Teenstra 12-07-1836: beschrijving groei gewassen; zandverstuivingen door droogte

___________________________________________________________

Eijerland 12 Julij 1836 

Den Wel Edelen Heer Den Heer N. J. de Cock
Directeur der Societeit van Eigendom van Eijerland
te Rotterdam 

Wel Edele Heer ! 

  In vrindelijke resceiptie Uwe geeerde van 7 deze heb ik het genoegen UWEd te kunnen berigten dat de 12 paarden hier gisteren avond flug en gezond overgekomen zijn, zullende nog heden bij de zetboeren worden ingedeeld, dezelve komen ons als voor de Landbouw zeer geschikte paarden voor, dewelke aanstaande zomer bij meerdere ouderdom nog beter zullen zijn dan thans. 

  Al het voorhanden zijnde rijs het welke als noodmateriaal langs den dijk lag hebben wij bijna verplant langs het land van Kivit ter voorkoming van het oversluizen van het zand uit de Roggesloot, en ik houde mij verzekerd dat dit aan merkelijk helpen zal, echter houd de droogte nog steeds aan en het daardoor ligtwordende zand geeft met de minste wind een vernielende stuiving. – Ook het stroo van den Heer Reinders is aangekomen, zoo dat wij nu ook met stroo planting aanvangen.- 

  Geloof mij dat het geen sins onverschilligheid of onbezorgdheid is dat onze genomene proeven met al onze Zomergewassen niet beter gelijkken, de oorzaak ligt noch in den grond zelve, noch bij mijne behandeling, maar uitsluitend in de voortdurende droogte, – ik heb in de tuin Mangelwortelen die groot genoeg zijn om te verplanten, maar  ik durf daarmede nog niet te beginnen hoezeer het tijd word om dat ik zeker ben, dat de verplante planten sterven zullen, en water om te gieten moeten wij uit de duinen op meer dan 4000 ellen afstand aanhalen, – dit zijn ook de redenen dat ik op het daarvoor gereed liggende land met het zaaijen van de Engelsche & Zweedsche Knollen nog niet begonnen ben, wijl het onmogelijk is dat in een zoo drooge grond eenig  zaad kiemen kan, zoo dat ik het raadzaam oordeele, (tenzij ik andere orders van UwEd ontvang) met het zaaijen van koolzaad te wagten tot dat wij een weinig regen gehad hebben. 

  Meekrap, Beetwortels, en Lucern alles lijd ongemeen aan de algemeene oorzaak van te sterke en aanhoudende droogte ofschoon ook door geene stuiving van zand te lijden hebbende. 

  Den Hr Reinders schrijft mij in dato 4 Julij de zending van dorsch kleden te zullen bespoedigen, doch nog niet ontvangen.- 

  De plafonneurs zijn hier aangekomen, doch hier over als mede over den aan Koop van Hooij schrijft den Heer Plooster UwEd. 

  Ik zoude gaarne twee Nederl. Mudden Witte Winterkoolzaad voor zaaizaad willen hebben, vermenende hier mede 10 Bunders te kunnen zaaijen, waarvoor Augustus voorzeker de geschiktste tijd zijn zal, – zoodra ik het gelijk hebben mag dat het hier begint te regenen, het welke ik dadelijk schrijven zal denken wij met het zaaijen van Winterkoolzaad een aanvang te maken. – 

  Mets de postschipper zal ik aan het planten van visch herinneren. 

Wij zijn bezig met Hooijen, en geloof dat wij veel hooij winnen. Zullen althans bij paal 12 aan de Zanddijk nabij Soersel staat veel gras, alwaar wij ook met maaijen bezig zijn.- 

Met het snijden der ruigte onder de Moesbergen heb ik provisioneel moeten uitscheiden, wijl deze doornestruiken zoo taaij zijn als koperdraad, – met het ploegen voor Winterkoolzaad gaat het niet tegenstaande de grond ongemeen hard word uitmuntend voort doch de hoeveelheid der opbrengst van het Zomerzaad laat zich moeijelijk bepalen, daar dit zoo veel geleden heeft, waarvan het overgeblevene en aangeslagene in onregelmatige plakken staat terwijl hier van nog een groot gedeelte te laat aangekomen is om zich te kunnen redresseren, ik reken het geheel op 4 à 5 lasten.- 

  De thermometer of wel de Contraleur daarvan staat tegenwoordig zoo hoog als wij hem dit zomer nog niet gezien hebben en wel blijven storm op 13½ graden (Reaumur) boven 0. – de wind waait uit het Z.Z.W. en de zandvlakte vertoonen een Noordsche Sneeuwjacht, doch wanneer de wind liggen gaat hebben wij zeker regen. 

  Na lectuur vermeend den Heer Plooster beter te zijn om 20 of mmerdere bunders met wit Winterkoolzaad te zaaijen, gerekend op 5 à 5½ Bunder per Mud zaaizaad, – moet dit in eene stuk gezaaid worden, of bij iedere Boer een gedeelte? – zullen wij hiermede ook op zand en klei proeven nemen, of hier voor alleen het geschiktste teelland nemen? – aangenaam zal het mij zijn hier omtrent UWEd geeërde orders te mogen vernemen, en houde gaarne de Correspondentie in bepaalde  orders en instructies ten mijne behoeve levendig. 

  UWEd geeërd schrijven met verlangen te gemoet ziende, noeme mij met de meeste Hoogachting
Wel Edele Heer !
UWEDvDienaar! 
De Directeur van Landbouw van Eijerland 12 Julij 1836
M. D. Teenstra 

P.S. de Lijm. mest is reeds ondergeploegd.

___________________________________________________________

Naar Brieven 1836/1837