold;
Floor en 4 anderen te Wons;
K. Verlaan en 3 anderen te Sneek;
van Oei;
N. Baatert en 21 anderen te Maarssen en Maarsseveen;
J. van Lummel en 54 anderen te Utrecht;
Esser te ’s Hage;
Vissink en 220 anderen te Bolsward;
Brouwer en H. J. Langhout te Giessendam;
Lindeboom en 23 anderen te ’s Hertogenbosch;
van de Putte en 75 anderen te Oud-Vossemeer;
J. L. van Buuren en 105 anderen te Steenwijk;
J. Gijsen en 183 anderen te Workum:
van Hinnen en 191 anderen te Hazerswoude;
Nintjes en 109 anderen te Urk;
A. Lanting en 76 anderen te Winsum;
W. Dragt en 55 anderen te Ommen;
F. Bulens en 91 anderen te Wisch;
L Neijers en 84 anderen te Sneek:
Hemmes en 113 anderen te Delfzijl:
den kerkeraad der Christ. Geref. gemeente te Amsterdam;
het algemeen bestuur der vereeniging voor Gereformeerd schoolonderwijs te Heerenveen;
van Hoogen en 70 anderen te …….;
Weerts en 173 anderen te Meppel;
de Mol Moncourt en 81 anderen te Oostdongeradeel;
H Vos en 105 anderen te Ruinewolde en Kockengen;
M. Dijkman Wz. en L. Brinkhuis te Maasland;
de Vogel en 73 anderen te Berkel;
W. Naers en J. Verbeek te Varsseveld en Dinxperlo;
J. Chevalier te Ermelo; J. de Ruiter en 108 anderen te Assen;
A. Kuiper en 2276 anderen te Amsterdam;
A v. d. Willik Az. en 56 anderen te Boskoop;
van Walsem en 60 anderen te Apeldoorn;
C Vermeulen Az. en 24 anderen;
IJmker en 82 anderen te Hoogeveen;
J de Ruiter en D. van Wijng van Rees te Hoogeveen;
M. Roosendaal en 123 anderen te Gouda; E. Jonghoen en 5 anderen te Gouda;
Wakker en 21 anderen te Wormer.

Aangezien deze adressen betrekking hebben op een bij deze Kamer aanhangig wetsontwerp, heeft uwe Commissie de eer voor to stellen, die neder te leggen ter griffie, ter inzage voor de leden.

IV In handen uwer Commissie voor de Verzoekschriften werden gesteld adressen van:
de kamer van koophandel en fabrieken te Almelo;
dezelfde kamer te Eindhoven;
Kamerling en zoon en 30 andere fabrikanten te Amelo, Enschedé, Oldenzaal, Borne en Vriezenveen;

de kamer van koophandel en fabrieken te Maastricht;
dezelfde kamer te Oldenzaal;
dezelfde kamer te Rijssen,
Wilmink en comp. te ’s Hage,
alle houdende bezwaren tegen het wetsontwerp tot vaststelling der tariven van in-, uit- en doorvoer in Nederlandsch Indie.

Aangezien deze adressen allen strekking hebben op een reeds bij deze Vergadering in behandeling gekomen wetsontwerp, en gedrukte afschriften daarvan zich bevinden in handen der leden, heeft uwe Commissie de eer voor te stellen, die adressen te deponeren ter griffie, ter inzage voor de leden.

De heer Prins,

lid der Commissie:

 

  1. In handen der Commissie voor de Verzoekschriften is gesteld : 1. een adres van M. Smits en 31 anderen te Heino. Adressanten geven hunne teleurstelling te kennen over de aanneming van het amendement Godefroi c. s. op art. 17 van het wetsonderwerp houdende voorziening tegen besmettelijke ziekten, en wenden zich uit dien hoofde tot deze Kamer met dringend verzoek dit wetsontwerp niet aan te nemen.

2 . Een adres van adhaesie van T. Westrich en 38 anderen te Hijkin gemeente Beilen aan een adres uit Kampen, houdende bezwaren tegen het wetsontwerp ter voorziening tegen besmettelijke ziekten.

3°. Een adres van adhaesie van H. Verhoeff en 21 anderen te Amsterdam aan een adres van H. H. Kuijper c. s. in zake het vaccine-amendement.

Daar deze adressen betrekking hebben op een wetsontwerp, dat in deze Kamer aan de orde is, concludeert uwe Commissie tot nederlegging van deze adressen ter griffie, ter inzage voor de leden.

 

De Vergadering vereenigt zich met de voorgestelde conclusien.

 

Aan de orde is de beraadslaging over het WETS-ONTWERP TOT VOORZIENING TEGEN BESMETTELIJKE ZIEKTEN.

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Messchert van Vollenhoven: Mijnheer de Voorzitter, ieder moet iets van zijn regt en van zijne vrijheid opofferen in het algemeen belang, wil er in de maatschappij orde, vrede en welvaart heerschen. Die stelling zal door niemand worden tegengesproken. Maar men kan te ver gaan in de eischen tot het brengen van offers. Het geneeskundig Staatstoezigt eischt wel wat veel offers en wordt daarin door de toenemende centralisatiezucht der Regering, ook in ons land in de laatste jaren toegenomen, niet weinig gesteund. Nederland wordt meer en meer door een ijzeren band geklemd en gekneld, die alle individuele vrijheid dreigt te verstikken.

Na vijf jaren zijn er eerst voorteekenen van eene betere toekomst.

“Meer medewerking — dit zijn de woorden van het laatste verslag van de gezondheids-commissie — èn van eenige energieke hoofden van gemeenten èn van gemeente-raden.” Eene betere toekomst in het vooruitzigt; maar om die betere toekomst te verhaasten is op aandrang der inspecteurs, dit wets-ontwerp aangeboden, of liever een soortgelijk wets-ontwerp, dat later verzacht is, maar door de andere Kamer wederom is verscherpt.

De Regering verklaart in de Memorie van Beantwoording — en daar neem ik dankbaar acte van — dat het hare taak zal zijn om, mogt dit wets-ontwerp tot wet worden verheven, de uitvoering met het meest mogelijke beleid te doen plaats hebben. Maar in de uitvoering zal men met bezwaren te kampen hebben, die met het meest mogelijke beleid niet zullen uit den weg kunnen worden geruimd. Men vergete toch niet dat dit wets-ontwerp zal zijn, wordt het wet — eene strafwet, dus stricter, ja strictissimae interpretationis, waartegen veel tegenkanting en waarvan veel ontduiking te wachten is. Men make zich daaromtrent geene illusien.

In de door deze Kamer met de Regering gewisselde stukken zijn redactie en stijl reeds besproken. Ik behoef daar niet breedvoerig op terug te komen, maar ik vraag met vertrouwen of de toepassing bijv. van art. 8 door den strafregter niet met onoverkomelijke moeijelijkheden gepaard zal gaan en of de redactie van andere artikelen hunne toepassing in de meeste gevallen niet hoogst onzeker zal doen zijn?

Ik wil over die bezwaren niet verder uitweiden, omdat er in mijn oog andere bezwaren zijn van veel meer gewigt. Ik noem daarvan in de eerste plaats het groote bezwaar dat uit deze wet zal ontstaan voor de gemeentebesturen en vooral voor de burgemeesters. De artt. 2, 3, 4 en 5 geven aan de burgemeesters en art. 8 aan de burgemeester en wethouders zekere bevoegdheden, maar bevoegdheden die aanzienlijke kosten na zich slepen.

Zal nu de burgemeester in de meeste gevallen niet huiverig zijn, om van die dure bevoegdheid gebruik te maken?

De gemeenteraden toch zijn niet altijd even gezind om gemaakte kosten van dien aard goed te keuren en voorafgaande goedkeuring zal bezwaarlijk kunnen gevraagd worden. Waarom geen verpligting opgelegd aan den burgemeester? In het stelsel van de wet past verpligting, niet het geven van bevoegdheid.

In grootere gemeenten zal dat bezwaar niet zoo erg drukken; daar is uitgebreider personeel, betere gelegenheid, daar zijn meer fondsen beschikbaar. Maar ten platten lande, zal, voorzie ik, van die bevoegdheden zeer zelden gebruik gemaakt worden.

Art. 7 is voor de plattelandsgemeenten ook een hoogst drukkend voorschrift.

De verpligting om eene gelegenheid tot afzondering en verpleging van lijders aan besmettelijke ziekten in te rigten in de steden, in de grootere althans, is minder bezwarend; daar zijn ziekenhuizen, somtijds meer dan een. Die gast- of ziekenhuizen, een gedeelte, of één daarvan, zijn in te rigten voor eene zoodanige gelegenheid. Maar ook zelfs in de grootere gemeenten kunnen die kosten aanzienlijk stijgen; wanneer namelijk, hetgeen niet zoo geheel onwaarschijnlijk is, het geneeskundig Staatstoezigt, ook vroeger of later, zal eischen dat die inrigtingen voor besmettelijke zieken moeten worden verplaatst buiten de kom der gemeenten.

Ik vrees dat die eisch eenmaal zal gesteld worden, en dan zullen de kosten onoverzienbaar zijn. Maar ten platten lande die gelegenheden in te rigten zoodra Gedeputeerde Staten van het gewest het bevelen, hetzij tijdelijk, hetzij op den duur, — ten platten lande, waar zooveel bewoners in geval van gewone ziekten verhuizen naar de omliggende stedelijke gemeenten, zal dan toch dat bezwaar van art. 7 zeer ernstig drukken. Iedere gemeente zal de gelegenheid moeten inrigten zoodra Gedeputeerde Staten het bevelen, dus ter voldoening aan een algemeen, aan een rijksbelang, en dat op eigen kosten. Is dat niet onbillijk? Men ontneemt aan de gemeentebesturen hunne autonomie in dat opzigt; men bindt ze door wettelijke en kostbare voorschriften en daarenboven belast men ze met de kosten. Men vermeerdert alzoo in groote mate de reeds niet onaanzienlijke kosten, die de gemeenten nu al in ‘s Rijks belang te dragen hebben.

Dit alles doet men bij dezen eersten stap; en wordt nu het beginsel aangenomen, wat zal het dan zijn bij verdere stappen van dezen aard? want het zal bij dezen niet blijven. Zal men dan, bij die verdere stappen op hijgiënisch gebied, dit beginsel weder verzaken, en het tegen een ander verwisselen?

Het zou moeijelijk zijn.

Diezelfde bedenking, wat de kosten betreft, en het onbillijke om die ten laste der gemeenten te brengen, heb ik ook tegen het voorschrift van art. 12, dat localen moeten worden ingerigt voor tijdelijke bewaring van overledenen aan eene besmettelijke ziekte, “bij” elke begraafplaats.

Ik hoop dat dit “bij” hier zal beteekenen “bij” of “op”, want wanneer de gemeente, nog buiten de begraafplaats, eene plaats moet aankoopen om die localen te stellen, is dit alweder een bezwaar. Ik leg het dus uit, en ik hoop dat de Minister dit ook zoo zal doen, dat “bij” hier is “bij” of “op”.

Mijn tweede bezwaar is tegen art. 1, en wel eerst tegen lit. ƒ, waarbij mazelen zijn opgenomen onder de besmettelijke ziekten, die tot zoo veel moeijelijkheden aanleiding zullen geven.

In de stukken is die zaak ook behandeld. De Minister heeft er op gewezen — en het is waar — dat de bepalingen ten opzigte van mazelen iets minder bezwarend zijn dan die ten opzigte van andere besmettelijke ziekten; naar het oordeel echter van zeer velen en — ik ben geen deskundige — maar ook van deskundigen zijn die bepalingen, wat de mazelen betreft, toch nog te bezwarend.

Het laatste lid van art. 1 zegt, dat bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, zonder tusschenkomst van de wetgevende magt, de bepalingen van deze wet geheel of gedeeltelijk ook op andere ziekten voor oen bepaalden tijd kunnen worden toepasselijk verklaard.

Zoodanige bepaling wil ik gaarne aannemen wanneer het veeziekten geldt, maar bij ziekten van menschen gaat het, geloof ik, wat ver.

“Toepassing der wet op andere dan de in dit artikel genoemde ziekten”, zegt de Minister wel in zijne Memorie van Antwoord, “zal niet dan bij dringende noodzakelijkheid, en zeker niet dan zeer zelden plaats hebben.”

Wie echter zal die dringende noodzakelijkheid uitspreken?

Het geneeskundig Staatstoezigt zal dit doen, en zal nu de Minister de verantwoordelijkheid op zich nemen om tegen het advies van dat Staatstoezigt in, te beslissen. En is het te voorzien welke eischen dat toezigt vroeger of later doen zal? Wordt het niet hoe langer hoe strenger? Is dit ontwerp niet reeds een voorbode en ligt het niet in den aard der zaak dat specialiteiten het vak hunner specialiteit als het voornaamste beschouwen, waarvoor alle bezwaren moeten zwichten ? Heeft het onderwijs daarvan niet reeds kennelijk de bewijzen opgeleverd ? En zou de Minister in het belang van zijne eigene rust de wetgevende magt niet in zijne verantwoordelijkheid willen doen deelen?

Ten derde, art. 20: de uithangborden of de zoogenaamde kenteekenen. Vergt men ook hier niet te veel? Ik spreek niet van de vermogenden, maar van de winkeliers, de neringdoenden, de magazijnhouders en dergelijken. Eene besmettelijke ziekte eischt reeds vele en buitengewone kosten en men stopt de bron waaruit die moeten gevonden worden. Verwacht men dan niet ontduikingen? Verwacht men niet, dat geene geneeskundige hulp zal worden ingeroepen om het gevaar van die bordjes te ontgaan, en dat juist door het niet inroepen van dergelijke hulp de besmetting verergeren zal? En dan, kan men met mogelijkheid alle verkeer met die besmetten, hoe welgezind zij ook zijn, weren? Is er, vooral in groote steden, van deze bepaling eenig afdoend resultaat te verwachten, een resultaat gelijk staande met de kwelling en het nadeel? En men vergete niet, dat art 20 toch ook op mazelen toepasselijk is.

