Windsingels bij Boerderijen en Bomen dicht bij Zee

___________________________________________________________

21-10-1911 Buiten, geïllustreerd weekblad aan het buitenleven gewijd

BOOMEN DICHTBIJ DE ZEE  

door Mr. W. REILINGH.  

  EEN deel van mijn zomervacantie bracht ik door in den Noordwesthoek van de provincie Groningen, van ouds „de Marne” geheeten. ’t Was er warm evenals den verloopen zomer overal. Maar de bijna onmiddellijke nabijheid van de Noordzee liet zich toch niet geheel onbetuigd. En er was ook hier en daar wel goede gelegenheid om onder het loof van hooge, bladerrijke boomen de verkwikkende schaduw te zoeken.
  Misschien kijkt hier een lezer verbaasd op van het blad.
Hooge boomen, dicht gebladerte, zoo nabij de zee dat men haar bulderen dikwijls duidelijk hoort! Die eeuwig waaiende westelijke en noordelijke winden, zoo vaak tot de boomen zwiepende stormen overgaande, maken het immers onmogelijk in die streken wat anders te kweeken dan armzalige, kromme stumpers. Ieder stap dien ge daar op de wegen doet, bewijst dat. Men heeft er boomen op de bermen geplant. De wind heeft ze voor altijd bedorven. 

  Met de enkele boompjes, die bij alleenstaande huizen zijn gepoot is het niet anders. Wilt gij u er van overtuigen ? Kom! wij gaan de Marne in; vlug rijden wij de hoogte af waarop de dorpen Winsum en Obergum als een tweeling zijn gelegen.
Zoodra wij ’t laatste huis gepasseerd zijn zien wij aan beide kanten van den weg boomen, wier uiterlijk ons verkondigt, dat hun bestaan is een voortdurende worsteling om het leven. Maar… wat zien we daar voor ons uit ? Daar vertoont zich onverwacht een boomenmassa aan ons oog, Eenige boerderijen liggen er in verscholen. Och, wat ligt dat gehuchtje Maarhuizen er mooi! Hier en daar, het veld in, of aan den weg, zien we ook boerderijen in kostelijk geboomte gelegen. Als we dorpen naderen, meer boomen. En als we een uurtje gereden hebben, steeds in westelijke of noordwestelijke richting door, dus steeds meer de zee naderen, dan zien we iets wat wij zonder twijfel in ’t geheel niet hadden verwacht: een golvende grond, in ’t groen verscholen villa’s, daar voor ons uit dicht hout!
Als ge er bekend zijt, dan zult ge uw vragenden reisgenoot zeggen: nu naderen wij het dorp Leens, die uitgestrekte verheffing van den grond is „de Wierde”, en dat mooie geboomte daarvóór ons is de laan naar het oude landgoed ,,Verhildersum” en het boomgewas van zijn omgeving!
’t Vorig jaar heeft men daar, heerlijk voor de zonnehitte beschut, nog een drukbezochte godsdienstige openlucht-bijeenkomst gehouden.
Van welke zijde men het dorp ook nadert, men ziet meer groen dan huizen; op de hoogte (een andere „wierde”), waarop de kerk en ’t oude gedeelte van ’t dorp staan, verheffen zich zware boomen.
En als ge niet uit het Oosten, maar uit het Westen, van de kant van Zoutkamp kwaamt, zou uw indruk weinig anders zijn.
  Want ongeveer 10 minuten van het dorp ziet ge daar weer een uitgestrekte wierde. Zij heet „de Houw”. Daarop bewondert ge een groep van groote schoone boerderijen, omgeven door zwaar geboomte; dan valt uw oog, men zou haast zeggen: op dat prachtige bosch, waaruit hier en daar een witte villa*) probeert te kijken; eindelijk ligt daar voor u het dorp, in zijn volle breedte geheel in ’t groen. Maar laat ons nog eens dat erf, waarop die witte villa zich in ’t groen verschuilt, wat nader bekijken. Ik zei reeds: ’t gelijkt op een bosch; dat komt van den hoogen en dichten mantel van iepen, ahornen, elzen, italiaansche en kanadeesche populieren, met onderhout van hazelaars, vlierstruiken enz.; de meesten gaan kaarsrecht tot een 15 Meter omhoog. Als ge dat erf betreed en de groote linden en forsche kastanjes, die de voorzijde van het huis overschaduwen, bewonderd hebt, dan ziet ge dat die mantel verschillende vruchtboomen en andere fijnere houtsoorten beschut voor Boreas’ woede. Hoe hij ook blaze, zij zijn er veilig.
In ’t midden van den tuin, op een groot grasperk, of juister gezegd, op een grasperk, dat eenmaal groot was, maar nu op een klein randje na geheel door hem is ingenomen, verheft zich, aan alle kanten vrij, een paardekastanje; een pracht van een boom! Zie maar de afb., welke hierbij is gevoegd.
Hij is meer dan 10 Meter hoog, de onderste takken spreiden zich over zijn geheelen omvang over het gras uit. Van boven tot beneden geen enkel hol plekje, een model, zooals een kerngezonde boom dit kan wezen zonder stijf te zijn. Alleen aan ééne zijde is een poortje opengelaten, waardoor men kan komen in de ruimte, onder de takken van den reus vrijgebleven.
Ja! een reus is het. Dat zegt ons reeds zijn hoogte, maar nog meer zijn omvang. Goed gemeten, precies rakelings bij zijn bladen langs, ruim 57 Meter. En hoe oud zou hij wel zijn? Zeker niet ouder dan vijfenveertig jaar!

