| ___________________________________________________________ |
Groningen den 9 April 1862
No 881 Weg van den Hoorn over Zuurdijk naar Houwerzijl
2 Bijlagen en 1 bijlage terug
Ik heb de eer UEdelGrootAchtbaren hiernevens te doen toekomen:
1º Het bestek en voorwaarden wegens het aanleggen van eenen grindweg van af den Kunstweg van den Hoorn naar de Roode Haan over Zuurdijk naar Houwerzijl
2º Een begrooting van kosten van genoemd werk, met aanbeveling voor zooveel noodig, om eene spoedige besteding wel te willen bevorderlijk zijn, daar de vordering van het saizoen daartoe dringt, en ook belanghebbenden reikhalzend naar eene besteding uitzien.
Bij de inzending dezer stukken welke mij bij brief van 31 Maart jl No 807 van den Aspirant Ingenieur Blom geworden zijn, neem ik tevens de vrijheid te retourneren het adres der Commissie over den aanleg van genoemden Kunstweg, aan het slot waarvan zij verzoeken, dat die kunstweg worde voorgedragen zonder zandbedding onder een gedeelte daarvan, en zonder Klinkerstraat door het dorp Zuurdijk, zoomede, dat de glooijingen door Uw Collegie worden bepaald onder 1 op 1.
Uw verlangen is, dat aan de bedenkingen van adressanten voor zoo verre niet in strijd met de ondervinding, worde te gemoet gekomen.
Ik neem de vrijheid, betreffende de door adressanten aangevoerde gronden in het midden te brengen, dat zij zich mijns inziens op een verkeerd standpunt stellen, zoo zij beweren, dat het bedrag van het begrootingscijfer zoo als zij dat hebben aangeboden, niet mag overschreden worden. Zij beroepen zich op mijn vroeger uitgebragt rapport, maar dat gaat niet aan. Immers, toen was er geen sprake van een weg die door de provincie aangelegd, ook aan deze in onderhoud zoude overgaan, toen werd subsidie gevraagd door de gemeenten, voor een weg, welke door de gemeente zoude worden aangelegd, en door de provincie gesubsidieerd.
Toen nu later door de betrokkene gemeenten andere voorstellen werden gedaan, toen meer verlangende en de Staten besloten, dat de weg in aanleg door belanghebbenden bekostigen, later in onderhoud bij de provincie zoude overgaan, was het duidelijk, dat belanghebbenden zich verpligtten en den weg aan te leggen op eene wijze, zoo als de provincie zulks zoude doen, wanneer zij zulks uitsluitend moest bekostigen, en waarbij in het oog wordt gehouden een zoodanigen aanleg voor te stellen, als de belangen van het inkomstig onderhoud vorderen.
Met andere woorden, mijne zienswijze, mijn oordeel over de voordragt van eenen Kunstweg is, of kan niet gelijk zijn, wanneer die weg door gemeenten of belanghebbenden, dan wel door de provincie wordt aangelegd, en mijne rapporten getuigen zulks, daar ik steeds mijne opmerkingen bij het beoordelen van den aanleg van gemeentelijke wegen, bij wijze van raadgeving mede deel.
Wanneer de provincie zich moest binden aan de begrooting welke belanghebbende gemeenten dan inzenden, en welke wel nagegaan en nagecijferd worden, maar niet op het terrein nagemeten, dan zouden ook alle mogelijke abuizen daarin ontstaan, voor rekening der provincie komen wanneer men later de staten mogt weten te bewegen, den weg voor provinciale rekening te nemen, en dat kan immers nooit de bedoeling zijn.
Ik heb mij dus verpligt geacht Uwe vergadering een ontwerp aan te bieden, zoo als ik meen dat het provinciaal belang zulks vordert, met het oog op het volgend onderhoud, en zooals ik dat zoude doen, wanneer de provincie alleen den weg betaalde.
Ik kan mij niet voorstellen, dat de gunstige gezindheid der Staten, om dien weg bij de provincie in onderhoud te nemen, tevens de verplichting insluit, om dien weg naar de denkbeelden van eene zich opgeworpene Commissie daar te stellen, welke met het oog op de bepaling dat het onderhoud aan de provincie overgaat, zich doorgaans weinig bekreunt, of die aanleg de beste is, mits dezelve slechts weinig kost.
