1861-1862 Van kleiweg tot verharde weg

___________________________________________________________

De aanleg van de weg Warfhuizen/Roodehaan – Zuurdijk – Ewer – Houwerzijl in 1862

Een eeuwenoude weg
Wie tegenwoordig van Warfhuizen via Zuurdijk en Ewer naar Houwerzijl rijdt, zal zich waarschijnlijk niet realiseren dat hij gebruik maakt van een eeuwenoude weg. Het huidige asfalt doet nauwelijks vermoeden onder welke omstandigheden men zich hier vroeger moest verplaatsen.
Tot 1861 was deze weg niet meer dan een onverharde kleiweg.
In de zomermaanden was hij doorgaans redelijk begaanbaar, maar in de herfst en winter veranderde hij geregeld in een modderige hindernisbaan. Reizen deed men dan bij voorkeur te voet of te paard. Wie zich met een koets of sjees op weg begaf, liep het risico onderweg in de modder vast te komen zitten.
Hoe moeilijk het reizen in die tijd kon zijn, blijkt uit het feit dat vergaderingen van de vereniging Nijverheid in Leens bij voorkeur bij volle maan werden gehouden. Het maanlicht maakte het immers gemakkelijker om in het donker de weg te vinden.
Ook de belastingheffing op paarden leverde soms opmerkelijke situaties op. Veel boeren lieten hun paarden gedurende de wintermaanden uit de belastingregisters schrappen. Hun redenering was eenvoudig: een paard dat op stal stond, maakte geen gebruik van de openbare weg en hoefde volgens hen dus ook niet belast te worden.

De provincie krijgt oog voor het wegennet
Omstreeks 1850 begon de provincie Groningen en niet alleen daar steeds meer aandacht te besteden aan de verbetering van haar wegennet. De slechte bereikbaarheid van dorpen en landbouwbedrijven vormde een groeiend probleem, zeker in een tijd waarin het vervoer van landbouwproducten steeds belangrijker werd.
De aanleg van verharde wegen leidde tot uitvoerige discussies in de gemeenteraden en Provinciale Staten. De kranten deden daar uitgebreid verslag van. Ook ingezonden stukken van ondermeer H.W. Doornbos van Doornbosheerd ontbraken niet. Bewoners mengden zich soms fel in het debat over de vraag welke wegen voor verbetering in aanmerking moesten komen en wie daarvoor de kosten moest dragen.
Bijzonder veel aandacht ging uit naar de standpunten van twee Statenleden: Hendrik Willems Wierda, fabrikant te Winsum, en Willem Lues Dijkhuis van de boerderij Midhalm bij Vierhuizen. Hun uitspraken riepen regelmatig reacties op.

Zuurdijk wil niet achterblijven
Toen Houwerzijl inmiddels een nieuwe wegverbinding met Niekerk had gekregen, zal men zich in Zuurdijk hebben afgevraagd waarom het eigen dorp nog altijd met een moeilijk begaanbare kleiweg genoegen moest nemen.
Enkele belanghebbende landbouwers besloten de handen ineen te slaan. Er werd een commissie gevormd die de mogelijkheden voor een verharde weg van Warfhuizen over Zuurdijk en Ewer naar Houwerzijl moest onderzoeken.

De commissie bestond uit twee leden en een secretaris:
Roelf Eijes Torringa, landbouwer op Hayemaheerd te Ewer;
Jan Ennes Hekma, landbouwer op Huizingheem te Zuurdijk;
Berend Reinders Dijksterhuis, schoolmeester te Warfhuizen, als secretaris.

De initiatiefnemers gingen voortvarend te werk. In 1861 kon de commissie melden dat belanghebbenden al de helft van de geraamde aanlegkosten hadden toegezegd.
Daarmee was een belangrijke eerste stap gezet. Vervolgens kwamen ook de gemeente en de provincie in beeld. De door de commissie opgestelde begroting werd beoordeeld en de ambtelijke besluitvorming kwam op gang.

Niet alleen verharding, maar ook een beter tracé
De commissie wilde meer dan alleen het aanbrengen van een verharding op de bestaande kleiweg. Op verschillende plaatsen moesten ook scherpe bochten verdwijnen.
Dat gold onder meer voor de gedeelten bij de boerderijen Barnegaten, Karpo en Dijkstede en bij de Ewerder Tocht.
Bij Ewer werd zelfs een geheel nieuw wegtracé voorgesteld. De bestaande weg onderlangs de dijk zou vervallen en worden vervangen door een verbinding die dichter langs de bebouwing van Ewer liep.
Ook bij de boerderij ’t Gansehuis werd het tracé gewijzigd. Daar werd de weg verplaatst van de buitenzijde naar de binnenzijde van de dijk.

