graf 41 1842 snelheid paarden Goliath en Lietse

___________________________________________________________

13-05-1842 Utrechtsche Provinciale en Stads-courant 

OVER DE SNELHEID VAN PAARDEN.

De nog altijd door ons diep betreurde Hoogleraar Moll, aan wiens opmerkzamen geest, niets ontsnapte, maakte de snelheid onzer harddravers ook tot een onderwerp van zijne bespiegelingen. De waarnemingen, welke Zijn Hooggeleerde op den 10 April 1827 deed, vinden wij medegedeeld in de Bijdragen tot de Natuurkundige Wetenschappen IIIe deel, pag. 8. Bij de volgende harddraverijen, waarvan de laatste in het jaar 1830 alhier plaatsvond, werden mede waarnemingen door den zelfden uitmuntenden natuurkundige gedaan , doch voor zoo verre ons bewust is, niet in druk uitgegeven. 

Heeren Commissarissen tot regeling der harddraverij, die gisteren plaats vond, achtten het, in overeenstemming met de Stedelijke Regering, niet oneigenaardig, dat deze waarnemingen ook thans weder gedaan werden. Ten gevolge daarvan werd op elk der Tribunes, voor de heeren keurmeesters bestemd  ook de noodige plaats ingeruimd voor hen, die zich met het waarnemen zouden belasten. De hoogleeraar P.J.I. de Fremery en de heer A. Vrolijk plaatsten zich op de eene Tribune, de heeren H. C. van Setten en T. J. Munnich op de andere. Die heeren gaven elkander seinen,om zoveel mogelijk van elke plaats, door gelijktijdige waarnemingen, den juisten tijd van het vertrek zoo wel als de aankomst der paarden te kunnen bepalen. Dit ging echter dikwijls met zwarigheden vergezeld, vooral op het laatst, toen de belangstelling der toeschouwers meer en meer toenemende, de waarnemers telkens door hoeden en vederbossen de lijn hunner waarnemingen verbroken zagen. De uurwerken en tijdmeters voor en na de harddraverij vergeleken zijnde, zoo werden vervolgens de waarnemingen met elkander getoetst. 

De uitkomst derzelve was de volgende.
De baan was vooraf naauwkeurig afgemeten en bleek te hebben eene lengte van 1194 Rijndlandsche voeten of nagenoeg 375 Nederlandsche ellen.
Deze lengte werd afgedraafd, (waarbij men in het oog moet houden dat alleen op het snelste der twee te zamen loopende paarden acht werd geslagen) 

Deze twee en dertig waarnemingen geven eene gemiddelde tijdruimte van 38″6 waarin de baan werd afgedraafd, of met andere woorden, de verschillende harddravers hebben door elkander gerekend, eene lengte afgelegd van bijna 31 Rijnl. voeten of 9,75 Ned. ellen, in eene sekunde. 

De langste rid, die Van 47″ en de kortste rid, die van 32”½, werden beide mede gedraafd door bet paard Goliath. De eerste keer tegen de Ruyler, en de andere keer tegen den overwinnaar der harddraverij, de Lietse: bij dezen rid de Lietse echter het eerst aangekomen zijnde, zoo zal Goliath alsdan misschien in eene halve Sekunde meer dan 32 ½ de baan afgelegd hebben. 

De Lietse, welke eenmaal de baan in 32 ½ en hij den laatsten rid, die bet lot der geheele harddraverij besliste, in 33″ aflegde, doorliep derhalve bijna 37 Rijnl. voelen of 11,5 Ned. ellen, in eene sekunde. 

In het verslag van den hoogleeraar Moll, hierboven aangehaald, zien wij dat de Morra, welke in het jaar 1827 den prijs behaalde, de baan, welke toen 1224 Rijnl. voeten of 384,28 Ned. ellen lang was, in 34″ doorliep. Dit is eene snelheid van 36 Rijnl. voelen of 11,3 Ned. ellen, in eene sekunde , dus zéér weinig verschillend van die, welke thans is waargenomen. In hetzelfde verslag van den Hoogleeraar Moll, vinden wij zeer belangrijke vergelijkingen van de snelheid van de Morra, met andere paarden en zelfs met rendieren en kameelen. 

Daar nu couranten meer algemeen gelezen worden, dan wetenschappelijke werken, zoo zal het misschien niet onbelangrijk zijn, hier eenige vergelijkingen door Prof. Moll opgegeven, te herhalen. Van den bekenden harddraver Malle Jan, wordt gezegd, dat dezelve 40 voeten, in de sekunde afliep. Deze zou dus de baan der harddraverij van gisteren in 29″8 doorloopen hebben. Het zou echter van belang zijn den graad van naauwkeurigheid te kennen, waarmede de snelheid van Malle Jan bepaald is geworden. 