de houw kastanjeboom Oosterhout windsingel Wie de 2 dames zijn is nog niet bekend 

*) Oosterhouw, het notaris- en doktershuis

  Is het nu niet zoo klaar als de dag, dat dicht bij onze Noordzeekust in ’t algemeen en in de Noordwesthoek van Groningen, die de Marne heet, in ’t bizonder, boomen en wel prachtige boomen kunnen groeien ?
  Deze landstreek kan op verschillende factoren van schoonheid bogen. De „wierden”, die den grond ietwat heuvelachtig doen schijnen; de rondom verspreide dikwijls schilderachtig gelegen dorpen; de prachtige luchten, die alles in ’t heerlijkste licht hullen; de veldgewassen, in ’t voorjaar, als zij den grond met een frisch groen tapijt bedekken; of in den zomer, als de gepluimde gerst, de blonde haver, de goudene tarwe, de witte of roode klaver dien met de rijkste kleurenpracht doen prijken — zij brengen ieder, die gevoel heeft voor natuurschoon, tot bewondering. 

Maar, als men, opgetogen door het schouwspel dat zij bieden, geniet, voelt men toch rijzen de gedachte: hoeveel zou dit in pracht winnen, wanneer meer boomen hier meer kleurschakeering, meer licht en schaduw brachten en als ’t ware de lijst vormden, waarin al die heerlijkheid werd gevat. Gij twijfelt of de mogelijkheid daarvan bestaat ? Denk daarover echter niet te ongunstig. Wij geven toe dat het geboomte dicht bij de zee een machtigen en hardnekkigen vijand heeft, den zeewind! Maar wij vinden ook hulp bij een vriend van groote beteekenis: den vruchtbaren bodem. Die bestaat niet altijd uit harde, stijve, koude klei, maar kan ook, gelijk hier, zijn wat men noemt zavelige grond, een mengsel hoofdzakelijk van klei en zand, dat de boomwortelen vergunt in de diepte door te dringen en daar het voedsel voor den boom in ruime mate te vinden. Kan men dus de schade door den zeewind weren of tot een minimum terugbrengen, dan kan men de hoop voeden boomen te verkrijgen, die de moeite van ’t poten en het stuk grond dat zij innemen vergoeden door hun waarde aan hout en door het bijdragen tot de verfraaing van ’t landschap.   Welnu! de schade kan men voor een groot deel weren. De feiten door ons vermeld bewijzen het. Vergun ons dat wij een poging doen om die feiten te verklaren. Wanneer men een hoeveelheid water met kracht tegen een muur werpt, dan ziet men dat het water niet alleen den muur raakt, maar ook weer terug- en voor een gedeelte omhoogspringt.
’t Gevolg is dat er boven de plek, die geraakt en nat geworden is, het water een zekere hoogte heeft bereikt zonder dat de muur achter die opspringende massa nat werd, dus: getroffen werd,
’t Zelfde effect kunnen wij bij het slaan van windstooten op voorwerpen die hen in den weg staan, dus ook op boomen, waarnemen: De boom wordt geraakt, maar een deel van de windgolf slaat omhoog, daarachter komt een stil plekje. Zoo wordt als er niet één boom staat maar meerdere volgen, elke boom door zijn voorganger voor een deel beschermd tegen de groote heftigheid van den wind. Het aantal behoeft zelfs zoo heel groot niet te zijn om opvolgende boomen een gunstiger gelegen heid tot groeien te verzekeren. In de nabijheid van de zee, aan de zijde vanwaar de booze zeewind blaast, ziet men de boomen bij elken volgenden boom niet alleen hooger, maar ook steeds van meer normalen groei worden.
Met andere woorden: Wie in streken, waar van denzelfden kant steeds een sterke wind waait, dus ook dicht bij de zee (althans in ons land), goede boomen wil verkrijgen, moet er op rekenen dat altijd een zeker getal aan het welzijn van de anderen moet worden opgeofferd. Is door hun offer een genoegzame hoeveelheid goede boomen verkregen, sterk genoeg om verder zelfstandig wind en storm te kunnen trotseeren, dan kan men aan deze de ruimte geven om zich in hun volle kracht en schoonheid te vertoonen, door die windbrekers op te ruimen.
  Meer tegenwerking dan van den wind vrees ik echter van den landbouwer en den grondeigenaar. Uit een oogpunt van economisch nut en zeker ook een weinig van eigen voordeel, zullen zij wijzen op dien kostelijken zavelgrond, die zulke rijke oogsten oplevert. En zij hebben recht van spreken. Wie in de Marne vruchten te velde ziet staan, moet zeggen: hier staat de landbouw hoog. Maar wij vragen niet dat alles met boomen zal worden beplant. Wij meenen evenwel dat voor de eischen van het nut die van het schoonheidsgevoel niet geheel afgewezen mogen worden. Beide zijn ook dikwijls te vereenigen. In de bouwlanden kan men zeker geen boomen gebruiken, maar zou in een weiland een groepje boomen het in den regel niet „mooi doen ? En zal dat altijd schade doen? Wat de beesten m gezondheid, flinken groei, melkopbrengst van de schaduw kunnen profiteeren weegt meer dan op tegen het verminderen van den omvang der grasoppervlakte. Hoeveel stukjes grond zouden er bij goed toezien worden gevonden, waar met evenveel voordeel boomen te poten zijn als koren zou kunnen worden gezaaid. Vooral onder de beschutting van dorpen en ook van vrijstaande huizen. En kan dan bezwaar van verlies aan voor den landbouw geschikten grond wel in vollen ernst worden gemaakt? Roep u nog eens die kreupele boomen op de bermen van den weg voor den geest. Wat zijn ze waard uit een economisch oogpunt? De houthandelaar geeft er niet veel voor. En wat beteekenen ze uit een schoonheidsoogpunt ? Voor schaduw en beschutting tegen den wind geven zij niets. Toch belemmeren ze den toegang van de zonnestralen en onttrekken ze zooveel voedsel aan den bodem, dat het gras, ’t welk op die bermen groeit niet veel bizonders is en de vruchten op de aan den wegkant liggende akkers door haar armoedig uitzien ons bewijzen dat die schrale boomen hun wortels toch ver uitstrekken. Uit een economisch oogpunt hadden die bermen nooit bepoot moeten worden. En men zou konsekwent en verstandig handelen door die boomen uit te roeien en zoo een einde te maken aan de schade welke zij doen. In ruil daarvoor zou men dan elders op geschikte plaatsen en met kennis van zaken het boomplantsoen kunnen uitbreiden over eene gezamenlijke oppervlakte b.v. van de helft van den grond door de beplante bermen der wegen ingenomen. Dan zou er geen verlies zijn uit een economisch oogpunt, maar zeker groot gewin voor de schoonheid der landstreek.
  Ik eindig met dit postscriptum: slechts eenige lijnen trok ik. Mijn doel was geen ander dan de aandacht van deskundigen en belangstellenden te vestigen op de boomen dicht bij de zee. ’k Ging daarbij uit van de Marne, omdat daar dit onderwerp zich aan mijne belangstelling opdrong. Maar ik had daarbij het oog op alle streken van ons land, welke in denzelfden toestand verkeeren. Moge ik daardoor hebben meegewerkt tot verhooging der schoonheid van dit nu reeds in den zomer mooi land en van geheel Nederland.
Mr. W. Reilingh.