Het is dan ook om die rede, dat ik voor het gedeelte van Houwerzijl tot Zuurdijk een zandbed onder de puinlaag heb voorgedragen, omdat zulks eene bepaalde verbetering is, en in de Kleistreken in Hanover overal gevolgd wordt, (doch dan tot een dikte van 0.50 El) omdat de weg dan drooger ligt, het water beter door kan zakken, en veel minder onderhoudsmaterialen vordert. Over die geheele lengte is ter tegemoetkoming der kosten, de puinbaan met 3 duim, en de grindbaan met 1 duim verminderd.
Ik heb verder om die reden eene Klinkerstraat te Zuurdijk van slechts 250 El lang voorgesteld, omdat in de kommen der gemeenten, tenzij in Zandstreken, de grindwegen doorgaans vuil en modderig zijn, en dus voor voetgangers ongeriefelijk.
En wat eindelijk, de oude strijd over de glooijingen der wegen betreft, ik zoude Uw geduld op de proef stellen, door alles te herhalen, wat voor eene glooijing van 1½ op 1 pleit. Men wende zijne blikken slechts naar alle wegen en men zal zien, dat waar de glooijingen van 1 op 1 zijn, en de slooten eene eenigzins beduidende diepte hebben, de afkalvingen niet achterwege blijven. Het vreemdst is evenwel, dat adressanten vroeger, toen zij subsidie van de provincie vraagden, de glooijingen onder 1¼ op 1 voorstelden, maar, sedert de weg aan de provincie zal overgaan, 1 op 1 genoegzaam achten!
Mogten zij evenwel aan eene glooijing van 1 op 1 blijven hechten, dan bestaat er nog mogelijkheid aan haar verlangen te voldoen, mits op de halve slootdiepte, dat 0,64 El onder den kant van den weg eene berm blijft staat van 0,75 el breedte aan de wegzijde, en men zich verbindt de gevorderde meerdere oppervlakte grond te leveren, welk zulks vereischen zal.
De tijd is echter te verre gevorderd, om daarover met hun nog in onderhandeling te treden, alle uitstel van den tijd der besteding werkt schadelijk op de aannemingssom, zoodat ik de eer heb Uwe vergadering in het belang der zaak in bedenking te geven aan de gemeente besturen (zoo zulks noodig zij) te vragen, of men genegen is het tekortkomende aan hunne vroegere raming bij te voegen, hetwelk als een maximum te beschouwen is, want bij de besteding, is doorgaans een rabat. Men zoude hen daarbij tevens kunnen herinneren, dat de begroting van f 32840 = op ieder geval zoude overtroffen worden, al ware in de voordragt van 1861 niets veranderd, omdat thans ook door hen geheel andere eischen zijn gedaan, waartoe ik slechts behoef op te noemen, het naar buiten leggen of overwerken van den dijk dat veel verder moet geschieden, dan vroeger het plan was, en veel minder geld vordert, dan waarop het was begroot; terwijl eindelijk de winst en onkosten in de begrooting van 1861 te laag berekend zijn, terwijl vele andere posten meer op raming berusten, dan wel op vooraf gaande meting of opneming, thans een ander Cijfer in de begrooting worden.
Mogt men, om eene mij onbekende rede bezwaar vinden om de gemeenten met de bepaling van het meerder gevorderde geheel te belasten, dan raad ik aan de helft voor rekening der provincie te nemen, als in het werkelijk belang van ‘t inkomstig onderhoud gelegen.
De aangewende kosten tot uitbakening van de rigting des wegs enz., voor zoo verre dit voor de vaststelling op het terrein en de redactie des besteks gevorderd werd, die echter van geen overwegend belang zijn, zullen overeenkomstig de bestaande voorschriften bij de aanwijzing in loco aan de gadingmakenden worden kenbaar gemaakt, ten einde door hem die aannemer wordt, te worden gerestitueerd.
De Hoofdingenieur van den Waterstaat in het 1e district,
C. Brunings
| ___________________________________________________________ |