Menu +

Tekst Wet houdende voorziening tegen besmettelijke ziekten 1873

Wet Besmettelijke Ziekten 1 Mei 1873.

jaar 1872-1873 1e kamer

4de ZITTING. – 6 november 1872

NADER GEWIJZIGD ONTWERP VAN WET houdende voorziening tegen besmettelijke ziekten.

WIJ WILLEM III, bij DE GRATIE GODS, KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ., ENZ.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het nood-zakelijk is bepalingen vast te stellen tot wering en beteugeling van besmettelijke ziekten;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goed-gevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. 1.
De besmettelijke ziekten , waarop deze wet van toepassing is, zijn:

  1. Aziatische cholera;
  2. Typhus en febris typhoïdea;
  3. Pokken (variolae en varioloïdes);
  4. Roodvonk;
  5. Diphtheritis;
  6. Mazelen;

Een algemeene maatregel van inwendig bestuur kan deze wet geheel of gedeeltelijk ook op andere ziekten voor een bepaalden tijd in aan te wijzen gemeenten, in deelen van het Rijk of het geheele Rijk, van toepassing verklaren. Die maatregel is niet langer verbindbaar dan gedurende een jaar na zijne afkondiging, tenzij hij binnen dat tijdperk door de wet bekrachtigd zij.

Art. 2.
De burgemeester is bevoegd, na ingewonnen advies van een geneeskundige, lijders aan eene besmettelijke ziekte, die zich in slaapsteden of logementen bevinden, naar eene openbare inrigting of andere verblijfplaats ter verpleging te doen overbrengen, wanneer de toestand van den lijder overeenkomstig de verklaring van den geneeskundige zulks gedoogt.
De kosten van de overbrenging worden, des nòodig, ten laste der gemeente gebragt.

Art. 3.
De burgemeester is bevoegd in de in het vorige artikel genoemde slaapsteden of logementen maatregelen tot ontsmetting en, na ingewonnen advies van den geneeskundigen ambtenaar, ook andere maatregelen ter voorkoming van verspreiding der ziekte voor te schrijven en, zoo noodig, te doen uitvoeren. Bij verzet tegen de volgens dit en het voorgaande artikel te nomen maatregelen, wordt de slaapstede of het logement door den burgemeester, na ingewonnen advies van den geneeskundigen ambtenaar, gedurende een door hem te bepalen tijd gesloten verklaard.

Art. 4.
De burgemeester is bevoegd, na ingewonnen advies van den ambtenaar, in hot vorig artikel vermeld, of van een in de gemeente praktiserend geneeskundige, huize, keeten en vaartuigen, die brandpunten van besmetting zijn of dreigen te worden, geheel of gedeeltelijk ten koste van de gemeente te doen reinigen en ontsmetten.

Art. 5.
De burgemeester is bevoegd, besmette of van besmetting verdachte voorwerpen ten koste van de gemeente te doen ontsmetten, of na voorafgaande onteigening te doen vernietigen. In zijn daartoe te nemen besluit worden de goederen, die onteigend moeten worden, niet opnoeming van de namen der eigenaars, aangewezen en wordt daarin wijders melding gemaakt van de schriftelijke verklaring van een geneeskundige, waaruit van de noodzakelijkheid der onteigening blijkt. Het besluit wordt op de gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebragt.
De in het besluit ter onteigening aangewezen goederen worden door den burgemeester onmiddellijk in beslag genomen. Artt. 70, 71 en 72 van de wet van 28 Augustus 1851. (Staatsblad no. 125) zijn op deze onteigening toepasselijk.

Art. 6.
Bij het verschijnen of dreigen van besmettelijke ziekten kunnen burgemeester en wethouders ten koste van de gemeente verzamelingen van mest en ander vuil, waar die zich ook bevinden, doen opruimen of onschadelijk maken, goten en slooten doen reinigen en andere voorzieningen tot bevordering der openbare reinheid treffen. Dit geschiedt niet dan nadat hij, dien het aangaat, in de gelegenheid is gesteld, binnen een door hen te bepalen tijd, daarin op eigen kosten te voorzien.

Art. 7.
In iedere gemeente, waar dit door Gedeputeerde Staten der provincie wordt bepaald, is het gemeentebestuur verpligt eene gelegenheid tot afzondering en verpleging van lijders aan besmettelijke ziekten in te rigten. Zij bevelen tevens of die inrigting van tijdelijken dan wel duurzamen aard zijn zal.
Besturen van nabij elkander gelegen gemeenten kunnen zich omtrent die inrigting, volgens art. 121 en 122 der gemeentewet, met elkander verstaan.