Ik kom nu tot mijn hoofdbezwaar, art. 17, maar vooraf wensch ik nog eene opmerking te maken, die mij voorkomt niet geheel van belang ontbloot te zijn. Het oorspronkelijk artikel, dat nu het laatste geworden is, art. 34 (toen, geloof ik, art. 41), luidde: “Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.” Er werd bij amendement eene verandering voorgesteld, die de Minister overnam en ten gevolge waarvan het artikel thans luidt: “Deze wet treedt in werking vóór of op den lsten Mei 1873.” Voor het geval dus, dat men de wet vóór 1 Mei 1873 in werking wil doen treden, is in de wet niet bepaald wie dat beslissen zal. Ik meen te kunnen volstaan met de aandacht van den Minister hierop te vestigen, omdat het hier geldt eene strafwet tegen welker toepasselijkheid men geene argumenten ongebruikt zal laten.

En nu art. 17. Ik dank den Minister dat hij gedaan heeft wat van hem afhing om deze draconische en hoogst onbillijke bepaling te weren. Ik noem die bepaling draconisch. De bezwaren zijn bekend: men kan ze vooral in twee deelen splitsen. Vooreerst de bezwaren van medischen aard. Tegen de vaccinatie, het brengen namelijk van eene smetstof in een gezond ligchaam en dat alleen als een zeer onzeker en dikwijls falend behoedmiddel, verheffen zich hoe langer hoe meer ook deskundige stemmen. Eene menigte geschriften, ja zelfs een geregeld in Engeland verschijnend tijdschrift, getiteld The anti-vaccinator, staven met bewijzen hoe verderfelijk de vaccine in sommige gevallen werkt. De meerderheid van onze medici gaat deze meer en meer toenemende beweging met een zeker minachtend stilzwijgen voorbij. Het is niet tegen te spreken dat op dit oogenblik de meesten onzer deskundigen vóór de vaccine zijn. Ik zal mij, als niet-deskundige, niet vermeten tegen deze uitspraak op te komen, maar men veroorlove mij toch eene opmerking.

Zijn die uitspraken der geneeskundigen zoo onomstootelijk, en kan ook daarin nimmer verandering komen? Wie onzer herinnert zich niet den tijd dat bijna geene ziekte zonder aanwending van bloedzuigers of aderlating, ik zeg niet genezen, maar behandeld werd? Wie herinnert zich niet een tijd dat de kinderen vooral groente en bijna geen vleesch mogten eten, of het vermagerings-sijsteem, dat menigeen aan den rand van het graf heeft gebragt?

Dit alles is voorbijgegaan en nog veel meer, waaromtrent andere inzigten zijn ontstaan. Zijn nu die nieuwe gezigtspunten alleen het gevolg van den vooruitgang der wetenschap? Zoo ja, wat heeft dan die oude wetenschap een tijd noodig gehad om zoo ver te komen! En wie zegt ons dat bij nog meer vooruitgang der wetenschap de vaccinatie ook niet zal wegvallen en dat zoovele deskundigen die er nu tegen zijn, de baanbrekers zullen zijn van een nieuw licht in die zaak? Maar neen, nu zal de Staat, op aandrang van zijne medische raadslieden, de ingezetenen verbieden, den raad van hunnen doctor, in wien zij vertrouwen stellen, te volgen, als die raad afwijkt van de officiële voorschriften. Zie Mijnheer de Voorzitter, dit heet ik eene draconische bepaling. Men raadpleegt een medicus, in wien men vertrouwen heeft; men vertrouwt hem de hijgiène van zijn huis — want het is eene zaak van vertrouwen bij uitnemendheid — hij is tegen de vaccine; het helpt hem niet, de officiële arts is daarvoor. Men zegt wel: niemand dwingt u, men belet u alleen uwe kinderen naar school te zenden. Is dat geen dwang ? Kan men erger, harder dwingen dan door onderwijs te onthouden?

Het tweede bezwaar tegen art. 17 is het conscientiebezwaar. Over dat bezwaar wordt in het algemeen met verbazende luchthartigheid heengestapt. En toch het is niet een bezwaar dat hier en daar door een enkele gedeeld wordt. Uit alle oorden van hel vaderland wordt de Kamer door duizenden en duizenden gebeden en bezworen het te weren. Zijn mijne berigten juist, dan hebben zich nu reeds 80 000 onzer landgenooten, waaronder ook menig geneeskundige, tot den Koning gewend om dit gevaar af te wenden. Ik zeg 80 000. Is dat zoo onbeduidend ? Of is het zoo af te keuren dat zoo velen in den lande de uitspraak hunner conscientie liever volgen, dan hunne conscientie geweld aan te doen? En gelooft een onzer dat zij, die die bezwaren hebben, inderdaad hunne kinderen zullen doen vaccineren ? Ik niet. Ten minste verreweg de meesten zullen het niet doen. De kinderen zullen dus van onderwijs verstoken blijven, zoodra huisonderwijs niet door de ouders kan worden bekostigd. Moet dan ook hier, even als bij het onderwijs, alles voor de meerderheid zwichten ? Mag er dan niets voor de minderheid gedaan worden? Zijn dan de minderheden geen deel van ons volk ? Moet dan alleen de meerderheid strekken tot leiddraad van de Regering? Moet de ijzeren vuist van de meerderheid de minderheid verpletteren Heb ik dan niet met regt de bepaling draconisch genoemd?

Maar er is meer. De bepaling van art. 17 is ook hoogst onbillijk. Het is een nieuwe slag, dien men toebrengt aan het reeds zoo stiefmoederlijk bedeeld bijzonder onderwijs. Het is bekend dat het conscientiebezwaar vooral gedeeld wordt door hen, die hunne kinderen, ook al om des gewetenswille, niet aan de Staatsschool toevertrouwen. Nu laat art. 17 evenmin toe dat zij, die het allen op dat punt eens zijn en tegen de vaccine gestemd, op hunne door hen bekostigde scholen, door geen Rijkssubsidie gesteunde scholen, de kinderen doen onderwijzen zonder de knnstbewerking, die op die scholen door niemand verlangd wordt. Is dat eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, dat zelfs bij de inrigting van het openbaar onderwijs gebiedend in de Grondwet is voorgeschreven? Is dat niet veeleer eene nieuwe bezwarende voorwaarde, die gesteld wordt: en die in de wetten op het lager en middelbaar onderwijs onbekend is?

Is die nieuwe bepaling dan niet hoogst onbillijk?

Het zijn vooroordeelen, ja domme vooroordeelen, zegt men. Wie stelt u als regter over het geweten uwer medemenschen ? Het waren ook zoogenaamde vooroordeelen, 300 jaren geleden, die de Regering van dien tijd te vuur en te zwaard en nog krachtiger wilde uitroeijen! Met uitgezochte martelingen moesten ziel en ligchaam worden behouden; en wat was het gevolg? Een 80jarige krijg voor de gewetensvrijheid; en eindelijk die vrijheid, geheel en volkomen.

Een voorbeeld uit lateren tijd. De vervolgingen tegen de zoogenaamde afgescheidenen. Ook toen heette het vooroordeel: men wilde geen verlof vragen aan de overheid om godsdienstige bijeenkomsten te houden. Dat vooroordeel moest worden bekampt en uitgeroeid met gevangenissen en inlegeringen. En wat hebben die vervolgingen opgeleverd? Schande voor de toenmalige Regering, eene bezoedelde bladzijde in onze geschiedenis; maar Goddank! ook eene geloovige kerk, die het Christendom tot steun, het vaderland tot eere strekt. Luctor et emergo! Maar stelt voor een oogenblik dat wij hier met vooroordeelen te doen hebben, zal dan art. 17 dat vooroordeel opheffen? Gelooft iemand inderdaad dat ééne inenting meer zal geschieden? Die dat beweert kent ons volk niet, en vergeet wat ik zoo even herinnerde. Neen, het zal alleen ten gevolge hebben dat de kinderen dier bevooroordeelden van de school, en de meesten van onderwijs, verstoken zullen blijven. De mogelijkheid van besmetting op andere plaatsen zelfs waar kinderen bijeen zijn, blijft dezelfde voor allen, maar de scholen zullen gesloten zijn. Nu het draconische en onbillijke eens voor een oogenblik ter zijde gesteld, en dan vraag ik: is art. 17 doeltreffend? Wat is het doel? Vooreerst, de zorg dat de kinderen en jongelieden (want lagere en hoogere scholen en gijmnasien worden bedoeld), minder vatbaar zullen zijn voor de kinderpokken, of als deze hen overvallen, meer kans hebben zullen op herstel. Ten tweede, de zorg dat zij hunne medescholieren niet aansteken en de epidemie in de hand werken. Ik stel voorop, dat men geen groot vertrouwen heeft in de vaccine als voorbehoedmiddel; de gevaccineerden toch zouden, ware het middel afdoende, niet zoo groot gevaar loopen van besmet te worden. Maar dit daargelaten; zal het artikel, zelfs bij instemming met de voorstanders, doel treffen? Ik geloof het niet, en wel om de volgende redenen: vooreerst, het weert de niet ingeënten alleen van de school, niet van andere openbare bijeenkomsten en verzamelingen, als kerken, fabrieken, concerten, die dikwijls vooral niet minder gevaarlijk zullen zijn. Maar dit wets-ontwerp heeft het bijzonder voorzien tegen de scholen ook art. 14: “bewoners van huizen of vaartuigen, waarin eene besmettelijke ziekte voorkwam, mogen geen scholen bezoeken”, fabrieken en werkplaatsen zijn uit het artikel weggevallen.

Is dat consequent ? In de tweede plaats zal het artikel, mijns inziens, geen doel treffen, omdat het niet voor-schrijft hervaccinatie. En toch, Mijnheer de Voorzitter, schijnt het uitgemaakt dat vaccine slechts eenige jaren werkt. Over het getal jaren is ook weder verschil. Ieder onzer kan zich herinneren,,dat bij de laatste pokkenepidemie die hervaccinatie nog al zeer talrijk is geweest, en het is mij bekend dat er menschen zijn die zich alle jaren laten hervaccineren. In dit artikel wordt echter de hervaccinatie niet gevorderd.

Neen, Mijnheer de Voorzitter, wil men consequent zijn, men schrijve voor, dat ieder gevaccineerd en gehervaccineerd moet worden; het geschiedt in andere Staten. Ik zou voor die bepaling niet zijn, vooreerst om de redenen die ik zoo even heb aangevoerd, maar daarenboven ook omdat in die landen het ondoeltreffende daarvan meer en meer blijkt. Degenen die tegen de vaccine zijn, laten zich beboeten en betalen, maar geen enkel kind wordt er meer om gevaccineerd; voor zoover ik weet wordt nergens ligchamelijke dwang toegepast. Maar door zoodanige bepaling in de wet te brengen zou men ten minste consequent zijn.

Het komt mij voor. Mijnheer de Voorzitter, dat men vrij algemeen erkent, zoowel in als buiten de Kamer, dat dit wets-ontwerp in velerlei opzigt geen doel zal treffen; dat er nog veel aan ontbreekt; dat de redactie veel te wenschen overlaat, en dergelijke meer; maar men wil het beschouwen als eene proef. Onze wetgeving is niet zeer gelukkig op het doen van proeven en op het veran-deren van wetten die eenmaal zijn vastgesteld; wij hebben voorloopige wetten die reeds zeer lang en bijna definitief “voorloopig” zijn gebleven; er is ook veel bezwaar en onzekerheid aan verbonden of ooit zoodanige veranderde wet zal tot stand gebragt worden. Maar wanneer men te voren zoo goed als zeker weet dat de proef zal mislukken, waartoe haar dan genomen Waarom dan niet eene betere proef voorgedragen, vooral hier, waar groote kosten gemaakt, waar veel vrijheid verkort en waar veler belangen vertreden moeten worden, zij het dan ook bij wijze van proef ? Ik durf van den Minister verwachten dat hij het nemen van deze proef aan den Koning zal ontraden, op grond dat het oorspronkelijk wets-ontwerp uit zijn verband is gerukt, en dat de redactie tot eene menigte processen en verwikkelingen aanleiding zal geven; maar vooral op grond dat art. 17 met de overtuiging der Regering in strijd is. Moge dit wets-ontwerp dus geene kracht van wet erlangen en aan de gemeentebesturen en individus de maatregelen ter genezing en wering van besmettelijke ziekten en van buitengewone epidemien worden overgelaten, ik ben er zeker van, Mijnheer de Voorzitter, dat alsdan over eenigen tijd zal blijken dat het nemen van eene proeve althans op zoo groote schaal en met zulke strenge bedreigingen overbodig is.

De laatste epidemie vooral, die der pokziekte, heeft inderdaad in vele gemeenten en bij vele ingezetenen reeds zeer veel vermeerdering van zorg en voorzorgen te weeg gebragt; allerwege beijvert men zich om de vaccine te bevorderen, goede stof verkrijgbaar te stellen, de gelegenheden tot inenting te vermenigvuldigen. De overtuiging en zucht tot medewerking daartoe ontwaken meer en meer. Indien de Regering zelve daartoe het hare wil bijdragen, dan wordt zonder twijfel een en ander nog algemeener. Van die omstandigheid en van onderwijs en beschaving verwacht ik veel meer vruchten dan van dwang, vooral wanneer deze niet in de volksovertuiging gegrond is. De wetgever zorge toch bovenal geen voedsel te geven aan zekeren lijdelijken tegenstand, die al ligt door de uitvoering der wet versterkt en met zekere zucht tot martelaarschap uitgebreid zou kunnen worden. En terwijl men den beteren loop, dien dit deel van het geneeskundig Staatstoezigt ontegenzeggelijk nu reeds neemt, bevordert door alle middelen, die onderwijs, overreding en pers zoo ruimschoots aanbieden, sla de Regering liever de handen aan andere eischen der volksgezondheid, die zonder hare krachtige tusschenkomst niet, volstrekt niet, kunnen worden vervuld, waarin blijkt dat alle individuele en gemeentelijke krachten te kort schieten. Ik noem in de eerste plaats het misbruik van sterken drank. Hier zijn verreweg de meeste geneeskundigen, de beoefenaren der wetenschap, de ervaring, zoo hier als elders (wat zelden gebeurt), het eens. Het is eene ziekte, die niet alleen het ligchaam, maar ook de ziel verwoest, die in de hoogste mate besmettelijk is, geheele huisgezinnen aansteekt, van ouders op kinderen overgaat, waartegen geen enkel behoedmiddel, geen enkel geneesmiddel blijkt gewassen, veel min opgewassen te zijn, die noch door de meest treffende voorbeelden, noch door de ernstigste verbindtenissen of vermaningen schijnt overwonnen te kunnen worden. Het is tijd, meer dan tijd, dat de Staat hier tusschen kome en doe wat bijna overal elders geschiedt, dat dronkenschap gestraft, drankverkoop beteugeld, drankgelegenheid verminderd, verleiding geschandvlekt, onervarenheid beschermd worden.

