Herman Heijermans beschrijft het ziekbed van Emilie Culp

___________________________________________________________

13-01-1898 De Telegraaf, donderdag
(thans het meest verspreide groote dagblad)

FEUILLETON. Amsterdamsch Schetsboek.

Het auteursrecht der artikelen, verschenen en verschijnende onder den titel: Amsterdamsch  Schetsboek, wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van den 28sten Juni 1881.
CXLL 

12 Januari.
Emilie Culp.
 Vergunt me, vrouwen van Holland dat ik op een ongewonen dag, u wat verhaal van het leven dezer groote stad en laat mij het voor het eerst in deze rubriek hebben over een persoon, die wij allen enigszins òf beter kennen. 

  Zoo heel lang is het niet geleden, dat het specialiteiten-gezelschap van Muller voorstellingen in den Parkschouwburg gaf. Bedriegt mij mijn geheugen niet, dan geschiedde zulks nog ruim een jaar geleden.
  Ik herinner mij destijds een paar uur naar het doen dier specialiteiten gekeken te hebben, en van dien avond is mij sterk bij gebleven het optreden van mej. Emilie Culp.
  Het gordijn werd gehaald. Het programma vermeldde het optreden van Mejuffrouw Emilie Culp, Hollandsche Soubrette en zoo wat iedereen wist dat er nu een beschaafde voordracht zou komen van niet-perverse, niet-bedekt-gemeene caféconcert-liedjes.
  Maar er gebeurde iets ongewoons.
In het café-concert is het gebruikelijk, en nóóit wordt daarvan afgeweken, dat de artiste eerst nà het eindigen van het ritournel uit de coulissen treedt, buigt en haar coupletten inzet.
Dien avond bij het ophalen van het scherm al, stond Emilie Culp onbewegelijk tegenover den dirigent.
  En gedurende haar geheele voordracht bleef zij houterig op datzelfde plekje staan. 

Zij liep niet heen en weer, maakte geen exit na slotcoupletten — het gordijn zakte, het gordijn werd gehaald en tekens had men de vreemde vertooning van dat stilstaand, onbewegelijk lichaam, verdwijnend en verschijnend, alsof de soubrette te onhandig was om zich over het tooneel te bewegen.
  In de zaal waren menschen die het er over hadden dat een Hollandsche soubrette toch maar stijf is, anderen waren zelfs gepiqueerd. Als je betaalde had je recht op goede artisten en zulk een soubrette had Muller niet moeten engageeren. Het oudere publiek dat Emilie Culp evenwel dikwijls vlug en lenig had zien optreden, applaudisseerde druk, begrijpende dat er iets aan het bandje was en ten slotte palmde ze iedereen in door haar levendige, intelligente voordracht.
  Ik herinner mij haar laatste coupletten.
Ze had driemaal achtereen voorgedragen, gaf op het dringend applaus een slotnummer met het refrein: „Zoo ’n dikkert, zoo ’n dikkert — daar heb je zoo’n stevige houvast an !” 
… En bij haar smakeiijk articuleeren èn haar armgebaren, die zeer reëel voorstelden hóé dik de dikkert wel moest zijn, begon het publiek zachtjes mee te zingen dat vroolijk, levenslustig refrein en opnieuw was er sterk applaus tot het gordijn voor de twééde maal zakte naar de voeten der onbeweeglijk staande jonge vrouw. 