Art. 8.
Het is verboden, lijders aan eene besmettelijke ziekte te vervoeren of te doen vervoeren, behalve in de gevallen in deze wet aangewezen; zich , daaraan lijdende, naar eene andere plaats te begeven; voorwerpen, die in aanraking waren met lijders of overledenen aan eene besmettelijke ziekte of daarvan afkomstig, te vervoeren, te doen vervoeren , ten geschenke of in gebruik te geven of te doen geven, te nemen ofte doen nemen, tenzij na ontsmetting volgens art. 25; door onvoorzigtigheid of achteloosheid gevaar van besmetting, dat voorzien kon worden, voor anderen te doen ontstaan.

Art. 9.
Vervoer van lijders aan eene besmettelijke ziekte naar een ziekenhuis of naar hunne woning is geoorloofd volgens de daarvoor bij plaatselijke verordening te stellen voorschriften.
In bijzondere gevallen, kan vervoer van lijders aan eene besmettelijke ziekte door den burgemeester worden toegestaan onder door hem te geven voorschriften.
Dit vervoer met gebruik van openbare vervoermiddelen is verboden.
Voer- of vaartuigen, waarmede het vervoer heeft plaats gehad, moeten onmiddellijk daarna door de zorg en ten koste van den eigenaar worden ontsmet.
Indien het vervoer naar eene andere gemeente geschiedt, geeft de burgemeester der gemeente van vertrek onmiddellijk aan den burgemeester der gemeente van bestemming kennis van de verleende vergunning en van de daartoe gegeven voorschriften.
Vervoer van voorwerpen, naar de plaats voor ontsmetting bestemd, is, met inachtneming van de door den burgemeester te geven voorschriften, geoorloofd.

Art. 10.
Onverminderd de wettelijke verordeningen betreffende de quarantaine, zijn schippers van vaartuigen, waarin zich een lijder aan een der ingevolge art. 1 dezer wet als besmettelijk aangeduide ziekten bevindt, of waarin iemand in de laatste 14 dagen aan eene dier ziekten geleden heeft of gestorven is, gehouden, vóór het binnenvaren van eene gemeente, waar zij willen vertoeven of aanleggen, daarvan kennis te geven aan den burgemeester. Zij zijn verpligt met hun vaartuig de door hem aan te wijzen ligplaats in te nemen , en aldaar zonder gemeenschap met den vasten wal te verblijven, tot dat ontsmetting overeenkomstig art. 25 heeft plaats gehad.

Art. 11.
Overledenen aan Aziatische cholera, typhus of febris tijphoïdea, pokken , roodvonk of diphtheritis mogen niet worden vervoerd naar andere dan de voor de ingezetenen der gemeente gebruikelijke, algemeene of bijzondere begraafplaatsen.
Het vervoer mag niet plaats hebben in voer- of vaartuigen voor levenden bestemd en moet langs den kortsten weg geschieden.
Art. 11 der wet van 10 April 1869 (Staatsblad no. 65) blijft van toepassing.

Art. 12.
Bij elke begraafplaats wordt uiterlijk binnen een jaar na het in werking treden dezer wet, een locaal ingerigt voor tijdelijke bewaring van overledenen aan eene besmettelijke ziekte. Bij verzuim wordt, zoo het eene algemeene begraafplaats is, door de zorg van Onzen Commissaris in de provincie, ten koste van de gemeente, en zoo het eene bijzondere begraafplaats is, door de zorg van burgemeester en wethouders, ten koste van hen aan wie die behoort, ten spoedigste zoodanig locaal ingerigt.

Art. 13.
Onverminderd art. 6 der wet van 10 April 1869 (Staats-blad n°. 65) kan de burgemeester, indien de zorg voor de gezondheid van de bewoners van het sterfhuis of van de bevolking dit vereischt, des noodig ten koste van de gemeente, onmiddellijk vervoer naar het lijkenhuis gelasten van overledenen aan eene besmettelijke ziekte.

Art. 14.
Bewoners van huizen of vaartuigen, waarin eene besmettelijke ziekte voorkwam , mogen geen scholen bezoeken, dan na verloop van 8 dagen nadat de ziekte, volgens schriftelijke verklaring van eenen geneeskundige, uit die huizen of vaartuigen geweken is.
Het verbod wordt opgeheven, zoodra ontsmetting overeenkomstig art. 25 dezer wet heeft plaats gehad.
Op scholen, uitsluitend bezocht door leerlingen boven de twaalf jaar, is bij het voorkomen van mazelen en diphtheritis, het bepaalde in de eerste zinsnede van dit artikel niet van toepassing.

Art. 15.
Hoofden of bestuurders van de in het vorig artikel genoemde inrigtingen mogen de daarbij vermelde personen, zoolang het verbod duurt, niet tot die inrigtingen toelaten.