De omstreden wegverlegging bij Ewer
Vooral de verlegging van de weg bij Ewer trok de aandacht. Niet iedereen was overtuigd van de goede bedoelingen van de initiatiefnemer Roelf Eijes Torringa.
Over Roelf Eijes werd gezegd dat hij als ‘dikke boer’ wel erg goed voor zichzelf had gezorgd: de nieuwe weg kwam immers vlak langs zijn eigen boerderij Hayemaheerd te lopen.
Dat de nieuwe verbinding voor Torringa gunstig was, valt moeilijk te ontkennen. Maar daarmee was de keuze nog niet onlogisch.
Door het nieuwe tracé kregen de drie boerderijen rond de grote wierde van Ewer en de daarop gelegen arbeiderswoningen een veel betere ontsluiting. Voor de boerderijen Doornbosheerd en Freeburg betekende de wijziging nauwelijks een verslechtering van hun bereikbaarheid.
De wegverlegging kan daarom ook worden beschouwd als een verbetering van de verbinding voor de buurtschap als geheel.

Een omvangrijk werk
In 1862 kwam de verharde weg gereed. Daarmee kreeg het gebied een verbinding die aanzienlijk beter begaanbaar was dan de oude kleiweg.
De omvang van het werk was voor die tijd indrukwekkend. Uit het bestek en de begroting blijkt dat niet alleen de verharding, maar ook de afmetingen van de weg en de hellingen van de taluds nauwkeurig waren voorgeschreven.
De totale lengte bedroeg 6.840 el, oftewel 6.840 meter.
Voor de aanleg waren volgens de begroting onder meer de volgende hoeveelheden materialen nodig.
Het benodigde zand was hoofdzakelijk afkomstig uit het Reitdiep. Daarnaast voorzag de begroting in 100 vierkante el keienbestrating voor stoepen.

Honderden scheepsladingen en duizenden wagenritten
Misschien nog indrukwekkender dan de aanleg zelf was het vervoer van de enorme hoeveelheden bouwmateriaal.
Volgens de stukken zou een derde van het puin en grind over water worden aangevoerd met vletten. Het overige materiaal moest per as, dus met paard en wagen, worden vervoerd.
Bij een geschat totaalgewicht van 7.114 ton aan puin, grind en zand zou het vervoer een bijzonder omvangrijke onderneming zijn geweest.
Wanneer wordt uitgegaan van een laadvermogen van ongeveer 20 ton per vlet, komt 7.114 ton overeen met circa 356 scheepsladingen. Bij een laadvermogen van 750 kilogram per wagen zou dezelfde hoeveelheid bijna 9.500 beladen wagenritten vergen.
Dit zijn rekenvoorbeelden om de omvang van het werk duidelijk te maken, geen aantallen die rechtstreeks uit de archiefstukken blijken. In werkelijkheid werden de materialen immers deels over water en deels over land vervoerd.
Hoe dan ook moet de aanvoer voor een ongekende bedrijvigheid in de omgeving hebben gezorgd. Schepen met bouwmateriaal, paarden, wagens en arbeiders zullen maandenlang het beeld langs de route hebben bepaald.

Waar werden de schepen gelost?
Een interessante vraag waarop de bewaard gebleven stukken geen antwoord geven, is waar de vletten hun lading losten.
Werd het materiaal aangevoerd via de havens van Warfhuizen, Leens of Houwerzijl? Was de Swalve destijds nog bevaarbaar en kon ook die waterweg worden gebruikt?
Of werd er rechtstreeks vanaf het Reitdiep gelost, bijvoorbeeld bij Roodehaan of bij de aan het water gelegen boerderijen Barnegaten, Stoepemaheerd, Castor, Pollux, Freeburg, Doornbosheerd, Hayemaheerd en Nieuw Ewer?
Het zijn mogelijkheden die nader onderzoek verdienen.

Vermoedelijk stonden de precieze losplaatsen, de transportafspraken en de leveranciers vermeld in de administratie van aannemer H. B. Harkema. Helaas zijn diens boeken en bescheiden, voor zover bekend, niet bewaard gebleven.