In de tweede plaats heb ik het oog op de vervalsching van levensmiddelen, die eene schrikbarende hoogte heeft bereikt. Al wat wetenschap, schranderheid, behoefte ver-keerds uitdenken en opleveren, wordt aangewend om het dagelijksch voedsel te vervalschen, de voedende deelen door niet voedende te vervangen. Voor het gewone oog zijn die vervalschingen niet te ontdekken, uit den aard der zaak zijn ze niet telkens te onderzoeken of uit te maken. Hier treedt het geneeskundig Staatstoezigt, ondersteund door eene krachtige Regering, op en beveilige de gezondheid van hen die zelven daartoe in de meeste gevallen volstrekt onbekwaam zijn.

Maar waartoe meer? Ik heb genoeg gezegd om te doen uitkomen dat, naar mijne meening, de Regering voor de volksgezondheid veel kan doen door beletselen weg te nemen, door goede inrigtingen te steunen, door betere inzigten te verspreiden, door onderwijs en ontwikkoling ook in dit opzigt te bevorderen. Maar de Regering moet zich niet te veel bemoeijen met de gezondheid, waar ieder best zelf waken en zorgen kan, en ook in den regel zorgen wil. Vooral moet zij niet met een toezigt kwellen, dat inbreuk maakt op de vrijheid die ieder gaarne behoudt, vrijheid van geweten en ligchaam, waarop ieder onbetwistbaar regt heeft. Het allerminst mag de Regering optreden met straffen en bedreigingen, waar die niet volstrekt onontbeerlijk en regtvaardig zijn.

 

De heer Hein: Een groot deel van de bezwaren door den vorigen spreker in het eerste gedeelte van zijne rede in het midden gebragt zijn ook de mijne; ze zijn voor mij de schaduwzijde van dit ontwerp. Ik verklaar echter gaarne dat er voor mij in tegenstelling met hem ook eene lichtzijde is.

Ik begin met de bezwaren.

Toen nu ongeveer zeven jaren geleden het geneeskundig Staatstoezigt bij de wet werd geregeld, deed de Minister, die met de verdediging van het ontwerp was belast, doorschemeren dat te eeniger tijd tegenover de plaatselijke besturen eene douce violence zou moeten worden uitgeoefend, wanneer zij in gebreke bleven die maatregelen te nemen,die voor de publieke gezondheid noodig mogten zijn. Verzuim, Mijnheer de Voorzitter is er gepleegd, dat valt niet te ontkennen; de plaatselijke besturen hebben zich vooral ook bij de jongste pokkenepidemie aan groote, schier onverschoonbare nalatigheid schuldig gemaakt en dat nu de Staat die taak in handen neemt, om het leven en de gezondheid van de ingezetenen te beschermen, daar waar zij gevaar zoude loopen, door achteloosheid of onverschilligheid van individuen, of van besturen, dat juich ik zeer toe. Ik acht het zelfs de pligt van den wetgever om hier tusschenbeide te komen.

Ik erken dat het hier geldt een groot, een algemeen belang, en ik geef toe dat men hierbij niet altijd de individuele vrijheid in die mate kan eerbiedigen en ook behoeft te eerbiedigen, als in andere gevallen.

Maar nu vraag ik: waar is die “douce violence”, die zachte dwang op de gemeentebesturen, gebleven? Ik zie, men heeft hier een stouten greep gedaan in de gemeentewetgeving en in de autonomie van de gemeentebesturen. Ik zie, men heeft de plaatselijke besturen van het terrein als het ware geëlimineerd en zo, te gelijk met eenige bepalingen van de gemeentewet, eenvoudig opzijgezet. Men heeft alle magt en gezag opgedragen aan één persoon, aan den burgemeester alleen, die in het hoogste ressort, voorgelicht, het is waar, door den geneeskundigen ambtenaar, maar anders toch geheel alleen, besluiten zal nemen, bevelen zal geven en doen uitvoeren.

Daarin heb ik werkelijk bezwaar. Men is, geloof ik, hier te ver gegaan. Ik vrees nu niet meer voor te weinig ijver. Er is drijfkracht genoeg in de wet. Ik zou veeleer vreezen voor te veel ijver voor onverstandigen of overdreven ijver bij sommigen Wanneer daartegen niet wordt gewaakt, zal hierdoor aan de individuele vrijheid misschien onnoodig schade worden toegebragt en de gemeenten onnoodig op groote kosten kunnen worden gejaagd.

De geachte vorige spreker heeft de verschillende artikelen van het wets-ontwerp die voor hem bezwaar opleveren en waaruit hij de ongelegenheden afleidt die voor de ingezetenen en de gemeenten kunnen ontstaan, breedvoerig behandeld. Ik kan dus volstaan met, nog kort, op die artikelen te wijzen, die ook voor mij bezwaar opleveren.

Ik wijs dan op de bevoegdheid tot uitzetting en overbrenging van lijders, ook van den eigenaar, uit slaapsteden, logementen of hotels ; op art. 3, waarin zoo vague wordt aangeduid “andere maatregelen tot voorkoming van de verspreiding der ziekte”.

Men heeft in het Verslag van deze Kamer aan den Minister gevraagd, wat er alzoo onder die “andere maatregelen” moet verstaan worden. De Minister heeft getracht daaromtrent eenige aanwijzingen” ie geven, en ik erken dat er tegen die aanwijzingen op zich zelf niet zoo heel veel bedenking bestaat, maar de Minister zal toch moeten toegeven, dat het zijn louter aanwijzingen, en dat zij bloot enunciatief, niet limitatief zijn.

De vraag blijft, wat door zeer gezêleerde burgemeesters zoo al onder die “andere maatregelen” zou kunnen gebragt worden.

Ik wijs verder op de geheel objective opvatting van hetgeen, volgens art. 3, een brandpunt van besmetting zal dreigen te worden, en ik wijs op de bevoegdheid, die art. 5 geeft, om van besmetting verdacht voorworpen te doen onteigenen en vernietigen.

De burgemeester zal voor de niet onbeduidende kosten, die uit dit alles voor de gemeente kunnen voortvloeijen, geheel alleen, en in strijd met art. 224 der gemeentewet, de vrije beschikking hebben over de gemeentekas, en zal tevens, in strijd met de bepaling van art. 179e van de gemeentewet, geheel alleen en uitsluitend het toezigt hebben over de publieke gezondheidsdienst, een toezigt dat bij de gemeentewet uitdrukkelijk aan burgemeester en wethouders is opgedragen.

En nu vraag ik, met den vorigen spreker: zijn daaruit geen conflicten en moeijelijkheden te duchten zoowel met net collegie van burgemeester en wethouders al met den gemeenteraad? Al geef ik volkomen toe dat de maatregelen, in de wet opgenomen, noodig kunnen zijn, en al keur ik goed dat daarbij een krachtig handelend gezag optreedt, zoo kan ik toch niet toegeven of goedkeuren dat een burgemeester hier geheel arbitrair, naar eigen inzigt en goedvinden, zonder eenige controle of toezigt zal kunnen handelen, en allerminst kan ik goedkeuren dat er van die handelingen geen redres mogelijk zal zijn.

Ik had hierom wel gewenscht dat het denkbeeld, door den heer C. van Nispen in de andere Kamer aangegeven, in de wet ware opgenomen en uitgewerkt: het denkbeeld om aan den Commissaris des Konings op te dragen een krachtig toezigt over de handelingen van de burgemeesters, en hem de bevoegdheid te geven om de besluiten en de bevelen van de burgemeesters, al wilde men die des noods ten uitvoer leggen, bij voorraad, te wijzigen, te schorsen ot buiten werking te stellen. Ware dit denkbeeld in de wet gebragt, vele van mijne bezwaren zouden er zeker door zijn weggenomen.

Ik heb reeds gewezen op de kosten, die voor de gemeente zullen voortvloeijen uit de artt. 2, 3 en 4. Ik moet nu nog wijzen op de verpligte inrigting van eene gelegenheid tot afzondering van lijders volgens art. 7, en op de verpligte inrigting van lijkenhuizen volgens art. 12. De vorige spreker heeft reeds uiteengezet welke kosten en bezwaren daaruit voor de gemeenten kunnen ontstaan, ik spreek er dus niet meer over Maar ik moet nog wijzen op art. 6, de bevoegdheid namelijk tot opruiming van verzamelingen van mest, zuivering van slooten en andere voorzieningen tot bevordering van de openbare reinheid. Het klinkt op zich zelve vrij onschuldig, maar het is toch eene bevoegdheid waardoor virtualiter aan burgemeester en wethouders de magt wordt gegeven om, buiten den gemeenteraad om, een stelsel van reiniging, zelfs van riolering, in het leven te roepen, waardoor aan de gemeente enorme kosten kunnen veroorzaakt worden.

Nu erken ik wel, dat, wanneer dat alles noodig is, het ook moet kunnen bevolen worden en moet kunnen geschieden, daar zelfs waar eene gemeente niet of bijna niet bij magte is om de kosten te betalen, want daarover is men het tegenwoordig wel eens dat het hier niet meer een bloot gemeentelijk, maar ook een algemeen belang geldt, en juist omdat het ook een algemeen belang geldt, heb ik bezwaar dat eene weinig vermogende gemeente dit alles zou moeten bekostigen. Zij hebben — gelijk bereids is gereleveerd — reeds zoo veel dat van algemeen belang is voor hare rekening. Voor het geval van onvermogen had ik verlangd eene uitbreiding van het stelsel van subsidie, zoo als het in de slot-alinea van art. 18 is aangenomen, of nog liever had ik eene bepaling in de wet gezien zoo als in art. 36 van de wet op het lager onderwijs, dat, waar na onderzoek blijkt dat eene gemeente door de kosten der inrigting van — hier de publieke gezondheidsdienst — te zwaar zou worden gedrukt, de provincie en de Staat daarin zouden kunnen te gemoet komen; want nu vrees ik, dat de noodige maatregelen zullen afstuiten op onvermogen of op de vrees voor kosten. De Regering heeft wel in de Memorie van Beantwoording gezegd, dat aan behoeftige gemeenten van Rijkswege zal kunnen worden te gemoet gekomen, maar dit voldoet mij niet. Behoeftige gemeenten zijn armoedige gemeenten, maar er zullen velen met bepaald armoedige of behoeftige gemeenten zijn, die toch door al die kosten te zwaar gedrukt worden. Voor dergelijke gemeenten had ik in de wet eene bepaling gewenscht, dat de Staat hen te hulp komt; ik zou daarin geen het minste bezwaar vinden, vooral na het antecedent dat men niet geschroomd heeft voor de gezondheid van den veestapel millioenen uit te geven ; is de gezondheid der menschen den Staat niet nog meer waard dan die van het vee?

Ziedaar, Mijnheer de President, de bezwaren die ik tegen het wets-ontwerp heb. Ik ga even als de vorige spreker de redactie der wet voorbij, die wat de duidelijkheid betreft veel te wenschen overlaat. Ik ga ook voorbij de moeijelijkheden, die uit de artt. 8 en 10 voor sommige lijders, voor regters en voor schippers kunnen voortvloeien. Ik zou misschien in alle die bezwaren redenen genoeg kunnen vinden om tegen deze wet te stemmen ; maar ik zal dat evenwel niet doen; ik zal toch stemmen vóór de wet, om enkele voor mij overwegende redenen.

In de eerste plaats omdat er dringende behoefte bestaat aan regeling en ik mij met de algemeene strekking dezer wet wel kan vereenigen. Ten tweede omdat ik deze wet beschouw als eene proefneming en ik wensch dat de wet door menige andere betere wet zal gevolgd worden op het terrein dat wij pas hebben betreden. Ten derde, omdat ik, nu de Minister zelf de noodzakelijkheid erkend hebbende dat de wet met zeemanschap en met het meest mogelijk beleid zal moeten worden uitgevoerd, hoop heb dat Zijne Excellentie in de maatregelen van inwendig bestuur ter uitvoering der wet, al het mogelijke zal doen om de bezwaren waarmede hij nu bekend is gemaakt, zooveel mogelijk uit den weg te ruimen.

Maar last but not least. Ik zal stemmen voor de wet om de bepaling van art. 17 betreffende de vaccine. Deze bepaling heeft vooral buiten de wetgevende kamers zeer veel aanstoot gegeven ; het is eene bepaling die alleen bij amendement in de wet is gebragt, die de Minister niet voor zijne rekening behoeft te nemen, omdat hij ze alleen heeft getolereerd; eene bepaling die ik dus niet verwacht dat de Minister hier bijzonder in zijne bescherming zal nemen. Maar juist om deze laatste reden vind ik mij opgewekt om er een enkel woord ter verdediging over te zeggen.

Dat art. 17, hetwelk de scholen sluit voor ongevaccineerden, heeft een storm doen opsteken, of liever men heeft er eene beweging, eene agitatie over in het leven geroepen gelijk wij sedert lang niet hebben vernomen. Waarom? Ik weet het niet; want hetgeen waartegen men nu opkomt is niets onverwachts, niets onbekends, niets nieuws, niets ongehoords. Sedert lang immers zijn door het geheele land, hier in Zuidholland sedert bijna eene halve eeuw, provinciale en gemeenteverordeningen in werking, waarbij de vaccinatie voor schoolgaande kinderen verpligtend is gesteld. En nu, nu wordt daartegen op ééns gereageerd, als of de dierbaarste en heiligste regten der menschheid er door wierden verkracht! Opmerkelijk is het ook, Mijnheer de President, dat dit wets-ontwerp sedert meer dan twee jaren bij de wetgevende magt aanhangig is, en in al dien tijd hoeft men er, behalve welligt hier en daar eene geïsoleerde stem, niets tegen vernomen. En waarom dan nu? Waarom dan nu juist die agitatie tegen eene wet, die hetzelfde voorschrijft wat reeds sedert lang bij plaatselijke verordeningen was verordineerd? Als het enkel om deze bepaling te doen is en geen politieke agitatie beoogd wordt, dan begrijp ik niet waarom die beweging zich juist nu en met die intensiteit voordoet. Hetgeen door den vorigen geachten spreker daaromtrent is gezegd heeft mij in het vermoeden versterkt dat er nog andere beweegredenen hier werkzaam zijn. Ik zou haast gaan gelooven dat men hier indirect ook eene agitatie omtrent het bijzonder onderwijs op het oog heeft. Dit in het voorbijgaan.

