| ___________________________________________________________ |
Eijerland 26 December 1836
Den Wel Edelen Heer
N. J. de Cock
Direct. der Socit. van
Eigend. van Eijerland
te Rotterdam
Wel Edele Heer !
UWEd geëerde letteren van 19 dezer zijn mij geworden, ik had mij over UWEd ongesteldheid, waarvan de Heer Langeveld mij berigt had, reeds ongerust gemaakt, doch heb daar van in UWEd laatste schrijven geene melding gevonden, weshalve ik het genoegen heb UWEd volkomene gezondheid te veronderstellen.
Veel bijzonders is hier op Eijerland sedert mijn vorige niet voorgevallen, den 19 dezer hebben wij hier van eene bevolking van 600 Zielen, onder welke geene Med Doctr Heelmeester of Chirurgijn gevonden word, de eerste doode in 18 maanden tijds gehad, zijnde Henderikus Beckeringh geboren te Leens (prov Groningen) broeder van de vrouw van Houwinga, eene daadzakelijk bewijs van gezondheid van Eijerland, die wel openbare vermelding verdiende.
Ik zoude UEd adviseren om bij 2 bestaande zaadkleden nog vier met derzelver toe behoren te laten vervaardigen wanneer men zulks nu besteld ontbied men het linnen uit het Over Eemsche Osnabruck enz. – Men heeft mij in Groningen gevraagd voor het maken van een groot Kleed à 720 Gron. elk. tegens f 0.25
inkoop van linnen f 180-,,
3 draag Kleden f 15-,,
Touw & Kussens f 8-,,
Werkloon f 28-,,
(f 231-,,)
Dan is men nog een Schoonkleed bij ieder grootkleed behoevend als mede Gaffels, rijven, stokken (door onze wagenmaker te maken), zeven en zakken. – Heb de goedheid mij UWEd gevoelens hier omtrent mede te deelen, – als mede het uitbesteden van Kooldorschen tegens 33 Bunders per kleed en doch met een dorsch blok dat beter en spoediger uitdorscht kan men wel 40 Bunders dorschen.
In het begin der volgende maand of wel voor de vergadering denk ik UWEd eene staat van Landbouw van Eijerland toe te zenden.
Van het verhoogde tarief onzes schippers heb ik nota genomen.
De winter heeft zich hier sedert zaturdag met sneeuwjagt en storm ingezet, het is hier ongemeen guur & koud, – en de voorraad van Brand moet nog komen.
Aangaande de diefstal is niets naders ontdekt, doch het vermoeden is op de vrouwelijke dienstbode bij den Heer v Bergen, en niet op J. – Misschien dat zich de zaak ontdekken laat. –
Lanser en Dubois hebben eene overeenkomst gesloten dat de laatste niet zoude mogen tappen, doch vermeende wel per Kan te mogen verkopen., – hoe het zij, zij verstaan elkanderen niet te wel. – Mijns moest men ieder voorhuis, patent, en verdere lasten laten [] en verkopen, – dit weg te nemen drukt altoos op de belangens der ingezeten van Eijerland, – en zullen de Texelsche wagens hier blijven rijden en uitventen.
Wij hebben hier eene bekwame doch niet bemiddelde slager op Eijerland, zijnde arbeider bij Noordhof. – met een voorschot van Een honderd vijftig guldens wil hij dat vak ook hier uit oefenen, gaarne zoude ik zulks zien, om toch het overschot van het Texelsche vleesch hier niet langer te moeten bekluiven.
Ook heeft zich weder eene broodbakker aangemeld doch ik heb geene kennis aan dezelve.
Onze Kool heeft gelukkig geen overtollig water, zoo dat zij het onder eene Sneeuwrok wel zal kunnen uithouden, doch de ontdooijeng is het gevaarlijkste.
De Schapen hebben tengevolge de nattigheid een weinig gesukkeld aan eene ongebondene geelkleurige afgang, doch worden nu aan de Hooij-Kribben verzorgd.
Doet mij het plaisier en zende mij een paar kleine Korenschalen met Balansje & Wigten, wij hebben 40 Mudden best garst schoon en wij hebben zeker nog 200 Mudden in ’t Stroo, het welke ik wenschte te wegen, – misschien kan men dit goed op Texel verkopen, – doch hier over UWEd beschikt zelve eerst, doed mij het genoegen en schrijf mij spoedig., – tot veraangenaming van onze overwintering op Nova Eijerland.
Met de meeste achting heb ik Eer te zijn Den Direct. van Landb. van Eijerland
M. D. Teenstra
| ___________________________________________________________ |
Naar Brieven 1836/1837