De Engelscbe dravers moeten voor de onze onderdoen, maar zij doorloopen ook veel langer baan. Daarentegen winnen het de Engelschen renpaarden (en men weet dat wedrennen of de gewone races meer algemeen in Engeland in gebruik zijn dan harddraverijen) in snelheid van onze harddravers. Zeker paard Childes, een der beroemste van de vorige eeuw, legde eenmaal 80 Rijnl. voeten of 25 Ned. ellen in eene sekunde af: dit moet echter maar bij een zeer korten rid geweest zijn. Bij gewone wedrennen, waarbij de baan meestal langwerpig rond is, en eene lengte van 6 à 700 Ned. ellen heeft, dat is 16 à 18 maal zoo lang als de baan onzer harddraverij, leggen de Engelsche paarden gewoonlijk 45 à 48 R. v. of 14 à 15 N. ellen in eene sekunde af. 

De paarden, welke in den Corso te Rome, zonder ruiter wedloopen, hebben gewoonlijk eene snelheid, niet veel verschillende van die onzer harddravers, namelijk van 38 R. v. of bijna 12 N. ellen in de sekunde. Dat is dus iets sneller dan Morra en de Lietse, en iets minder snel dan Malle Jan. Voorts vindt men bij den Hoogleeraar Moll aangeteekend de snelheid van Vriesehe schaatsenrijden, welke die van de Lietse volkomen evenaart, en van een rendier dat nagenoeg 231 uren gaans of 1287200 N. ellen in 48 uren zou afgelegd hebben, hetgeen overeenkomt met 23 R. v., 6 d. of 7, 4 N. ellen in de sekunde. Bij de aankomst echter (zoo luidt dit verhaal, dat door den Hoogleeraar Moll niet boven alle bedenking verheven geacht werd) , stortte het dier dood neder. — De snelheid van de kameelen in de Arabische woestijnen is doorgaans zeer gering: dezelve wordt door Rennel maar op 3 R. v., 6 d. of 1,1 N. el in de sekunde geschat.

Bij de waardeering der snelheid van onze harddravers , valt wel in het oog, dat de baan meestal zeer kort is, in vergelijking van die der Engelschen wedrennen. Maar men moet er wel bij bedenken, dat het overwinnend paard, dezelve zeer dikwijls af moet leggen. Zoo heeft gisteren de Lietse negen maal den rid moeten doen, vóór dezelve als Overwinnaar begroet kon worden. De eerste keer tegen Tupper loopende, besleedde dezelve 40″ voor den afstand, welke later door hetzelfde paard in 32 ½ tegen Goliath af werd gelegd. 

Toen de Hoogleeraar Moll zijne waarnemingen in den jare 1827 mededeelde, waren de spoorwegen nog geenszins aan de orde van den dag. Het zal daarom misschien thans niet onbelangrijk schijnen, de snelheid onzer harddraven met die van locomotieven te vergelijken. 

Waarnemingen, ook in andere opzigten belangrijk, door den heer Conrad, Ingenieur Direkteur der Hollandsche Spoorweg-Maatschappij, in de maand December 1839 gedaan, leeren dat de gemiddelde snelheid, waarmede de baan van 16000 N. ellen, tusschen Amsterdam en Haarlem, door de wagentreinen werd afgelegd, was 27 minuten. De snelheid van de locomotief was dus 9 N. ellen, 87 d of 31 Rijnl. voeten in de sekunde. 

Dezelve is dus minder groot dan die onzer harddravers, zonder daarom toch gering te zijn. Want die snelheid komt overeen met nagenoeg 22 Eng. mijlen of 6 ½ Hollandsche uren gaans in het uur. Het geen een vrij goede gang voor een wagentrein is. 

Om eene proef te nemen van de snelheid, met eene locomotief te verkrijgen, reed de heer Conrad eenmaal met eene locomotief en den tender alleen, zonder wagentrein, en legde toen de 16000 Ned. ellen in 13 minuten af. Dit geeft eene snelheid van 20,5 Ned. ellen of 65 R. voeten in de secunde, eene snelheid, die wij in de opgave van den Hoogleeraar Moll alleen door Childers bij eene enkele gelegenheid, en waarbij bepaaldelijk vermeld wordt, dat de rid zeer kort duurde, overtroffen zien. 

Utrecht, 11. Mei 1842. 

 

___________________________________________________________

Terug naar harddraver Goliath