Ik wil volstrekt in geene beschouwing treden over het aantal adressanten. Ik heb gehoord dat er wel 80 000 zijn.

Ik heb geen minachting voor het getal, maar het boezemt mij geen ontzag of eerbied in ook. Ik zal mij evenmin uitlaten over de wijze waarop en de woorden waarin adressanten hunne bezwaren hebben kenbaar gemaakt. Ik eerbiedig volkomen het regt voor ieder Nederlander om dit te doen op de wijze als hij zal oirbaar achten; maar waartoe ik wel regt heb, dat is die bezwaren te onderzoeken en te toetsen.

De adressanten beweren — dit is niet zoo zeer aangedrongen door den vorigen geachten spreker, want hij heeft altijd maar gesproken van gemoedsbezwaren — er is conscientiedwang, er is belemmering in de belijdenis van de godsdienstige meeningen, waarvan de volkomen vrijheid bij artikel 164 der Grondwet is gewaarborgd. Ik kan dit niet inzien, Mijnheer de President, want daargelaten, wat ik nog niet toegeef, hetgeen door adressanten wordt beweerd, dat het hier werkelijk de belijdenis van godsdienstige meeningen geldt, dan is die vrijheid door de Grondwet ondergeschikt gemaakt aan de verantwoordelijkheid voor de wet, hier de strafwet. Indien dus daden, al mogten zij ook uit zulk eene belijdenis voortspruiten, in strijd zijn of geraken met de wet, met hetgeen de Staat voor de bescherming en beveiliging van allen noodzakelijk acht, dan mag die vrijheid niet worden ingeroepen. Het geldt hier de beveiliging, van het leven en de gezondheid der ingezetenen tegen eene verschrikkelijke ziekte. Die beveiliging acht de Staat gelegen in de vaccine. De Regering zeide in de Memorie van Toelichting hieromtrent en dit kan tevens strekken tot antwoord aan den vorigen spreker: “De overgroote meerderheid van geneeskundigen in alle landen schijnen te beamen hetgeen eene Staatscommissie in Engeland, belast met het houden eener enquête naar de werking van the vaccination-act, onlangs als uitkomst van haar onderzoek verklaarde : “dat de koepok, zoo al niet eene volstrekte, dan toch eene zeer groote bescherming aanbiedt tegen een aanval van pokziekte, en eene volstrekte bescherming tegen den dood door die ziekte; dat de pokziekte, wanneer zij niet door inenting is tegengehouden, eene van de vreesselijkste en meest verwoestende ziekten is, met betrekking tot het gevaar van besmetting, de sterfte onder de aangetasten en de blijvende gebreken van de overlevenden, en dat het dus de pligt is van den Staat te beproeven zorgvuldige inenting van de geheele bevolking te verzekeren.”” Zóó ver evenwel ging het toenmalig en gaat het thans geamendeerd wetsartikel niet. De wet gebiedt gcene verpligte vaccinatie. Tot zekere hoogte hebben de bestrijders van de wet den wetgever daarvan een verwijt gemaakt. Men heeft gezegd : de wetgever is niet consequent. Wanneer hij gewild had wat hij zich voorstelt, dan had hij moeten gebieden verpligte vaccinatie. Maar, Mijnheer de President, als ik niet alles bereiken kan, moet ik dan alles laten varen? Als maatregelen niet geheel kunnen worden uitgevoerd of niet beantwoorden aan alles wat ik verlang, moet ik dan daarom alle maatregelen verwerpen?

De wetgever heeft zeer wijsselijk geen verpligte vaccinatie geboden, daartoe toch ware physieke dwang noodig en physieke, corporele dwang moet vermeden worden; zonder zoodanigen dwang is eene verpligte vaccinatie, hoe wenschelijk ik voor mij die ook zou achten, onbereikbaar. Door strafbepalingen wordt men niet gevaccineerd, de wet gaat dus niet verder dan het verbod om het leven en de gezondheid van anderen, waar door dan ook, in gevaar te brengen. Zij verbiedt ongevaccineerde kinderen naar school te zenden of daar toe te laten, en ongevaccineerd in de school te komen; bedreigt straf wanneer dat verbod wordt overtreden, omdat men dan eene daad pleegt die voor anderen gevaarlijk is. Ik erken dat hierin indirecte dwang ligt om tot vaccinatie te nopen, maar de Staat is bij dit verbod volkomen in zijn grondwettig regt en vervult zelfs zijn pligt.

De geachte afgevaardigde heeft nog gezegd dat over eenigen tijd de wetenschap welligt zal leeren dat vaccine niet meer het middel is om de natuurlijke pokken te voorkomen. Ik wil het niet tegenspreken; wie onzer weet wat van de toekomst; wie kan berekenen wanneer een nieuwe dageraad voor de wetenschap zal aanbreken en wat die leeren zal? Maar zeker acht ik het den pligt van den wetgever om nu die maatregelen voor te schrijven, welke naar het gevoelen der meest wetenschappelijke mannen in den tijd waarin wij leven het doeltreffendst zijn om een maatschappelijk kwaad te bestrijden; dan alleen is de wetgever verantwoord, niet wanneer hij steeds weifelend blijft uitzien naar hetgeen eene toekomstige wetenschap misschien zal leeren.

Thans nog een enkel woord, Mijnheer de President, over de gemoedsbezwaren. Mannen van de kerkelijke rigting waartoe het meerendeel, zoo niet alle adressanten behooren; mannen bekend als de corypheën dier rigting; mannen bekend als religieus en consciëntieus, als beschaafde en verlichte mannen, – zij deelen in de gemoedsbezwaren der adressanten niet. Enkelen hunner hebben zelfs ontkend dat het zouden zijn Christelijke gemoedsbezwaren; zij nemen en bevelen de vaccine bepaaldelijk aan, en nu kan ik mij het genoenen niet ontzeggen aan de Kamer voor te lezen wat de heer Saaymans Vader den 21sten October in de andere Kamer daaromtrent heeft gezegd:

“Ik begin met te verklaren dat ik ben een voorstander van de vaccine; ik heb in mijn huisselijken kring heilzame gevolgen daarvan steeds mogen ondervinden. Ik geloof zoozeer als iemand aan de almagt Gods, die naar Zijne ondoorgrondelijke wijsheid bezoekingen over de volkeren zendt, maar ik geloof ook tevens aan de liefde Gods, die kruiden doet groeijen, waardoor die krankheden worden bedwongen; en ik geloof dat het Zijne besturende hand was, die ons het middel heeft toegezonden om de natuurlijke pokken te bestrijden. Men weet toch hoe geheel zonder eenige menschelijke tusschenkomst dat middel is bekend geworden, en ik heb daaruit meermalen aanleiding getrokken om diegenen, welke gemoedsbezwaren hadden, waardoor zij hunne kinderen aan die kunstbewerking meenden te moeten onttrekken, desaangaande in te lichten.” Woorden, Mijnheer de Voorzitter, die ik wel evenzeer door het land verspreid zou wenschen als de vertoogen, adressen, brieven en ook de veelkleurige manifesten, die de adressanten onder de oogen van het publiek hebben gebragt.

Ik voor mij meen, na alles te hebben gehoord, volle vrijheid te hebben hier meer te denken aan individuele bezwaren dan aan bezwaren van een kerkgenootschap of aan eene kerkelijke belijdenis ontleend; te denken, niet aan hetgeen de vorige spreker anderen in den mond legde: dom vooroordeel, maar aan een natuurlijken en verklaarbaren tegenzin om iets van een dier in het bloed te doen overbrengen, hoewel men, nadenkende, dit toch eigenlijk elken dag doet wanneer men vleech eet. Alzoo dat wij te denken hebben aan bloote opvattingen of meeningen, waardoor, naar mijn inzien, de wetgever zich niet mag laten afbrengen van zijn pligt om die verordening, welke hij voorliet nut van de geheele maatschappij heilzaam en noodig acht, in het leven te roepen. Men denke eens na over het feit dat aan het verslag van het geneeskundig Staatstoezigt is ontleend. Bij de laatste pokkenepidemie werden in de provincie Friesland, waar eene bepaling bestond gelijk aan die welke nu in het wets-ontwerp is opgenomen, gedurende de zes maanden dat die epidemie geheerscht heeft, niet meer dan 107 personen in de geheele provincie aangetast, en in ééne gemeente van de provincie Utrecht, waar eene dergelijke bepaling niet werkte, werden op een betrekkelijk niet groote bevolking meer dan 700 personen aangetast! Nu vraag ik, wanneer het dan al geen panacee is en de vaccine niet altijd, uitsluitend en in elk geval zekerheid geeft, of de wetgever, met het oog op dergelijke omstandigheden, niet verpligt is maatregelen, welke elders zoo heilzaam hebben gewerkt, algemeen van toepassing te maken Onze wetten hebben bovendien, daar waar het behoud van den Staat of een groot algemeen belang dit vorderde, niet altijd rekening gehouden met gemoedsbezwaren, onder anderen waar het dragen van wapenen of het afleggen van den eed verpligtend is gesteld. Ook bij den veetyphus heeft men gemoedsbezwaren doen gelden. Maar het algemeen belang heeft gepraevaleerd.

Mijnheer de Voorzitter, ik eindig; wat er ook moge zijn zijn van gemoedsbezwaren bij de adressanten, ik heb ook mijne gemoedsbezwaren die daar tegenover staan. Niemand kan mij euvel duiden, dat ik mijne conscientie volg, waar het met mijne rede en mijne overtuiging overeenkomt; en nu, overtuigd als ik ben, dat de vaccine voor het menschdom eene weldaad is en dat de hier voorgestelde maatregelen in de gevolgen goed en heilzaam zullen werken, zoo zou ik voor mij zelven er eene gewetenszaak, een conscientiebezwaar van maken, indien ik, daartoe geroepen en in de gelegenheid, niet medewerkte om zulke maatregelen te helpen bevorderen. Het is daarom dat ik zal stemmen voor de wet.

 

De heer van Vollenhoven: Mijnheer de Voorzitter, toen voor eenigen tijd ons Rijk werd geteisterd door de zoo gevreesde veeziekte, waardoor aan onze landbouwers groote schade werd toegebragt, heeft men algemeen verlangd, dat van Regeringswege een wets-ontwerp zou uitgaan ter beteugeling of, zoo mogelijk voorkoming dier ziekte. Aan dat verlangen is door de Regering voldaan. Later heeft men ook te regt het verlangen geuit, om bepalingen vast te stellen om zoo veel mogelijk heerschende besmettelijke ziekten onder de menschen te weren.

Wij hebben in ons land de pokken-epidemie gehad, en wanneer er leden in deze Vergadering zijn, die van nabij hare verwoestingen in sommige gemeenten hebben gadegeslagen, dan zou het mij zeer verwonderen, wanneer de herinnering niet bij iedereen, wiens hart op de regte plaats zit, een gevoel van weemoed doet ontstaan. Men heeft toen kunnen zien, hoe velen de pokken hebben weggemaaid; hoe er ouders zijn geweest, die hun laatste kind daaraan zagen sterven. Zulke gebeurtenissen doen een koude rilling ontstaan en waarlijk het is niet vreemd, dat de Regering een wets-ontwerp heeft zamengesteld, ten einde daardoor zooveel mogelijk deze en andere besmettelijke ziekten te voorkomen, en te bestrijden met al de magt die in haar is. Op die gronden noem ik dan ook dit wets-ontwerp een der belangrijkste van deze zitting.

Ik zal er een enkel woord over spreken, om zoo mogelijk de aanneming van dit wets-ontwerp te bevorderen, Ik stel op den voorgrond dat ik alleen zal spreken over deze voordragt en mij volstrekt niet in bespiegelingen begeven over de vraag, tot welke andere wets-ontwerpen dit noodzakelijk aanleiding zal geven.

De heer Messchert van Vollenhoven heeft zich op dat gebied begeven.

Ik beoordeel echter alleen wat in dit wets-ontwerp staat en laat geheel buiten rekening wat de Regering later zal meenen te moeten voorstellen. Worden die voorstellen gedaan, dan zullen wij die aan een nader onderzoek onder-werpen. De kosten, die dit wets-ontwerp op de gemeenten legt, maken een van de bezwaren uit die men er tegen heeft aangevoerd. Men heeft dit meenen te vinden in art. 7 van de wet, dat voorschrijft dat iedere gemeente eene inrigting zal hebben om lijders aan besmettelijke ziekten op te nemen.

Nu zegt men: voor groote gemeenten is dat niets, die hebben ziekenhuizen, maar voor de kleine gemeenten is het een groot bezwaar.

Waartoe bestaan de ziekenhuizen in de grootere gemeenten? In het belang van de ingezetenen. Men tracht die zoo goed mogelijk in te rigten ten einde de lijders op de spoedigste wijze te kunnen genezen.

Bestaat datzelfde belang niet voor kleine gemeenten ? Mij dunkt even goed.

Ook aan groote gemeenten veroorzaakt het inrigten van ziekenhuizen groote kosten; de gemeente Rotterdam levert daaromtrent het bewijs, want de jaarlijksche kosten die deswege op de bcgrooting zijn uitgetrokken zijn een zeer belangrijk bedrag. Voor kleinere gemeenten nu zullen die kosten veel geringer kunnen zijn niet alleen in vergelijking tot het zielental tusschen beide, maar ook in betrekking tot aanleg en inrigting. Ook geloof ik dat door vereeniging van verschillende gemeenten dergelijke ziekenhuizen zeer goed te maken zouden zijn, die voor die gemeenten gezamenlijk dienst zouden kunnen doen. Het is in het belang van het algemeen, van de bestrijding van heerschende ziekten, dat er zulke inrigtingen zijn.