Art. 16.
Onverminderd de kennisgeving aan den geneeskundigen Inspecteur in art. 6 der wet van 1 Juny 1865 (Staatsblad n°. 60) voorgeschreven, geeft de geneeskundige, die een lijder aan aziatische cholera of aan pokken waarneemt, daarvan binnen 24 uren kennis aan den burgemeester van de gemeente, waarin de zieke is aangetroffen.

Art. 17.
Onderwijzers, onderwijzeressen of leerlingen, die niet, blijkens verklaring van een geneeskundige, met goed gevolg of meer dan eens de inenting der koepokken hebben ondergaan, of aan de natuurlijke kinderpokken (variolae) hebben geleden, worden in de scholen niet toegelaten. De vorm, de plaats, de wijze van inlevering. bewaring en teruggave dier verklaringen worden bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld.

Art. 18.
In elke gemeente wordt door de zorg van het gemeentebestuur minstens eenmaal in elke drie maanden gelegenheid gegeven tot kostelooze inenting en herinenting. Die gelegenheid wordt minstens eenmaal ‘s maands gegeven, wanneer Onze Minister van Binnenlandsche Zaken ter algemeene kennis heeft gebragt, dat de pokken in eenig deel van het Rijk epidemisch verbreid zijn en minstens eenmaal ‘s weeks, wanneer in de gemeente pokkon voorkomen. Tijd en plaats voor de inenting wordt bij openbare aankondiging ter algemeene kennis gebracht.
Tot het verleenen van subsidien ter tegemoetkoming in de kosten van inrigtingen, welke bevordering dier kunstbewerking ten doel hebben, wordt jaarlijks eene som op de Staatsbegrooting uitgetrokken.

Art. 19.
Het hoofd van een gezin, de houder of houderes van eene slaapstede of een logement, de schipper van een in eene gemeente vertoevend vaartuig, de bestuurders van gestichten van weldadigheid in artt. 1 en 2 der wet van 28 Junij 1854 (Staatsblad n°. 100) vermeld, van gevangenissen, van bedelaars- en krankzinnigengestichten geven, wanneer daarin eene besmettelijke ziekte voorkomt, hiervan binnen 24 uren nadat hun het feit ter kennis is gekomen, mededeeling aan den burgemeester.
Gelijk voorschrift geldt voor de kommandanten van legercorpsen of oorlogsschepen in havens, voor de onder hun toezigt staande kazernen, schepen of andere localen.

Art. 20.
Huizen en vaartuigen, waarin eene besmettelijke ziekte voorkomt, worden onmiddellijk en uiterlijk binnen 21 uren na de aangifte door de zorg van den burgemeester, ten koste der gemeente, voorzien van een van buiten duidelijk zigtbaar kenmerk, zoo noodig van meer dan één, de woorden “besmettelijke ziekte”, en den naam der ziekte vermeldende.
Het kenmerk moet aldaar verblijven, tot dot door eene verklaring van eenen geneeskundige is gebleken, dat het gevaar van besmetting geweken is.

Art. 21.
Zoodra de epidemische verschijning van eene besmettelijke ziekte in eene gemeente den geneeskundigen ambtenaar is gebleken, geeft deze daarvan kennis aan den burgemeester, welke daarop bij openbare aankondiging bekend maakt, dat die ziekte in de gemeente epidemisch voorkomt.
Van dit tijdstip af, maakt de burgemeester wekelijks, de week gerekend van Zondag tot en met Zaturdag, bekend: bij aziatische cholera, typhus of febris typhoïdea, pokken, roodvonk en diphtheritis, het aantal der aangegeven aangetasten en dat der aan die ziekten overledenen; bij mazelen, dat der aan die ziekte overledenen.

Art. 22.
Wanneer aziatische cholera, pokken of roodvonk in eene gemeente epidemisch zijn waargenomen, worden aldaar geene kermissen of jaarmarkten gehouden, dat geval van gemeentewege geschorst.

Art. 23.
Bij epidemische verspreiding van besmettelijke ziekten kan het houden van kermissen en jaarmarkten, waar zij niet van gemeentewege geschorst zijn, door Ons verboden worden in aan te wijzen gemeenten, in deelen van het Rijk of het geheele Rijk.

Art. 24.
Wanneer in eene gemeente aziatische cholera voorkomt maakt de burgemeester, onverminderd het bepaalde in het 2de lid van art. 21 , dit onmiddellijk aan de ingezetenen bekend. Vervolgens maakt hij dagelijks bekend, hoevele personen in de verloopen 24 uren zijn aangegeven als overleden aan aziatische cholera.
Het cijfer der in elke gemeente aan cholera overledenen wordt wekelijks in de Staatscourant bekend gemaakt.