  Dienzelfden avond hoorde ik wàt er „aan het handje” was. Een ziekte waaraan zij sinds eenigen tijd leed, maakte haar het loopen onmogelijk. Toch móést zij optreden voor haar brood en Muller die wist hóé gezien Emilie Culp bij het publiek was — niet bij het heerenpubliek, daarvoor was zij te fatsoenlijk — had er niet het minst bezwaar tegen haar een engagement te geven.
  Als het signaal-schelletje klonk, nam een der confraters haar op, droeg haar naar de plek waar zij wilde staan voordragen.
  Was het afgeloopen dan werd zij weder naar haar kleedkamer gedragen. Zoo „bemerkte” het publiek er weinig van.
  Het goede, beste, brave, eerlijke publiek dat ook Michel Solser heeft laten zieltogen op de planken, Michel dien ik nog bij zijn laatst optreden in zijn kleedkamer sprak, Michel, uitgemergeld, met armen als van een skelet.
  Maar z’n magerte was zoo fáméus-grappig. Z’n kleeren slobberden zóó komiek om het lichaam, alsof ze in den wind te drogen hingen. 

  Vandaag waren wij in het Israëlietisch gasthuis om een bevriend geneesheer af te halen. Toevalligerwijze hoorden wij dat Emilie Culp al gedurende een jaar, een ruim jaar was opgenomen. Wel zéér kort na haar optreden in den Parkschouwburg moet zij bedlegerig geraakt zijn.
  Wij zijn Emilie Culp gaan zien. Een aantal trappen — een aantal ziekenzalen — en dan héél boven — twee groote deuren — een kamerschut.
  De zaal is groot, zindelijk. Er staan bedden in rustige rijen, veel bedden met allemaal vrouwen, veel vrouwen met grijs haar. En| die kijken even op. Het is geen bezoekdag.
Boven het witte dek hoofden en paars-katoenen jakjes. Groote vrede. Heel innig-rustige vrede. Geen stratenlawaai. Zolderramen en een groote binnenplaats. Rondom den kachel oude vrouwtjes met neepjesmutsen. Ergens in de diepte der zaal een wieg.
  De verpleegster wijst een bed aan het einde der zaal, bij het achterste hoekraam. Wij gaan er heen, aarzelen, kijken naar een ànder bed, nòg naar een ander, herkennen niet.
  Maar ze is het toch en wij groeten, strak, nog niet begrijpend dat dit Emilie Culp is.
  En nu wil ik haar beschrijven voor iedereen, zooals ik haar gezien heb, gezien bij het matte, stille licht van het zolderraam.
  Zij ligt met de handen op het dek, magere, wassen handen en stil zijn haar vingers.
  Het hoofd in de deuk van het kussen is bleek, moe, met scherpe jukken, heel oud, o wel héél erg oud. Ruim een jaar beeft ze gelegen, gelegen bij dat hoekraam, kijkend naar de binnenplaats, kijkend de ziekenzaal over, kijkend de gesloten oogleden aan.
  Van straat klinken geen geluiden.
De stad lijkt dood, vèr-weg, vreemd.
  Er komen patiënten. Er gaan patiënten. Donderdags en ’s Zondags bezoekers, die vertellen van-wat-er-gebeurd-is.
   En anders de regelmaat van drankjes, eten, slapen, binnenplaats-kijkjes, ziekenzaalsmartjes, pijnlijke leven-herinneringen.
  Wij hebben Emilie Culp gezien bij dat hoekraam, de haren los-geslierd langs het hoekig hoofd tot op het paars-katoenen ziekezaalkleed, de oogen vermoeid, dof, gecerneerd.
  Wij spraken over zoo eenige dingen, waarover je spreekt als je zit bij een dood moede patiënt — dat het gasthuis zoo uitstekend voor zijn zieken zorgt — dat het er héél goed liggen is — dat het héél mooi is om ruim een jaar kosteloos te worden behandeld — en dat wanneer je er uitkomt je vanzelf tracht iets te schenken aan een gesticht waaraan je zòoveel te danken hebt: 