Ik herhaal: wanneer men in aanmerking neemt hoe ondoelmatig de poklijders in kleine gemeenten moesten verzorgd en verpleegd worden, hoezeer de ziekte daardoor verspreid werd, dan geloof ik dat men het algemeen belang van zulke inrigtingen niet zou durven loochenen. Art. 7 is dus een voorschrift in het algemeen belang genomen. Wat de kosten betreft wil ik nog herhalen dat, zoo groote gemeenten groote inrigtingen noodig hebben, kleine gemeenten er kleine behoeven. Het verschil in die kosten zal ongeveer evenredig zijn aan het verschil van de lastdragende kracht tusschen groote en kleine gemeenten.

Door den vorigen geachten spreker is een bezwaar omtrent art. 3 geopperd dat ik ter loops even wil bespreken. In de theorie van dit artikel wil ik mij niet verdiepen. Ik wil een voorbeeld uit de praktijk aanhalen. Ik geloof dat, wanneer er zich in een logement en nog veel eer in eene slaapstede een persoon bevindt die aan eene besmettelijke ziekte lijdende is, zoodanig logement of slaapsteê-houder zeer dankbaar zal zijn dat er een artikel in deze wet is, dat hem voorschrijft dien lijder uit zijn huis te verwijderen, want dat is in zijn belang. En ik geloof werkelijk dat ieder logementhouder en nog meer de slaapsteêhouder, deze alinea van dit artikel met groot genoegen zouden behouden. Ik geloof niet dat er zeer veel regterlijke maatregelen zullen noodig zijn, om een zoodanigen logement-of slaap-steêhouder te doen volbrengen, hetgeen in art. 3 wordt voorgeschreven.

Een enkel woord nog over art. 17 en art. 20, de vaccine-quaestie en het plaatsen van de kenteekenen aan de deuren, die ik in één betoog wensch zamen te vatten.

Mijnheer de Voorzitter, men zal met groote aandacht op de argumenten gelet hebben, bevat in het groot aantal adressen, inhoudende de verschillende gemoedsbezwaren van de personen, die uit een godsdienstig oogpunt tegen de vaccine zijn. \

Ik geloof niet, dat er een enkel lid van deze Vergadering is, die aan dit belangrijke punt zijne aandacht niet gewijd heeft, want waarlijk, Mijnheer de President, het is geen gemakkelijke taak, wanneer zoo vele personen komen met gemoedsbezwaren, om daarover heen te stappen.

Maar is het genoeg, dat er gemoedsbezwaren bestaan, om daardoor zaken van algemeen belang niet te behartigen ? Ik geloof, Mijnheer de President, dat dat eene onhoudbare theorie is, dat ieder moet opofferen van zijn bijzonder belang voor het algemeen belang, hetgeen de eerste spreker zoo te regt heeft aangevoerd. En waar de grens is? — De grens is daar, waar het algemeen belang het niet meer vordert. Het algemeen belang nu vordert, dat op de scholen geen ongevaccineerde kinderen worden toegelaten, opdat geen voedsel aan de besmetting worde gegeven, en de verspreiding daarvan zooveel mogelijk worde tegengegaan. Dat is het doel van dit artikel dezer wet. Daarmede komt deze bepaling overeen; het is dus in het algemeen belang haar te handhaven, zij het ook met groot verdriet dat men de gemoedsbezwaren niet kan eerbiedigen.

Het plaatsen van kenteekenen strookt daarmede volkomen. Men moet gewaarschuwd worden dat in een huis eene besmettelijke ziekte heerscht. Dit is wenschelijk. In Rotterdam heeft deze maatregel eerst wel weerzin veroorzaakt, maar later heeft men zich daarmede verzoend. Schoone voorbeelden van abnegatie waren het gevolg daarvan, omdat men begreep hoe wenschelijk het was gewaarschuwd te worden tegen het bezoeken van huizen waar de besmetting heerscht, en men daardoor hoopte die ziekte uit zijn eigen huis te weren. Wanneer die ziekte kwam, was men gewillig ook zelf dit kenteeken op zijn huis te plaatsen.

Ik heb daar waarlijk schoone voorbeelden van abnegatie van gezien bij verschillende personen, voor wie het waarlijk tegen hun belang was zoodanig kenteeken op hun huis te plaatsen, maar die dit toch, in het algemeen belang, zonder de minste klagten, hebben gedaan”.

Nu zegt men, “het is goed dat door overreding te trachten te verkrijgen, maar niet door dwang. De eerste geachte spreker, die dit gezegd heeft, meende ook dat het werkelijk in het algemeen belang is, de vaccinatie overal te doen plaats hebben; maar wanneer dit in het algemeen belang is, dan zeg ik, dat bij eene zoo belangrijke zaak als het tegengaan van besmettelijke ziekten onder het volk, het ook wenschelijk en goed is, dit als eene verpligting in de wet op te nemen.

Er is ook over gesproken dat er aan de burgemeesters te veel magt werd gegeven. Dit punt zal ik niet verder behandelen. Ik wil er alleen van zeggen dat ik niet geloof dat een enkel burgemeester bij Zijne Exellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken zal nebben gesolliciteerd om die magt in de wet te doen opnemen, daar het eene hoogst moeijelijke zaak zal zijn die magt behoorlijk uit te oefenen.

Zou niet de reden waarom in deze wet zooveel magt aan de burgemeesters gegeven wordt, deze zijn. dat in omstandigheden als het hier geldt, oogenblikkelijk moet gehandeld worden?

Wanneer men, zoo als de vorige geachte spreker wenschte, aan den Commissaris des Konings een zekere controle wilde toekennen over de handelingen van den burgemeester, ja zelfs de magt om die handelingen te casseren, dan zou die controle en dat casseren toch in de meeste gevallen eerst kunnen werken als het nut van de handeling voorbij was.

Ten slotte wil ik op de vraag: of mij deze wet dan zoo volmaakt toeschijnt dat ik er geen enkele schaduwzijde aan zien zou, een ontkennend antwoord geven. Ik geloof dat deze wet eene eerste proeve is op een zeer moeijelijk gebied, en in plaats van met den eersten geachten spreker te zeggen “neem de proef niet”, wil ik de Vergadering toeroepen: neem die proef wel; laat ons, al is het een gebrekkig werk, toch iets tot stand brengen om de besmettelijke ziekten te beteugelen, die ziekten waardoor zoo velen onzer landgenooten geteisterd zijn en zoo velen zijn gestorven, en waardoor zooveel intellectuele krachten verloren zijn gegaan. Laten wij doen wat mogelijk is en dus in de eerste plaats deze, zij het ook onvolmaakte proef, in werking brengen en vervolgens al onze krachten aanwenden om de uitvoering zoo goed en zoo beleidvol mogelijk te maken.

 

De heer Michiels van Kessenich: Mijnheer de Voorzitter, meermalen zijn in deze Vergadering stemmen opgegaan over het gemis van het regt van amendement, en bij deze wet doet dat gemis zich zeer sterk gevoelen, want wanneer ik de bezwaren naga, die zelfs door een voorstander van de wet zijn opgesomd en die ten minste acht van hare artikelen betroffen, dan geloof ik dat er reeds vele amendementen zouden ingediend zijn om van deze wet iets goeds te maken Het antwoord van den Minister op ons Verslag heeft op mij een treurigen indruk gemaakt, want het komt mij voor dat het de strekking heeft om degenen, die bezwaren hebben. te paaijen. Die strekking is: “Wees gerust, het zal goed gaan, wij zullen maatregelen tot verzachting voorschrijven, de uitvoering zal met het meest mogelijke beleid plaats hebben”.

De welwillendheid van den Minister is bekend en ik geloof dat hij wel genoegzame voorschriften zal geven; doch er worden altijd lieden gevonden die à cheval zijn sur la lettre de la loi. Daar is dan niets tegen te doen, want de wet is daar. Vreemd is mij ook het antwoord van den Minister op art. 30 voorgekomen: “Wanneer het mogt blijken, dat de kinderen niet door de ouders of voogden ter schole zijn gezonden” (dit slaat, als ik het wèl heb, op art. 14), ) “zal de regter waarschijnlijk geen grond vinden om te straffen.” Doch hoe zal de regter dit kunnen nalaten, daar hij in de wet eene stellige bepaling vindt, dat hij de straf moet appliceren? Duidelijk staat toch in de strafbepalingen van art. 30: “Met eene boete van f 5 tot f 25 en met gevangenis van één tot drie dagen, te zamen of afzonderlijk, wordt gestraft: 1°. enz., 2o. Wegens het in de school zenden van kinderen in de gevallen voorzien bij de artt. 14 en 17, zijn de ouders of voogden dier kinderen strafbaar.” Wat wil nu de regter anders doen, dan de ouders of voogden dier kinderen straffen, wanneer deze ter schole zijn gezonden zonder de vaccinatie te hebben ondergaan ?

Over de vaccinatie heb ik dezen morgen veel gehoord. Ik ben ook (dit begin ik met te zeggen) vóór de vaccinatie en geloof dat zij eigenlijk het beste middel is om de pokziekte tegen te gaan.

De vorige geachte spreker heeft ons gemoed geroerd door de herinnering aan de verwoestingen die de pokken kort geleden hebben aangerigt. Maar ik vraag: waarom is de Regering al niet sedert lang — want ik wij t het niet alleen aan dit Ministerie, ook niet aan het vorige — bedacht geweest op een middel, dat reeds voor 30 of 40 jaren met vrucht is aangewend ? Ik bedoel het schenken van medailles aan de geneesheeren, die de meeste vaccinatien deden. Ik herinner mij dat die maatregel in der tijd goed gewerkt heeft en dat men, althans in mijne provincie, met de vaccinatie is voortgegaan. Maar langzamerhand zijn de geneeskundigen verflaauwd in hun ijver; zij vaccineerden niet anders dan wanneer zij geroepen werden en daardoor werd de pokziekte bevorderd, zoodat er om eene wet daartegen verzocht werd.

De eerste geachte spreker heeft doen uitkomen dat de uitvoering dezer wet zeer moeijelijk zal zijn, en dit ben ik met hem eens, en evenzeer dat die wet niet zoo bezwarend zal zijn voor de groote gemeenten als voor die ten platten lande. Deze laatsten zullen zeer gedrukt worden in hare finantien door de inrigting van localen voor lijders en anderzins. Daartegen heb ik dan ook een zeer groot bezwaar.

Men zegt: deze wet is eene proeve en dit wordt ook door den Minister erkend. Maar waarom dan niet aan het slot der wet bepaald dat zij over twee jaren herzien zal worden? Dan had ik over veel bezwaren kunnen heenstappen, maar toch nimmer over hetgeen te zeer ingrijpt in de gemeentelijke finantien.

Het is, zegt men, in het algemeen belang dat deze wet in het leven wordt geroepen. Welnu, als het in het algemeen belang is, dan moet ook de Staat de kosten dragen.

 

De heer Hengst: Het was mijn voornemen niet bij deze gelegenheid het woord te voeren, maar na de rede van den geachten afgevaardigde uit Zuidholland, den heer van Vollenhoven, acht ik mij verpligt een enkel woord in het midden te brengen.

De zorg voor de publieke gezondheid, bij de organieke wet aan de gemeentebesturen opgedragen, wordt door de bepalingen van dit wets-ontwerp zoo niet geheel dan toch voor een groot deel overgebragt op den Staat. Wanneer ik dit beginsel aanneem en volledig wil toepassen, dan zou men om consequent te handelen de kosten, die deze maatregelen zullen veroorzaken, niet op de gemeenten maar op den Staat moeten overdragen.

Aanvankelijk was ik genegen over vele bezwaren heen te stappen, omdat ik van meening ben dat eenige algemeene voorschriften ter voorziening tegen besmettelijke ziekten wenschelijk zijn, maar ik geloof dat men in deze de bezorgdheid te ver heeft opgevoerd, en bij de toepassing vele bezwaren zich zullen voordoen.

Bij dit wets-ontwerp wordt eene groote bevoegdheid gegeven aan het hoofd van het plaatselijk bestuur. De geachte afgevaardigde uit Zuidholland zegt: ik geloof niet dat een enkel burgemeester zoodanige bevoegdheid zal ver-langen. Omtrent dit punt ben ik het geheel met hem eens. Maar er wordt hier eene bevoegdheid, laat ik liever zeg-gen eene verantwoordelijkheid opgelegd, zoodat het wen-schelijker zou zijn eene verpligting tot handelen, overeen-komstig het advies van de geneeskundigen, in deze wet op te nemen. Dan zou men conflicten hebben vermeden en zou zijne verantwoordelijkheid tegenover het publiek en tegenover belanghebbenden gedekt zijn. De Minister zal mij moeten toegeven dat de positie van een burgemeester onder deze omstandigheden niet bijzonder aangenaam is, want tegenover de geneeskundigen en tegenover zijne medeburgers wordt hij bij de uitvoering van vele bepalingen dezer wet in groote moeijelijkheden gebragt, die men kon vermeden hebben zonder eenig nadeel toe te brengen.

Deze wet heeft dan ook op mij den indruk gemaakt als of zij alleen gemaakt ware met het oog op enkele groote gemeenten; en ik meen ook dat de geachte spreker uit Rotterdam bij zijne beoordeeling van dit wets-ontwerp te zeer den bestaanden toestand van de plaats zijner inwoning heeft in aanmerking genomen.

Als ik dit in het algemeen zeg kan ik mij vereenigen met de bezwaren tegen de artt. 7 en 12, door den eersten spreker van heden en die mij vooraf ging ontwikkeld. Art. 7 geeft aan Gedeputeerde Staten de magt en de bevoegdheid om op kosten der gemeente te doen inrigten eene gelegenheid tot afzondering en verpleging van lijders aan besmettelijke ziekten. Die zorg gaat vooral voor minder groote gemeenten te ver, en hij zal groote lasten en kosten veroorzaken. Welke zullen daarvan de gevolgen zijn? Dezen stap acht ik een eersten op den weg van Staats-armenverzorging; want het beginsel der armenwet, waarbij die zorg is opgedragen aan de bijzondere en kerkelijke liefdadigheid, zal langs dezen weg voor een deel vervallen. Immers, wat zullen afzondering en verpleging in de meeste gemeenten anders zijn dan geheele verzorging van gemeente wege?

