17-03-1965: Zilveren Broodmand uitreik aan C. van Stolk

___________________________________________________________

15-03-1965 De Nederlandse Industrie
Zilveren Broodmand voor de heer C. van Stolk
 

  Op 17 maart heeft de heer H. J. de Koster in zijn functie van voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Meelfabrikanten de jaarlijkse prijs van deze organisatie, de Zilveren Broodmand, uitgereikt aan de heer C. van Stolk. De onderscheiding is een erkenning voor het vele werk, dat de heer Van Stolk sinds vele jaren, ook tijdens de wereldoorlog, voor de Nederlandse voedselvoorziening heeft verricht. []

  De uitreiking van dit kleinood is een traditie geworden van Nederlandse Vereniging van Meelfabrikanten, die talrijke figuren uit de wereld van overheid en bedrijfsleven bijeen doet komen.

___________________________________________________________

12-03-1965 Nieuwe Haarlemsche Courant, vrijdag
C. van Stolk
Twee verdiensten

  Maar heel weinig mensen hebben ooit beseft dat de Nederlandse regering in Londen er voor gezorgd heeft, dat er onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog tenminste iets in Nederland te krijgen was. Een Poolse afgevaardigde in de United Nations heeft eens vlak na de oorlog me gezegd: „U heeft er voor gezorgd, dat Nederland de andere Europese landen een jaar voor was”. En dat is waar, niet zozeer wat mijn aandeel daarin maar wèl wat het feit zelf betreft”.
  Vooral de laatste opmerking typeert de heer C. van Stolk.
Eigenlijk voelt hij niets voor de onderscheiding („De Zilveren Broodmand”) die de Nederlandse Vereniging van Meelfabrikanten hem op woensdag wil uitreiken. „Wat ik gedaan heb is zo vanzelfsprekend. En wanneer ik nu nog een ambitieus man was…”.
De heer Van Stolk maakt zijn zin niet af, maar zijn ogen lachen. „Enfin, ik voel mij toch wel thuis in dat ambtelijke milieu. Ik heb ook zo lang met de overheid te maken gehad.
  Op de vraag of hij weet op grond van welke verdiensten hij de Zilveren Broodmand krijgt geeft de heer Van Stolk een antwoord, dat eigenlijk een kant en klaar verhaal is.
„Ja, ik meen dat ik twee „verdiensten”, zoals men dat dan noemt, heb. In de jaren 1932-’34 in de economische crisis dus, heb ik er toe bijgedragen, dat de Nederlandse maalindustrie op een economische basis kon blijven doorwerken. In die dagen ging het natuurlijk ook in de landbouw beroerd. De boeren kregen van de regering de zogenaamde tarwe-steun. Maar dit bracht met zich dat er Nederlandse tarwe in ons brood verwerkt moest worden. Daar ons graan gesubsidieerd werd ging het natuurlijk niet aan uitsluitend het betere Amerikaanse graan voor onze broodindustrie te gebruiken.
Nu is er een onbewijsbare economische wet, die zegt dat van boven opgelegde produktiemethoden onveranderlijk op moeilijkheden uitdraaien.
In 1932 dreigden de meelfabrikanten elkaar uit te moorden. En dat moest tegen iedere prijs voorkomen worden. Men mag namelijk niet het risico lopen dat er op een kwaad moment te weinig producenten in de levensmiddelenbranche zijn. Bij een calamiteit kan dat verschrikkelijke gevolgen hebben. Ik heb toen op verzoek van de regering de fabrikanten rond de tafel gebracht en tot samenwerken bewogen. Deze samenwerking zag er op het eerste gezicht als een kartel uit, maar zij bestaat nog zonder dat ooit misbruik is gemaakt van de monopolistische positie, die de verenigde fabrikanten toen verworven hebben”. 

  „Mijn tweede verdienste zou kunnen zijn, dat ik in de oorlog in Amerika voor ons land ”voeding en dekking” gekocht en opgeslagen heb om meteen bij de bevrijding tenminste iets achter de hand te hebben.
Dat ik dat heb kunnen doen is dom geluk geweest. Ik was toevallig in New York om een vestiging van mijn bedrijf in Rotterdam, de Van Stolks Koninklijke Commissiehandel N.V., op te zetten toen de oorlog uitbrak en de terugtocht afgesneden werd.
De Nederlandse regering in Londen vroeg mij over te komen om inzake de voedselvoorziening advies uitte brengen. Ik heb onmiddellijk gezegd dat de oorlog nog wel een paar jaar duren kon en wanneer deze afgelopen was er in het hele land wel niets meer te eten zou zijn. Ik werd aangesteld tot regeringscommissaris met de opdracht in Amerika reservevoorraden te vormen”.  
  „Met zeven man zijn we toen aan het werk gegaan. In 1945 hadden we op zestig plaatsen in heel Amerika in totaal 365.000 ton goederen opgeslagen. Maar hoe meer we bezaten, hoe onrustiger ik sliep. Op de eerste plaats was daar de voortdurende strijd tegen het bederf van de levensmiddelen. Maar ook hierbij heb ik veel geluk gehad. In 1945 had ik geen enkel verlies.
Nu wist ik als graanhandelaar van tarwe en zo alles af, maar van leer. katoen, vet, rijst, tabak en noem maar op had ik geen notie.
  Neem nu vet. Nooit had iemand het langer dan zes maanden bewaard. Maar het zag er naar uit dat ik het een paar jaar zou moeten bewaren. Juist op het moment dat ik met de houdbaarheid van vet te maken kreeg maakte ik kennis met een scheikundige van een blikfabriek. En drie maanden later hadden zij een speciaal conserveringssysteem voor reuzel bedacht.
Ze hebben het nota bene nog naar Koningin Wilhelmina genoemd. Nu is dat systeem bij de reuzelfabricatie standaard. Ik heb ook eens een partij tabak kunnen behouden dank zij de voorspraak van een Argentijnse bisschop bij de toenmalige machthebber in Argentinië, die zijn eigen oogst verloren had zien gaan en zijn verlies met mijn voorraad tabak goed wilde maken.
Tijdens de huldiging kom ik op dit alles nog uitgebreid terug. Dan zal ik ook de namen noemen van al die mensen, die bij beide activiteiten zo’n voorname rol gespeeld hebben.
Mijn vrouw komt speciaal uit Amerika, waar ik nog steeds woon ook al heb ik het roer van de zaak aan mijn zoon overgegeven, over om de huldiging mee te maken”. 

___________________________________________________________

Naar Uitreikingen “Zilveren Broodmand”