—je wèer gezond worden —je wèèr gezond worden — in de kracht van je jonge leven.
Het spreekt van zelf dat wij bij dit traineerend, zacht-fluistrend gesprek, dachten aan de Emilie Culp van vroeger, die wij zooveel jaren hadden zien optreden, Emilie Culp div haar succes te danken had aan haar vriendlijke voordracht nooit het wulpsch-mondaine van cbanteuses imiteerde.
  Maar niet om te reageeren op de sentimentaliteit van lezend publiek heb ik dit geschreven. Ik weet wel dat de behaaglijke huishoudkamers verzot zijn op contrasten, lief sentimenteele zaken zeer beminnelijk vinden en korte beschrijvingen als deze zoo spoedig vergeten als zij ze lezen.
  Er gaat zoo’n boel om in de groote stad. Toch heb ik dit verzoek: ge hebt toegejuicht, gelachen, zèlfs toen zij onbewegelijk en àl-ziek in den Parkschouwburg optrad — doet nu een vriendelijke daad, behaaglijk gezeten vrouwen, die haar hebt hooren voordragen — overal, het heele land door — en zendt naar dit hoekraam, dit eenzaam, rustig hoekraam wat frissche, eenvoudige bloemen. Ze worden over voetlicht toegestoken om ter wille van ijdelheid te verdorren. Waarom nú niet? Zijn zij niet liefste en hartlijkste groeten bij een zoo lang en gruwelijk ziekbed ? 

S. Falkland
(pseudoniem van Herman Heijermans) 

___________________________________________________________

15-01-1898 De Telegraaf, zaterdag 

  Emilie Culp.

Mejuffrouw Emilie Culp, aan wier treurig lijden S. Falkland onlangs een kort feuilleton wijdde, roept onze tusschenkomst in, ten einde aan allen die de zaal, waarin haar ziekbed staat, in een bboemenhof hebben herschapen, haren diepgevoelden dank te brengen. Van heinde en verre, uit kleine dorpen en groote steden zijn haar heerlijk geurende kinderen van Flora toe gezonden.
Die bloemen, zij hebben de lijderes verkwikt en haar goedgedaan.
De bloemen hebben haar in den waan van een benefiet gebracht.
Om kort te gaan, men heeft haar gelukkig gemaakt.

___________________________________________________________
 

20-01-1898 De Telegraaf, donderdag 

STADSNIEUWS. EMILIE CULP.
Woensdag, 19 Januari.

  Vandaag kan het slot geschreven worden voor het feuilleton van Donderdag-morgen jl.
  Toen wij verleden week het Gasthuis verlieten liep eene bloedverwante ons schreiend achterop.
En op die stille, tonige gracht vertelde zij ons snikkend dat de dokter zoo juist de familieleden had doen waarschuwen, dat zij driemaal per dag op bezoek konden komen. Dat wil zeggen dat de patiënt hopeloos was en elk oogenblik kon sterven. Ons, die haar nog pas gesproken hadden, trof dit zeer diep. En om dié reden vroegen wij bloemen, bloemen voor het sterfbed eener vergeten chanteuse.
  Dit laatste konden wij in ons feuilleton niet vermelden, omdat de mogelijkheid bestond dat zij De Telegraaf lezen zou. Vandaag ia daarvoor geen vrees meer. Heel vroeg in den morgen is de jonge vrouw overleden, liggende te midden der vele stapels bloemen, die vriendelijke lieden haar uit alle plaatsen des lands gezonden hadden. Ze heeft er gelegen, onbewegelijk met het onherkenbaar  verouwelijkt gelaat, met het gelaat eener oude vrouw die veel smarten doorleefd heeft, met het gele oude gelaat gericht naar de corbeilles, bloemtuilen, takken, bouquetten. Er was een overdaad van bloemen, ingekomen, bloemen met meer hart, meer sympathie gegeven dan ooit op vertooningen van benificianten in een propvolle zaal. Er waren groote, kostbare stukken in heel bescheiden kleine tuiltjes. Er kwam een groote mand met losse bloemen en een eenvoudig groen takje gepakt in bruin papier. De geheele week, dag aan dag, werden nieuwe frissche, andere bloemen bezorgd, wat telkens vreugde gaf op de geheele zaal, waar de zieke oude vrouwtjes zich verwonderden, waar de stervende, die zelf tot het laaste oogenblik niet geweten heeft zóó ver te zijn, doodzwak glimlachte  en opfleurde als ze namen las van vrouwen die haar die attenties bewezen.
  Zoo is Emile Culp gestorven, betrekkelijk gelukkig. Haar laatste denken moet bij de vreugde van bloemen èn bloemen geweest zijn.
  Ook nog hedenmorgen nà haar dood kwamen bloemen.
  Ik dank mijne lezers voor hunne vriendelijkheid, dank haar en hen voor deze sympathieke bijdragen. 