Mijn bezwaar tegen de toepassing ligt ook in art. 12. Volgens die bepaling zal bij verzuim door den Commissaris des Konings in de provincie waar het eene algemeene begraafplaats betreft, of door burgemeester en wethouders waar het eene bijzondere begraafplaats geldt, een locaal worden ingerigt voor tijdelijke bewaring van overledenen aan eene besmettelijke ziekte. Die bepaling bevat te weinig of te veel.

Te weinig, omdat noch bij de wet op de begraafplaatsen noch in dit artikel voorgeschreven is op welken afstand van gebouwen een lijkenhuis mag worden opgerigt. De uitdrukking “bij elke begraafplaats” is onvoldoende, en ten bewijze durf ik mij beroepen op het gevoelen van die medeleden, welke den toestand der begraafplaatsen in kleine gemeenten kennen.

Te veel, want de bedoelde uitdrukking is te vaag. Immers, behoort bij elke begraafplaats zoodanig lijkenhuis te worden opgerigt, dan zal men ook bij grafkelders en bijzondere begraafplaatsen een locaal moeten daarstellen voor het bergen van een of meer lijken.

Ik geloof niet dat het de bedoeling is in deze zoo ver te gaan, maar volgens de letter is naar mijne meening daaraan geen twijfel. Ik meen alsnu de vraag aan Zijne Excellentie den Minister te moeten rigten, of het voornemen bestaat bij elke bijzondere begraafplaats, alleen bestemd voor lijken van een of enkele gezinnen, een locaal te doen oprigten?

Eene tweede vraag aan Zijne Excellentie. Wanneer de algemeene begraafplaats naast de bijzondere gelegen is zal, naar mijn oordeel, volgens de uitdrukkelijke bepaling van dit artikel, op elk dier begraafplaatsen een lijkenhuis moeten worden opgerigt, althans volgens de letter van de wet, ofschoon ik niet geloof dat het in de bedoeling ligt. Zal het nu, wanneer de begraafplaatsen zoodanig zijn gelegen, niet voldoende geacht worden wanneer één lijkenhuis wordt opgerigt?

Met dit weinige zal ik eindigen. Wanneer de Minister de bezwaren voor mij niet mogt wegnemen zal ik mij, hoe ongaarne ook, verpligt vinden tegen deze wet te stemmen. Ik verlang niet eene proef te nemen die misschien minder gunstige gevolgen zal hebben.

 

De heer de Vos van Steenwijk: De Vergadering zal zeker verlangen dat ik kort zal zijn; ik zal aan dat verlangen voldoen.

Na de belangrijke redevoeringen die wij dezen morgen gehoord hebben, zal ik niet in bijzonderheden omtrent deze wet treden; maar ik moet bekennen dat die wet mij niet bevalt, ofschoon, mijns inziens, de bezwaren die daartegen zijn ingebragt te breed zijn uitgemeten. Ik vrees niet magtsoverschrijding door hoofden van plaatselijke besturen. Mij dunkt, dat de publieke opinie daartegen een waarborg is, terwijl tegen opdrijving van kosten voor de gemeenten, de gemeenteraad een waarborg oplevert Buitendien geloof ik ook dat, zoo het waar moge zijn dat er accommodements avec la conscience zijn, er ook accommodements avec la loi zullen te vinden zijn. Ik zie dit hier en daar wel eens gebeuren. Omdat ik mij voorstel dat het zou kunnen gebeuren dat dit wets-ontwerp door deze Kamer, hoezeer tegen mijn verlangen, wierd aangenomen en de Minister in dat geval geen gehoor gaf aan den raad van den geachten spreker uit Noordholland om aan Zijne Majesteit voor te stellen zijne bekrachtiging daaraan te onthouden, wensch ik mede te werken tot regt verstand der wet en tot voorkoming van moeijelijkheden bij de uitvoering. Bij het afdeelingsonderzoek gaf art. 11 mij aanleiding eene vraag te doen; ik geloof dat ik mij bij die gelegenheid niet duidelijk heb uitgedrukt, althans ik vind die vraag in het Verslag niet opgenomen zoo als ik haar bedoeld heb. Ik lees in art 11: “overledenen aan aziatische cholera, typhus of febris typhoïdea, pokken, roodvonk of dyphteritis mogen niet worden vervoerd naar andere dan voor de ingezetenen der gemeenten gebruikelijke algemeene of’ bijzondere begraafplaats.”

Het ligt voor de hand dat wanneer men zich rekenschap geeft van de toepassing eener wet, men zich de localiteiten voor den geest brengt, waarmede men bekend is. Nu ken ik eene gemeente die in het bezit is van eene algemeene begraafplaats, van eene begraafplaats voor Katholijken en van eene begraafplaats voor Israëliten, welke laatste buiten de gemeente gelegen is.

Nu zal men ongetwijfeld, bij toepassing dezer wet, zeggen, dat ook de laatste begraafplaats gebruikelijk is voor de ingezetenen. Dus daaromtrent geen bezwaar. Maar sommige ingezetenen dier gemeenten maken ook gebruik van eene andere begraafplaats, in eene andere gemeente gelegen. Ik weet niet juist den omvang van dat gebruik, maar hot bestaat. Zal nu zoodanige begraafplaats ook als de “gebruikelijke” voor de gemeente worden beschouwd ? Dit is mij niet genoegzaam duidelijk.

Deze vraag had ik gewenscht in het Verslag te zien opgenomen, doch ik heb daarin eene andere gevonden, dan ik bedoeld had, en waarop de Minister geantwoord heeft.

Dit geeft mij nu aanleiding den Minister deze twee vragen te doen:

1°. om bij de toepassing van art. 11 eene ruime uitlegging te doen geven aan het woord “gebruikelijk”;

2°. of bij het antwoord op de vraag in het Verslag omtrent art. 11 niet eene te ruime uitlegging is gegeven aan genoemd artikel.

Ik acht die uitlegging te ruim. De bedoeling van art. 11 is om te voorkomen, dat het lijk van een overledene aan eene der genoemde besmettelijke ziekten door verschillende gemeenten worde vervoerd en aldus tot het overbrengen van besmettelijke ziekten aanleiding geve.

Blijkens ’s Ministers antwoord zou het vrij staan om bij voorbeeld het lijk van iemand die in den Haag mogt overleden zijn aan eene besmettelijke ziekte, te brengen naar enne begraafplaats in Gelderland, Friesland of elders, mits de begraafplaats zij op eigen goederen. Mijn inziens kan dat al of niet aanwezig zijn van eene begraafplaats op eigen goederen geenszins het criterium zijn, om het vervoer al dan niet toe te staan.

Het zal mij aangenaam zijn, hieromtrent ’s Ministers gevoelen te vernemen.

 

De heer Swinderen: Mijnheer de Voorzitter, in aanmerking nemende het vergevorderde uur, stel ik voor nu de Vergadering te sluiten en die heden avond voort te zetten.

 

De heer Duymaer van Twist: Wanneer dit onderwerp thans niet afgehandeld kan worden zou ik zeer voor het voorstel van den heer van Swinderen zijn. Ik meen echter dat wij nog wel ongeveer een uur met onze beraadslagingen kunnen voortgaan. Loopen ze dan niet af, dan eerst zou ik voorstellen die heden avond voort te zetten.

 

De Voorzitter: Er is dus voorgesteld de beraadslagingen voort te zetten. Ik stel de Vergadering voor om dienovereenkomstig te besluiten.

 

Dienovereenkomstig wordt besloten.

 

De heer Schot: Ik verkeer in denzelfden toestand als de voorlaatste spreker. Ik was ook niet van meening een woord over dit ontwerp in het midden te brengen; ik werd er echter als het ware toe gedrongen. Het komt mij voor dat het zwaartepunt van hen, die hunne goedkeurende stem niet aan dit wets-ontwerp zullen kunnen geven, vooral gelegen is in de finantiele bezwaren, die op de gemeenten zullen drukken na aanneming van het wets-ontwerp.

Het algemeen beginsel in ons Verslag voorkomende, dat daar waar het voordeel is ook de lasten moeten zijn, beaam ik ten volle, maar ik zie in de toepassing daarvan in casu groote bezwaren.

Wij vernamen dat de Staat zou moeten voorzien in alle behoeften, die ontstaan ten gevolge van het bestaan van besmettelijke ziekten. Een voornaam bezwaar bestaat zeker in de inrigting van een gebouw, waarin de lijders kunnen worden opgenomen. Dat in kleine gemeenten zoodanige inrigtingen niet van grooten omvang zullen behoeven te zijn, spreekt wel van zelf; de kosten zullen dus ook niet bijzonder groot zijn. Ik vertrouw ook dat het de bedoeling van de Regering zal zijn om niet iedereen in die gebouwen te doen overbrengen, die aan eene besmettelijke ziekte lijdt, maar slechts hen, wier huisselijke omstandigheden het niet toelaten de lijders naar behooren te huisvesten en te verplegen, zonder gevaar voor hunne huisgenooten. Daaruit zal volgen dat, al bleven die lijders in hunne huizen, zij toch gedeeltelijk zouden moeten worden verpleegd, zoo door het verleenen van geneeskundige hulp, als van geneesmiddelen voor rekening van de burgerlijke of van de kerkelijke gemeente waartoe zij behooren. Of zij nu te huis of in eene door de wet voorgeschrevene inrigting verpleegd worden, het zal ten opzigte van de kosten, wat betreft verpleging, geneeskundige hulp en geneesmiddelen, geen groot verschil opleveren, en daarom is het juist, Mijnheer de Voorzitter, dat ik het woord gevraagd heb, om te doen uitkomen, dat de groote flnantiele bezwaren meer hersenschimmig zullen zijn, dan later wel zal blijken dat zij inderdaad zullen wezen.

 

De heer Cremers: Mijnheer de Voorzitter, ik hoop de les en het voorbeeld op te volgen van kortheid, mij door den geachten vorigen spreker uit Overijssel gegeven. Dit kan mij evenwel niet weerhouden de overwegingen mede te deelen, die mij voor alsnog beletten voor de wet te stemmen. Zij zijn tweeërlei: een van algemeenen, en een van meer bijzonderen aard. Die van meer algemeenen aard, het wets-ontwerp in het algemeen betreffende, zoude ik op deze wijze willen voordragen:

Voorzigtigheid is in alle zaken raadzaam, voorzigtigheid redeneert, beziet alle zijden, en werkt met bedaardheid; — zij moet niet overgaan in vrees.

Vrees, niet alzoo, vrees weet niet, redeneert niet, vrees gaat onbedacht zonder omzigtigheid. Mijnheer de President, mijns inziens is dit wets-ontwerp grootendeels een kind van de vrees. Wij hebben hier in het algemeen twee soorten van belangen, het eene van spirituelen, het andere van materielen, van ligchamelijken aard.

Ik meen er is een tijd geweest, waarin meer gehecht werd aan belangen van spirituelen aard. Wat geschiedde?

Gevaren werden voorgespiegeld, bezwaren werden breed uitgemeten. Wat kwam er nu verder bij? Er stonden op, die zeiden: ik zal u van al die gevaren ontheffen, en de menigte volgde blindelings, alleen uit vrees, zonder te overwegen of die gevaren zoo groot waren en of het hulpmiddel wel krachtig was. De gevolgen zijn daarvan nadeelig geweest.

Die vrees voor spirituele gevaren hoeft opgehouden, is eenigzins geweken. Maar zoo lang de mensch een ligchaam bezit, zal de vrees voor materiele gevaren wel blijven.

Die vrees nu is de hoofdoorzaak van de bepalingen, die mij in dit wets-ontwerp mishagen. Ik geloof dat de ziekten en de gevolgen daarvan, ook in deze Vergadering te zwart zijn afgeschilderd. Mij heeft die schildering koel gelaten Ook in dat opzigt zijn beloften gedaan. Men heeft gesproken als of men bij de wet alle besmettelijke ziekten zou doen ophouden, althans in haar loop stuiten. Ik geloof dat integendeel eene wet, door hare overdrijving, eer de besmetting in de hand zal werken, en ik zie in deze wet vele overdrijving. Ik begrijp niet hoe men er toe komen kan om den burgemeester, die toch altijd eenigzins is de uitvoerende magt in de gemeente, zulk eene uitgebreide beschikking te geven over de fondsen der gemeente. Het was alweder de vrees. Men dacht dat indien eerst de gemeenteraad zou moeten beslissen, het goede oogenblik van handelen voorbij zou kunnen zijn.

Ik zie het tweede gedeelte van art. 1, waarbij wordt bepaald dat bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur deze wet, met al haren omvang, ook op andere ziekten door het geheele Rijk van toepassing zal kunnen worden verklaard. De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft daaromtrent gezegd, dat dit niet zal geschieden dan in gevallen van uitdrukkelijke noodzakelijkheid. Mijnheer de Voorzitter, ik kan hier op dit oogenblik, zoo als dit zoo dikwijls gedaan wordt, den Minister het compliment niet maken: “dezen Minister vertrouw ik wel; maar wie zal zijn opvolger zijn? Voor dien opvolger kan deze Minister niet instaan”.

Neen, Mijnheer de Voorzitter, die uitgebreide magt wil ik ook liever aan dezen Minister niet toestaan. Deze wet is voor mij te zeer ingrijpend in onzen geheelen toestand. Ik lees in art. 8: “Het is verboden voorwerpen, die in aanraking waren met lijders of overleden aan eene besmettelijke ziekte of daarvan afkomstig, te vervoeren, te doen vervoeren, ten geschenke of in gebruik te geven of te doen geven, te nemen of te doen nemen, tenzij na ontsmetting.”

Ik begrijp dit voor voorwerpen, die in aanraking zijn geweest met lijders of overledenen aan eene besmettelijke ziekte; die voorwerpen zouden besmetting kunnen verspreiden, en zij mogen dus niet in gebruik of ten geschenke worden gegeven. Maar nu komt er overmaat van vrees bij, dat een of ander voorwerp soms mogt ontsnappen, en men voegt bij de voorwerpen, die met de lijders in aanraking zijn geweest, de voorwerpen die er van afkomstig zijn. Ja, voor de kleederen, voor het linnengoed, dat een lijder aan het lijf heeft gehad, daarmede moet natuurlijk voorzigtig worden gehandeld, maar diezelfde maatregelen, die daarvoor moeten gelden, te willen toepassen op alle voorwerpen die van hem afkomstig zijn, ook op die, welke hij misschien in geen drie maanden heeft aangeraakt, dat is mijns inziens niet redelijk.

