| ___________________________________________________________ |
Eijerland 15 October 1836
Den Wel Edelen Heer
Den Heer N. J. de Cock
Directeur der Sociteit van
Eigendom van Eijerland
te Rotterdam
Wel Edele Heer !
Mij gedragende aan mijne laatst voorgaande van den 12de dezer heb ik de eer UWEd hier nevens per gelegentheid van den Heer Bok, Verslag van Eijerland tot op heden, toe te zenden, en ik kan UWEd tevens berigten dat ook de Zeeuwsche boeren Kivit en Alderlieste het volkomen met mij eens zijn om het land door meerdere waterloozing te moeten verbeteren, en wel door de slooten te verwijderen en verdiepen en de greppen met voren te vermenigvuldigen, terwijl zij met mij overtuigd zijn, dat de tegenswoordige begrepping van het bezaaide land onvoldoende en bij voortduring kostbaar is, als moetende bij iedere ploeging of egging herhaald worden, zijnde dit met strekkende greppen het geval niet.
Thans ontvang ik ook UWEd geëerde letteren van den 11de dezer, misschien onder gaat de verzending nu en dan eenige vertraging, wijl de postschuit door het ruwe weder niet geregeld vaart. Uit deze UWEd laatste brief, zie ik dat UWEd mij nader berigten zal, of het verzoek der Smit om uitstel van afdoening van het genotene voorschot, en het verschuldigde voor over genomene IJzer & Kolen zal worden gewijzigd of opgevolgd.
Dubois zal zeker reeds te Rotterdam in lading liggen, wij verlangen naar het zaai-zaad. Heb de goedheid den Heer van Ommeren aan derzelver notitie van het te zendene te herinneren.
Den Heer Bok is gisteren hier geweest, en heeft bij de opneming van onderscheidene punten genoteerd, welke zijn Edele voorzeker in de vergadering van 18 dezer ter tafel brengen zal, en dus langs dien weg ter UWEd kennis komen.
UWEd schrijven over de gemaakte bepalingen te gemoed ziende
Heb ik de Eer met de meeste Hoogachting te zijn
Wel Edele Heer !
UWEDvDienaar
De Directeur van Landbouw van Eijerland
M. D. Teenstra
| ___________________________________________________________ |
Naar Brieven 1836/1837