Art. 25.
De regelen omtrent het verbranden of op andere wijze vernietigen van voorwerpen volgens deze wet onteigend, het ontsmetten van besmette en van de bij art. 8 genoemde voorwerpen, de ontsmetting van gebouwen, voer- of vaar-tuigen en de onschadelijkmaking van mestvaalten en andere verzamelingen van vuil, de inrigting en plaatsing van het in art. 20 vermelde kenmerk, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vastgesteld.

Art. 26.
Van hetgeen door hem krachtens deze wet is verricht geeft de burgemeester onmiddellijk bericht aan den geneeskundigen ambtenaar.

Art. 27.
Onverminderd art. 5 der wet van 1 Junij 1865 (Staatsblad n°. 58) zijn, bij het verschijnen van besmettelijke ziekten, de geneeskundige ambtenaren, de leden en plaatsvervangende leden der geneeskundige raden, mits voorzien van eene magtiging van don geneeskundigen ambtenaar, bevoegd tusschen zonsop- en ondergang, in den kring waarvoor zij zijn aangesteld, de woningen der ingezetenen huns ondanks binnen te treden, doch niet dan in bijzijn van den kantonregter, of wel van het hoofd of een der leden van het gemeentebestuur. Van het binnentreden en van de redenen, die daartoe geleid hebben, wordt door hem, die krachtens bovenstaande bepaling daarbij tegenwoordig is geweest, binnen tweemaal 24 uren proces-verbaal opgemaakt en aan hem, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.

Art. 28.
De burgemeester, alleen of vergezeld van de door hem daartoe noodig gekeurde en aangewezen personen, is bevoegd de woningen der ingezetenen huns ondanks tusschen zonsop- en ondergang binnen te treden, ter uitvoering van de bepalingen dezer wet of van de krachtens deze wet uitgevaardigde besluiten.

Art. 29.
Provinciale en gemeentebesturen behouden de bevoegdheid tot het vaststellen van reglementen of verordeningen tot voorkoming, wering of beteugeling van besmettelijke ziekten, voor zoover zij niet in strijd zijn met de bepalingen dezer wet.

Strafbepalingen.

Art. 30.
Met eene boete van f 5 tot f 25 en met gevangenis van één tot drie dagen te zamen of afzonderlijk wordt gestraft:

1°. het niet opvolgen der voorschriften, door den burgemeester krachtens art. 3, 1ste lid en art. 9, 6de lid, gegeven;

2°. overtreding van art. 11, 1ste en 2de lid, 14, 15, 16 en 17.

Wegens het in de school zenden van kinderen in de gevallen voorzien bij de artt. 14 en 17, zijn de ouders of voogden dier kinderen strafbaar. Wegens overtreding van art. 17 zijn verder strafbaar de hoofden of de bestuurders der scholen die de onder-wijzers of onderwijzeressen hebben toegelaten. en de onderwijzers en onderwijzeressen zelven die onderwijs op de school hebben gegeven ;

3°. overtreding van artt. 8 en 9, 1de lid, indien de overtreder met den aard der ziekte bekend was.

Art. 31.
Met eene boete van f 10 tot f 100 en met gevangenis van drie dagen tot eene maand, te zamen of afzonderlijk, wordt gestraft:

1°. het verzet tegen de uitvoering van maatregelen krachtens art. 3, 2de lid, 4, 5, 6, 13 en 20 voorgeschreven, onverminderd de straffen tegen rebellie in het Wetboek van Strafregt bedreigd;

2° overtreding van art. 9, 3de lid, 10, 11, 2de lid, indien de overtreder met den aard van de ziekte bekend was, en van art. 19;

3°. het wegnemen, verplaatsen, onleesbaar of onzigtbaarmaken van het kenmerk in art. 20 vermeld.

Art. 32.
Met eene boete van f 25 tot f 75 wordt gestraft weigering van toelating in de gevallen bij de artt. 27 en 28 omschreven.

Art. 33.
Art. 463 van het Wetboek van Strafregt en art. 20 der wet van 29 Junij 1854 (Staatsblad n°. 102) zijn op de misdrijven, voorzien bij art. 30, 31 en 32, van toepassing.

Slotbepaling.

Art. 31.
Deze wet treedt in werking vóór of op den lsten Mei 1873.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriele departementen, autoriteiten, collegien en ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven
De Minister van Binnenlandsche Zaken,

 


Zie ook 1856 Cholera op “De Stoepen”
Wet besmettelijke ziekten 1873 
behandeling Eerste Kamer (vaccinatie)

Begraafwet 1869 

Terug naar voorgeschiedenis begraafplaats