Ik wijs op art. 26, volgens hetwelk de burgemeester, aan wien tegenover den gemeenteraad naar het mij voorkomt eene veel te groote magt bij deze wet zal gegeven worden, verpligt zal zijn van al hetgeen door hem krachtens deze wet is verrigt, onmiddellijk berigt to geven aan den geneeskundigen ambtenaar.

Wanneer ik nu naga wat de burgemeester alzoo zal moeten doen: hier een zieke laten wegbrengen, daar een lijkenhuis oprigten, ginds een slaapsteê doen sluiten — en hij moet van dat alles onmiddellijk berigt geven aan den geneeskundigen ambtenaar, dan wordt die burgemeester, zoo magtig tegenover den gemeenteraad, al in eene zeer ondergeschikte rol geplaatst tegenover het geneeskundig Staatstoezigt, dat aan hem ondergeschikt moet blijver.. Ik mag het woord niet bezigen dat, volgens mij, deze wet zou karakteriseren, ik zou er anderen door hinderen.

Ik mag echter wel zeggen, dat zij mij verderfelijk toeschijnt.

Ik erken evenwel, dat wanneer deze wet er toe zou kunnen leiden om hen, die thans vreesachtig zijn, gerustheid te schenken, dit wel een voordeel is dat in aanmerking dient genomen te worden. Maar ik heb een tweede bezwaar van geheel bijzonderen aard; het betreft art. 17.

De ongevaccineerde kinderen mogen volgens art. 17 op geene scholen worden toegelaten. Als hier alleen gesproken werd van openbare scholen, zou ik er niet alleen niets tegen hebben, maar de bepaling zelfs goedkeuren; de kinderpokken zijn eene te gevaarlijke ziekte en ik ben te zeer overtuigd dat de vaccinatie zeer nuttig is om die ziekte tegen te gaan, dan dat ik niet begrijpen zou, dat het gemeentebestuur ongevaccineerde kinderen wenscht te weren van de scholen, die het volgens de wet voor allen moet openstellen. Maar dat op bijzondere scholen, waar ouders hunne ongevaccineerde kinderen onderwijs wenschen te doen geven, die kinderen niet zouden mogen opgenomen worden, hindert mij. De vaccine is eene zeer nuttige zaak, maar vooroordeelen bestaan daartegen en zoolang zij bestaan moet er rekening mede gehouden worden; vooroordeelen zijn het evenwel, schadelijke vooroordeelen. Ik geloof, dat zij van zelf zouden verdwijnen, wanneer er eenigen tijd wierd gegeven en wanneer de woorden, die in de Tweede Kamer door godsdienstige lieden gesproken zijn, meer algemeen door het geheele land bekend wierden. Mij dunkt dat er dan betere kans zou zijn dat de vaccinatie wierd aangenomen, dan wanneer er dwang wordt aangewend, die dikwijls het vooroordeel nog versterkt. Ik ga niet zoo ver van te beweren, dat dwang niet mag worden opgelegd. Als er algemeen gevaar dreigt moet de wet in staat zijn gemoedsbezwaren te dwingen. Er zijn menschen, die uit godsdienstige bezwaren meenen de wapenen niet te mogen dragen; doch het is niet alleen het regt, maar de pligt van de wet, hen die weigerachtig zijn het vaderland te verdedigen, te dwingen dien pligt te vervullen. Ik geloof dat de kinderpokken zoo gevaarlijk zijn, dat de Staat te dien opzigte veel moet doen, en indien bij de wet was voorgesteld dat ieder zou gehouden wezen zijne kinderen te doen inenten en bij verzuim met geldboete, welligt met gevangenis, zou gestraft worden, geloof ik dat ik daarvoor zou hebben kunnen stemmen. Maar dat is iets anders. Men zal mij misschien tegenwerpen: “zie het voorbeeld van Engeland; daar wordt de vaccinatie geboden en het verzuim is er strafbaar, en toch geschiedt de vaccine niet veelvuldig genoeg; dat middel helpt niet en er moet dus een ander zijn”. Ik ben niet van meening, dat, omdat het eene middel niet deugt, het andere, dat voorgesteld wordt, altijd goed en wettig is. Dit middel helpt niet, ergo moeten wij het andere aangrepen”, is eene conclusie die bij mij niet opgaat. Er is eene leer, dat het doel elk middel heiligt. Het is eene verkeerde leer, Mijnheer de Voorzitter; maar ik heb dikwijls opgemerkt, dat zij, die die leer sterk in anderen afkeuren, zich, wanneer hun lievelingsdenkbeeld bovendrijft, aan diezelfde leer schuldig maken. Ik heb het dikwijls waargenomen en weet niet of het hier ook niet werkt.

Ik zou de strafbepaling tegen overtreding van het gebod van vaccinatie kunnen goedkeuren. Dan zou ik stellen den vader tusschen zijn gemoedsbezwaar en eene geldboete of gevangenisstraf. Maar hier zou ik hem plaatsen tusschen zijn gemoedsbezwaar tegen de vaccine en een ander gemoedsbezwaar, namelijk den pligt dien de godsdienst, het gezond verstand en ook de wet, zij het niet door schoolpligtigheid, hem opleggen om zijne kinderen te doen onderwijzen. Dit mag ik niet doen. De wet behoeft niet alle gemoedsbezwaren te eerbiedigen en ik wil in dit opzigt zoo ver gaan als iemand. Maar hier geldt het gezegde: waar de conscientie begint, daar eindigt de wet, en deze, wet schendt altijd de conscientie. Zonder dwang zou, geloof ik, het vooroordeel eerder verdwijnen. Wij zijn op dit oogenblik op een zeer goeden weg na hetgeen in de Tweede Kamer is gesproken. Ik zou evenwel eene strafbepaling kunnen goedkeuren, maar — de gemoedsbezwaren mogen dikwerf door anderen bespot worden — mijn gemoedsbezwaar om voor deze wet te stemmen kan ik niet overwinnen.

 

De heer Geertsema, Minister van Binnenlandsche Zaken: Mijnheer de Voorzitter, het valt niet te ontkennen dat het wets-ontwerp thans aan uwe beraadslagingen onderworpen, onder zekere omstandigheden iet of wat de persoonlijke vrijheid der ingezetenen belemmert. Beperking van de individuele vrijheid, in welke geringe mate dan ook, pleegt in ons vaderland zeer zelden met ingenomenheid te worden ontvangen. Desniettemin is deze wetsvoordragt door de publieke opinie in den lande — ik spreek nu niet van de quaestie der vaccine — gunstig ontvangen, en het waren slechts 14 leden in de Tweede Kamer, die hunne stem daartegen hebben uitgebragt. Dit verschijnsel is, naar het mij voorkomt, te verklaren uit de ondervinding die gedurende de laatste jaren bij het heerschen van epidemien is opgedaan. Hoe men ook moge denken over de werking der wetten op het geneeskundig Staatstoezigt en welke bezwaren men ook volgens den geachten afgevaardigde uit Noordholland van de kracht en de pressie van dat toezigt moge vreezen, zeker is dat door dat Staatstoezigt omstandigheden en feiten aan den dag zijn gebragt die vroeger ten eenen male aan de aandacht zijn ontsnapt. Door de uitvoerige en met zorg bewerkte verslagen, over het geneeskundig Staatstoezigt uitgebragt, heeft men vrij algemeen de overtuiging bekomen dat door spoedige en doelmatige repressive maatregelen in zeer vele gevallen de verspreiding van de besmetting onmiddellijk bij den aanvang van de ziekte had kunnen worden tegengegaan. Men heeft tevens ingezien dat bij het uitbreken van epidemische ziekten de vraag of gansch Nederland al dan niet zal worden bevrijd van eene vreesselijke kwaal, die den dood van duizenden ten gevolge kan hebben, dikwijls afhankelijk is van de meer of mindere kracht en doelmatigheid, waarmede in deze of gene gemeente wordt gehandeld. Men heeft leeren inzien dat het nemen van maatregelen tot bescherming van de volksgezondheid, vooral waar het geldt de beteugeling van besmettelijke ziekten, niet is een locaal maar een algemeen belang. Het is mij uit het Voorloopig Verslag gebleken dat ook deze Kamer op dien grond gunstig voor de algemeene strekking van het wets-ontwerp zou gestemd zijn, maar dat nog enkele bezwaren bestaan die hun oorsprong te danken hebben aan den twijfel of de Regering, nadat vroeger de Rijkswetgever de zorg voor de volksgezondheid ten eenen male had overgelaten aan de gemeentebesturen, nu niet door alles aan zich te trekken in een uiterste was vervallen, of de personele vrijheid nu niet te veel was belemmerd, of niet een te sterke greep was gedaan in de autonomie der gemeenten en of de finantiele belangen der gemeenten niet te veel zijn over het hoofd gezien.

Naar aanleiding daarvan stel ik in de eerste plaats de vraag: Is het doel dat men zich voorstelt, met minder belemmering van de personele vrijheid, door mildere voorschriften te bereiken? De verpligtingen waardoor onze persoonlijke vrijheid en de vrije beschikking over onze eigendommen worden beperkt, komen hierop neder. Indien men het ongeluk heeft ziek te worden in eene slaapstede of logement, zal men zich moeten laten overbrengen naar een ziekenhuis of naar een ander huis; de houder van het logement zal de goederen en voorwerpen, die met den patient in aanraking zijn geweest en de localen waarin deze zich bevonden heeft, moeten ontsmetten of doen ontsmetten; wanneer men het ongeluk heeft te lijden aan eene besmettelijke ziekte, is het verboden zich naar eene andere plaats te begeven; zich te laten vervoeren met voertuigen voor de openbare dienst bestemd; doet men dat met een ander rijtuig, het zal moeten worden ontsmet: hebben wij door te weinig zorg en overleg onze mestvaalten of andere verzamelingen van vuile stoffen zóó ingerigt, dat zij voor ons of onze buren nadeel of gevaar kunnen te weeg brengen, wij zullen verpligt zijn te gedoogen dat: ze worden opgeruimd of door ontsmetting onschadelijk gemaakt; als iemand van ons gezin aan eene besmettelijke ziekte overlijdt, moeten wij gedoogen, dat onder zekere omstandigheden, door den burgemeester to beoordeelen, het lijk onverwijld worde vervoerd naar het lijkeuhuis; de voertuigen waarmede de lijken worden vervoerd, mogen niet zijn rijtuigen bestemd voor het gebruik van anderen; zij, die zich bevinden in een gezin waarin eene besmettelijke ziekte heerscht, zullen de scholen niet mogen bezoeken; men is verpligt binnen 24 uren aan den burgemeester kennis te geven dat zich eene besmettelijke ziekte in onze woning heeft geopenbaard, terwijl men in dit geval een zigtbaar kenmerk aan die woning moet stellen, opdat ieder kunne beoordeelen of hij, met het oog op den aard der ziekte, ons al dan niet zal verkiezen te bezoeken; ter uitvoering der wettelijke voorschriften betreffende de ontsmetting van voorwerpen of het vervoer van een patient uit eene slaapstede of een logement, zal men den burgemeester en de door hem aangewezen persoon bij zich aan huis moeten ontvangen, immers indien men onwillig is aan het gebod van den burgemeester te gehoorzamen; van zonsopgang tot zonsondergang zal men toegang moeten verleenen aan de ambtenaren belast met het geneeskundig Staatstoezigt; en eindelijk, in de gemeenten waar zich eene besmettelijke ziekte voordoet, zal men het genoegen moeten missen om kermis te houden.

Ziedaar, Mijnheer de Voorzitter, alle de verpligtingen, die door deze wet op ons zullen worden gelegd, waardoor wij zullen worden verkort in onze vrijheid en de vrije beschikking over ons eigendom. Ligt daarin geen grond om te beweren dat deze eerste stap op een tot nu toe onbetreden weg is een zeer bescheiden, zeer bedeesde stap? Zouden wij ons niet gaarne meer belemmering willen getroosten tot behoud van het leven en de gezondheid van zoo velen onzer natuurgenooten? Mogen wij, datgene wat wij in ’t algemeen belang bereid zijn te doen, ook niet van anderen vergen? In de tweede plaats de autonomie der gemeenten. Men beweert dat bij dit wets-ontwerp zou zijn gedaan een al te stoute greep in die autonomie. Ook in de andere Kamer heeft men dit bezwaar sterk doen gelden; te regt is echter toen van andere zijden opgemerkt dat daaromtrent misverstand heerscht. De taak der gemeentebesturen is — zoo beweerde men — altijd beperkt tot de eigenaardige taak, die aan de gemeente moet en kan worden overgelaten. Hier betreft het niet een gemeentebelang maar een algemeen belang, en op dat gebied kan geen sprake zijn van autonomie der gemeente. De Rijkswetgever zal nu voorschriften geven in het algemeen belang, en daarvan draagt hij de uitvoering op aan den burgemeester. Men houde voorts wel in het oog, dat niet de geheele zorg voor de publieke gezondheid aan de gemeentebesturen wordt onttrokken, maar slechts die enkele onderwerpen, waarvan ik de eer had den korten inhoud zoo even voor te dragen. Ten allen overvloede, om alle onzekerheid weg te nemen, is in art. 29 voorgeschreven dat de provinciale en gemeentebesturen de bevoegdheid behouden tot het vaststellen van reglementen of verordeningen tot voorkoming, wering of beteugeling van besmettelijke ziekten, voor zoo ver zij niet in strijd zijn met de bepalingen dezer wet.