S. Falkland. 

  Postwissels uit Hoorn, Utrecht, Rotterdam, Leidse enz. zijn door de Redactie ontvangen en  onmiddellijk voor het verlangde doel gebruikt.
  Belangstellenden zij medegedeeld, dat de stoet Vrijdagmiddag één uur het Israëlietisch Gasthuis  verlaat. De begrafenis heeft op Zeeburg plaats.

___________________________________________________________
 

22-01-1898 De Telegraaf, zaterdag
STADSNIEUWS. 

Begrafenis Emilie Culp.

  Het is een aandoenlijke begrafenis geweest.
Half een al wachtte een zeer groote menigte aan de achterzijde van het Israëlietisch Gasthuis in de Nieuwe Kerkstraat. Op de binnenplaats van het Gebouw hadden zich een aantal caféchantant- en tooneelartisten vereenigd, die het lijk wilden volgen tot aan de grens der gemeente. Kransen werden aangedragen.
  Er was een belangstelling, een meeleven met deze begrafenis als zelden in het Ziekenhuis wordt bijgewoond. Voor de ramen van het Oudelieden gesticht verdrongen zich de oude vrouwtjes, babbelend, nieuwsgierig-kijkend. En boven op de balkons voor de ziekenzalen stonden de  pleegzusters, blauw en wit, tegen den hoogen valen muur.
  Een uur precies werd de kist over het plein naar den wagen gedragen. De familieleden sloten zich daarbij aan, en langzaam bewoog zich de stoet door de hagen van omstanders; een menigte die aangegroeid was en dicht opeengepakt aan de zijden der Nieuwe Kerkstraat en een deel der Weesperstraat stond te wachten.
Achter den lijkwagen gingen de leden der „Nederlandscgea Artisten Vereeniging”, insignes op hun borst, kleinere acteurs, komieken, chanteuses, circusartisten. De rijtuigen volgden.
Voor de Synagoge hield de lijkwagen stil. Dan sneller ging het naar Zeeburg, waar vele collega’s  der overledene den stoet opwachtten. In het lijkenhuisje sprak de godsdienstleraar de bloedverwanten hartelijk en uitvoerig toe. Daarna, bij het graf, werd het woord gevoerd door den heer Frits van Haarlem, die een krans van zichzelven èn een van den heer Carl Pfläging uit Rotterdam op de groeve lei.
Spreker herdacht de goede eigenschappen der zoo jong-gestorvene die een eerbare vrouw en een op dit oogenblik niet te vervangen couplet-zangeres was.
De president der „Nederlandsche Artisten-Vereeniging” sprak namens de collega’s, lei eveneens een krans op het graf en ten slotte sprak de heer Leon Boedels namens den heer Neugerath en de artisten van „Flora”.
De oudste broer van mejuffrouw Culp dankte voor de groote belangstelling.
Terwijl stond de menigte artisten aangedaan-luisterend. Bijna allen waren te voet gekomen om deze laatste hulde te bewijzen aan wat de wereld een „chanteuse” noemt, Het is heel goed dat op deze wijze een vrouw geëerd werd uit den kring der „specialiteiten” menschen die meerendeels eerlijker in hun vak zijn dan „tooneel-artisten”, die natuurlijk niets van zich hebben doen hooren. Dat was te verwachten. Er was geen openbare vertooning te voorzien. 

___________________________________________________________

Naar Ouders Simon Culp x Judik de Jong