Ook de herkomst van het materiaal roept vragen op.
In de begroting wordt nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen puin, grind en keijen bestrating. Maar wat werd in dit geval precies met puin bedoeld?
Ging het om gebroken bakstenen, om gebroken natuursteen of om een combinatie van beide?
Het bestek vermeldt geen herkomstplaatsen, steengroeven, handelaren of leveranciers.
Dat is jammer, want in dezelfde periode werden op veel meer plaatsen in Groningen wegen verhard. Daarvoor waren grote hoeveelheden puin, grind en zand nodig.
In Drenthe bestond destijds een levendige handel in veldkeien. Deze werden onder meer tot kleinere stukken geklopt en als verhardingsmateriaal gebruikt. Het is daarom goed mogelijk dat een gedeelte van het puin voor de weg over Zuurdijk uit Drenthe afkomstig was. Bewijs daarvoor is in de onderzochte stukken echter niet gevonden.
Ook afbraakpuin van gebouwen kan een rol hebben gespeeld. Bruikbare bakstenen werden vroeger doorgaans zoveel mogelijk opnieuw gebruikt. Wat niet meer geschikt was voor hergebruik, kon worden stukgeslagen en als verhardingsmateriaal dienen.
Van dergelijke toepassingen zijn ook in de omgeving voorbeelden bekend.
Na de brand van boerderij Kooyenburg in 1923 werden voor de herbouw nieuwe bakstenen gebruikt. Wat er met de oude stenen is gebeurd, is niet bekend.
Van de in 1929 door brand verwoeste boerderij Hayemaheerd is bekend dat een gedeelte van de bakstenen werd gebruikt voor het verharden van het heem en het wagenpad naar de dijk.

Toch lijkt het niet aannemelijk dat er rond 1862 in de omgeving zoveel gebouwen werden afgebroken dat daarmee voldoende puin beschikbaar kwam voor de verharding van een weg van bijna zeven kilometer.
De herkomst van de duizenden kubieke meters puin blijft daarmee een van de interessante onbeantwoorde vragen.

Wie betaalt, bepaalt?
Uit de archiefstukken komt nog een opmerkelijk aspect van de besluitvorming naar voren.
Aanvankelijk hadden de belanghebbenden zelf het initiatief genomen en waren zij bereid een aanzienlijk deel van de aanlegkosten te dragen. Naarmate duidelijker werd dat de provincie mogelijk niet alleen de weg, maar ook het toekomstige onderhoud voor haar rekening zou nemen, veranderde hun opstelling.
De eisen die aan de uitvoering werden gesteld, lijken gaandeweg minder hoog te zijn geworden toen duidelijk werd dat de financiële verantwoordelijkheid bij de provincie zou kunnen komen te liggen.
Het is een interessante rode draad in de stukken: niet alleen het belang van een goede weg speelde een rol, maar ook de vraag wie uiteindelijk voor de aanleg en het onderhoud moest betalen.

De weg van 1862 ligt er nog altijd
Wie de huidige weg van Warfhuizen over Zuurdijk en Ewer naar Houwerzijl op een wegenkaart bekijkt, ziet nog altijd het tracé dat in 1862 werd aangelegd.
Hoewel het grind inmiddels door asfalt is vervangen, is het verloop van de weg gedurende meer dan anderhalve eeuw nauwelijks veranderd.
Dat maakt de weg tot een tastbare herinnering aan een periode waarin landbouwers, dorpsbewoners, gemeentebestuurders en de provincie gezamenlijk werkten aan de ontsluiting van het Groninger platteland.
Wat tegenwoordig een vanzelfsprekende verbinding tussen dorpen lijkt, was in 1862 het resultaat van jarenlang overleg, discussies over belangen en kosten, ingrijpende grondwerken en een indrukwekkende logistieke operatie.

De archiefstukken
In de Groninger Archieven zijn de stukken over de voorbereiding, besluitvorming en aanleg van deze weg bewaard gebleven.
Vindplaats: Groninger Archieven, toegang 1099, inventarisnummer 11488.
De documenten zijn getranscribeerd om de inhoud toegankelijker te maken voor iedereen die belangstelling heeft voor de geschiedenis van Zuurdijk, Ewer en de omliggende streek.
Ze geven niet alleen inzicht in de technische uitvoering van een negentiende-eeuwse weg, maar vertellen ook over de mensen die het initiatief namen, de belangen die meespeelden en de veranderingen die de aanleg voor de streek teweegbracht.
Juist die combinatie maakt de geschiedenis van deze weg de moeite waard om opnieuw te vertellen.

___________________________________________________________

Naar Besluitvorming 1861-1862 reconstructie kleiweg
Naar boerderij Hayemaheerd