Ontegenzeggelijk is het waar, Mijnheer de President, dat door de uitvoering van de voorschriften in dit wets-ontwerp opgenomen, de gemeentebesturen zullen worden belast met enkele kosten; dat ten gevolge van de ruimte in de toepassing, die noodwendig uit den aard van het onderwerp aan den burgemeester moest worden gelaten, die burgemeester tot zekere mate de dispositie over de kas der gemeente zal hebben. Maar hierbij veroorlove men mij de opmerking dat men dit bezwaar, inhaerent aan de voordragt zoo als zij daar ligt, niet te sterk moet doen gelden. Ook in andere zaken moet de burgemeester, als uitvoerder van de voorschriften eener wet, nu en dan kosten maken en beschikt hij over de gelden, die krachtens de wet op de gemeentebegrooting worden gebragt. Wat nu den omvang en het bedrag der kosten betreft, die uit dit wets-ontwerp voor de gemeentebesturen zullen voortvloeien, kosten die door sommigen worden beschouwd als een onoverkomelijk bezwaar tegen de aanneming van het ontwerp, ze bepalen zich, voor zoo verre ze door den burgemeester zouden worden besteed, tot de kosten van ontsmetting der woningen, de kosten van opruiming of desinfectie van mestvaalten, schoonmaken van goten, riolen en slooten en het vervoer van behoeftige lijders. Daarbij komen dan de kosten van lijkenhuizen en van eene inrigting tot afzondering van besmettelijke zieken, wanneer Gedeputeerde Staten dat bevelen. Deze laatste uitgaven geschieden in eens en zijn, althans wat den omvang daarvan betreft, in handen van den gemeenteraad, die de wijze van inrigting dier localen bepaalt. Toch worden ze door sommigen boschouwd als bezwarend en beweert men dat ze, als in het algemeen belang aangewend, zouden moeten komen ten laste van ’s Rijks kas. De voorstelling komt mij voor niet vrij te zijn van overdrijving en in ieder geval minder juist. Immers, ofschoon de rijkswetgever vermeent zich deze zaak in het algemeen belang te moeten aantrekken, blijft het niettemin waar, dat die kosten in de allereerste plaats zijn in het belang van en ten goede komen aan de gemeenten. Men heeft in deze discussie de kleine gemeenten tegenover de groote gesteld en doen uitkomen dat men heeft beweerd, dat lijkenhuizen en ziekenhuizen in de groote gemeenten reeds aanwezig zijn en die gemeenten al zoo door dit wets-ontwerp met weinig nieuwe kosten worden belast. De kleine gemeenten, zoo beweert men verder, die niet armoedig zijn in dien zin dat zij dadelijke ondersteuning van het Rijk behoeven, maar toch niet over ruime inkomsten te beschikken hebben, worden zwaar gedrukt. Mij dunkt, Mijnheer de Voorzitter, als de becijfering eens juist zou kunnen gemaakt worden, ’t zou blijken, dat de groote gemeenten meer te haren laste krijgen, dan de kleine. Juist die kleine gemeenten zullen met zeer kleine kosten in datgene wat het wets-ontwerp eischt kunnen voorzien. De bezwaren tegen nieuwe wetten, waaraan last en kosten voor de gemeenten zijn verbonden, plegen steeds breed te worden uitgemeten. Men gelieve zich te herinneren wat al bezwaar gemaakt is tegen de wetten op het geneeskundig Staatstoezigt en de veeartsenijkunst, en hoe weinig de ondervinding die verwachtingen heeft geregtvaardigd.

De te groote bevoegdheid bij dit ontwerp doe burgemeester gegeven. Ik erken gaarne dat een burgemeester die er tegen opziet om nu en dan eene beslissing te nemen, die uit hoofde van de daaraan verbonden kosten niet naar den zin zal zijn van zijnen gemeenteraad, of hem in onmin brengt met zijne gemeentenaren, die hij zal moeten dwingen tot maatregelen waaraan zij geen lust hebben, weinig ingenomen zal zijn met dit wets-ontwerp, dat zijne verantwoordelijkheid zeer kan verzwaren.

Een burgemeester, die met deze wet niet flink durft doortasten, als zijne gemeente door eene epidemische ziekte bezocht wordt, is een beklagenswaardig man.

Is daarom nu het stelsel van dit wets-ontwerp verwerpelijk? Zou men meenen dat een ander ambtenaar in de gemeente belast moest worden met de uitvoering van deze wet? Is datgene wat men van den burgemeester vordert, iets anders dan politiezorg, die eigenaardig uitsluitend tot zijn ambtelijken werkkring behoort?

De heer Cremers heeft dat wets-ontwerp afgeschilderd als het gevolg van groote vrees. In zeker opzigt kan hij gelijk hebben. De ondervinding der laatste jaren, de kennis der feiten en omstandigheden ons tot nu toe onbekend, hebben ingelicht omtrent een gevaar, dat ons voortdurend, zonder dat wij het wisten, bedreigt. Onze vrees is opgewekt en mijns inziens te regt. De gegronde vrees voor herhaling van de rampen door de epidemische ziekten, die in de laatste jaren geheerscht hebben, ontstaan, maken het pligt aan de Regering om zooveel in hare magt is de oorzaken, die in zoo groote mate tot de spoedige verspreiding der besmettelijke ziekten hebben medegewerkt, weg te nemen.

Ik heb nu, Mijnheer de Voorzitter, nog een paar geheel op zich zelf staande vragen te beantwoorden. In de eerste plaats die van den heer Michiels van Kessenich, met betrekking tot de toepassing van art. 30. Het komt mij voor dat die geachte spreker het argument door mij in de Memorie van Antwoord aangegeven, minder juist heeft opgevat. Er was mij gevraagd of art. 80 niet eenigzins onvolledig was. Men wees daarbij op een mogelijk geval, waarin kinderen ter school zouden kunnen gaan zonder door hunne ouders of voogden daarheen gezonden te zijn; zullen, zoo vraagde men, de ouders of voogden dan toch strafbaar zijn? Mijn antwoord was: Het is duidelijk dat hij, die de kinderen niet naar de school heeft gezonden, niet zal worden gestraft. Het feit zelf, het gaan der kinderen naar de school, blijft daarom niet altijd ongestraft, omdat hij, die aan het hoofd van de school staat, wetende dat in het huis der kinderen eene besmettelijke ziekte heerscht, die kindoren niet in de school mag ontvangen. Doet hij het toch, hij zal strafbaar zijn.

Ten opzigte van art. 12 vroeg de heer Hengst: Wanneer er is eene algemeene begraafplaats naast eene bijzondere voor een bepaald kerkgenootschap ingerigte begraafplaats, is dan één lijkenhuis voldoende? Mij dunkt wanneer het blijkt dat een zoodanig lijkenhuis ten gebruike is gesteld zoowel voor de regthebbenden van de algemeene als van de bijzondere begraafplaats, met dat ééne lijkenhuis zoowel aan de letter als aan de bedoeling der wet wordt voldaan. De uitdrukking bij elke begraafplaats, waartegen door sommigen bezwaar is gemankt, komt aan dezen uitleg uitnemend te stade.

De geachte spreker uit Overijssel heeft mij opmerkzaam gemaakt dat zijne vraag omtrent art. 11 in de afdeelingen gesteld, niet juist in het Verslag was teruggegeven. Geen wonder dat mijn antwoord niet kon slaan op de vraag zoo als ze door den geachten spreker was bedoeld.

Wanneer ik nu de tegenstelling in zijne beide vragen opgenomen, wel vat, dan wenscht hij een bepaald antwoord te hebben van de Regering omtrent de strekking en bedoeling van art. 11, ten opzigte van die begraafplaatsen die liggen buiten de gemeente.

De bedoeling van dat art. 11 was, zoo als door den geachten spreker te regt is opgemerkt, geene andere dan dat men ter voorkoming van verspreiding der besmetting het vervoer van lijken van personen aan eene besmettelijke ziekte overleden, niet wilde toegestaan hebben buiten de gemeente. Nu zou de eenvoudigste redactie geweest zijn om in de wet te bepalen dat de lijken niet buiten de gemeente mogten vervoerd worden.

Maar aangezien er verschillende gemeenten zijn, waar de begraafplaatsen buiten de gemeente liggen, kon die eenvoudige redactie niet gevolgd worden. Van daar de omschrijving zoo als ze nu in het art. 11 is opgenomen.

Uit die omschrijving volgt, dat wanneer men een lijk zal willen vervoeren buiten de gemeente, het steeds zal moeten zijn naar eene voor de ingezetenen van de gemeente gebruikelijke algemeene of bijzondere begraafplaats.

Het vervoer door den geachten spreker bedoeld naar eene bijzondere begraafplaats, in eene andere provincie gelegen, waarop iemand uitsluitend of met weinigen regt zou hebben, schijnt mij niet veroorloofd. Die begraafplaats kan niet gerangschikt worden onder die voor de ingezetenen in algemeenen zin gebruikelijke begraafplaats.

De door mij in mijn antwoord op het Voorloopig Verslag gegeven uitleg zag natuurlijk alleen op bijzondere familiegraven in de gemeente. Uit de vraag kan niet anders worden opgemaakt als een dubium, ontstaan naar aanleiding van de woorden in het artikel voorkomende: “voor de ingezetenen der gemeente gebruikelijke”.

Nu nog een enkel woord over de vaccine-quaestie.

Ik was niet voornemens daarover in eenige discussie te treden. Ik vertrouwde dat de Kamer dat zou hebben gebillijkt. Nadat evenwel de geachte afgevaardigde uit Noordholland het vertrouwen heeft uitgedrukt dat ik, met het oog op het standpunt door mij in de andere Kamer aangenomen, de bekrachtiging van dit wets-ontworp casu quo aan Z. M. den Koning zou ontraden, mag ik niet zwijgen.

Bij mijn optreden vond ik dit wets-ontwerp van mijn voorganger in staat van wijzen. Daarin waren verschillende bepalingen opgenomen omtrent de vaccine, die mij toeschenen minder in deze voordragt te huis te behooren. Ik meende dat ze de grenzen waarin Staatszorg in dit opzigt moest worden besloten, overschreden. Ik was van oordeel dat het de pligt is van den wetgever om ons zooveel mogelijk te beschermen tegen daden van anderen; niet om ons to beschermen tegen ons zelven.

Ik ging uit van het denkbeeld dat de vaccine is een volkomen afdoend behoedmiddel tegen de pokken, indien men zich nu en dan op nieuw aan die kunstbewerking onderwerpt; dat wij het mitsdien in onze eigen hand hebben ons en de onzen tegen die vreesselijke ziekte te vrijwaren; dat het ongevaccineerde kind geen meer geschikt voermiddel is van besmetting dan het kind dat de vaccine hoeft ondergaan; dat pokken-epidemie hem niet kan schaden, die zich heeft laten vaccineren en revaccineren. Ik vreesde eindelijk dat het middel dat men ter bevordering der vaccine wilde aanwenden het schoolverzuim zeer zou bevorderen, en dat het alzoo schadelijk zou zijn voor een ander niet minder groot volksbelang.

De Tweede Kamer der Staten-Generaal dacht er anders over. Bij een amendement is een gedeelte van de bepalingen die ik uit het wets-ontwerp geligt had, weder in de voordragt opgenomen.

Art. 17 bepaalt nu dat niemand, hetzij onderwijzer, hetzij leerling, op de scholen zal worden toegelaten, die niet met goed gevolg de vaccinatie ondergaan heeft, of aan de natuurlijke kinderziekte geleden heeft.

Op het vertrouwen dat de geachte afgevaardigde uit Noordholland te mijnen opzigte heeft geopenbaard, wensch ik nu, Mijnheer de Voorzitter, te stellen deze vraag: Mag ik, overtuigd als ik ben, van het groot belang van eene Rijkswet, waardoor paal en perk wordt gesteld aan de onvoorzigtigheid en roekeloosheid van de ingezetenen, aan de zorgeloosheid en bekrompenheid van sommige gemeentebesturen; mag ik, die meen dat dit ontwerp, wanneer het tot wet verheven wordt, — afgescheiden van de vaccinequaestie — welligt een middel zal zijn om het leven en de gezondheid van duizenden mijner medeburgers te behouden — mag ik, met het oog ook op den aard mijner bezwaren, aan den Koning de bekrachtiging der wet ontraden, en daardoor de verantwoordelijkheid op mij nemen van het niet tot stand komen van eene wet, die door al de deskundigen urgent wordt geacht, en door het meerendeel van de Nederlandsche natie wordt gewenscht.

Ik mag en zal, Mijnheer de Voorzitter, die verantwoordelijkheid niet op mij nemen.

 

De heer Messchert van Vollenhoven: Ik wensch alleen te antwoorden aan den Minister van Binnenlandsche Zaken op de vraag, door hem aan mij gedaan. Ik zal dit doen rond, zoo als ik gewoon ben hier te spreken. Ik beken gaarne, dat de positie voor den Minister niet gemakkelijk is. Ik zal dat niet tegenspreken. Maar wanneer de Minister blijft bij zijne overtuiging, dat het beginsel van art. 17 te ontraden en vicieus is, wanneer hij daarbij acht slaat op al de bewaren die tegen de meeste artikelen van het wets-ontwerp zijn ingebragt, op het vooruitzigt dat deze bepalingen niet zullen helpen, en dat de proef die men wil nemen zal mislukken; en wanneer hij daarbij overweegt dat hij als lid der Regering, met goedvinden des Konings, de bepaling van art. 17 uit het oorspronkelijk ontwerp geligt heeft, dan aarzel ik geen oogenblik to zeggen: Ik zou den Koning de bekrachtiging ontraden.

 

De beraadslaging wordt gesloten.

 

Het wets-ontwerp houdende voorziening tegen besmettelijke ziekten, in stemming gebragt, wordt met 23 tegen 12 stemmen aangenomen.

Voor hebben gestemd de heeren: Duymaer van Twist, van Swinderen, Geertsema, van Eysinga, de Raadt, Verschoor, Fransen van de Putte, Borsius, Schot, van Goltstein, Viruly, Stork, van Vollenhoven, Cost Jordens, Prins, Rahusen, van Sasse van Ysselt, Hein, Coenen, Pincoffs, Nobel, de Dieu Fontein Verschuir van Heilo en Smit.

 

Tegen hebben gestemd de heeren: Hartsen, van Rijckevorsel, Huydecoper van Maarsseveen, de Villers de Pité, Cremers, Hengst, Michiels van Kessenich, van Aylva van Pallandt, de Vos van Steenwijk, Messchert van Vollenhoven, Beerenbroek en de Voorzitter.

 

Niets meer aan de orde zijnde wordt de vergadering gescheiden.

 


Wet besmettelijke Ziekten 1872