___________________________________________________________
 

De meeste boerderijen in De Marne hadden een windsingel. De windsingels beschermden de gebouwen tegen wind en storm oftewel braken de wind. 

De ene boerderij had een smalle en andere een brede singel. 

Hayemaheerd” en “Castor” hadden een smalle en “Pollux” een brede windsingel. De Oosterse en Westerse Plaatsen van de broers Ædsge en Douwe Teenstra op het Ruigezand hadden een brede singel. De twee laatste singels zijn nog grotendeels intact.
De mooie singel van “Pollux”, waarin een reigerkolonie zat, is enige jaren geleden op een stuk of wat bomen na gekapt. 

De bomen van de singel van “Hayemaheerd” zijn in de jaren 60 van de vorige eeuw gekapt en vervangen door populieren. De ouderdom van de bomen en iepziekte zullen aanleiding geweest zijn voor de kap. De stammen die niet verkocht konden worden werden in de oude “(g)iersloot” tussen het appelhof achter de schuur en het weiland op de “wier” gegooid. Anno 2025 zouden van alle stammen bestemd worden voor openhaardhout. Per kubieke meter € 200,00? Anno nu zou dat zeker meer dan € 50.000 opleveren?? 

Het Groninger Landschap, Wierde & Dijk, Landschapsbeheer Groningen, Trees for All blijven het herstel van de erfbeplanting rond de boerderijen stimuleren.
Bomen zouden het zicht op de “moderne schuren” kunnen veraangenamen? 

Een windsingel in de Westpolder onderhouden was volgens Hendrik Jan Louwes van Nieuw-Midhuizen geen sinecure. De kracht van de wind en het zout belemmerden vaak de groei van nieuw geplante bomen, maar de aanhouder wint uiteindelijk! De windsingel zal ongetwijfeld bescherming geboden hebben aan de zeker 125 jaar oude notenboom. 

nieuw midhuizen notenboom westpolder louwes zuurdiek.nl zuurdijk windsingel
Notenboom in de siertuin van Nieuw Midhuizen
___________________________________________________________

In 2025 waren onderzoekers hogelijk verbaasd dat op de Noordzee de molens in de vele windparken elkaaruit de wind houden”, waardoor ze minder rendement halen dan in de “rekenmodellen” werd aangegeven.
Blijkbaar kende of vond “men” de dempende werking van bossen en windsingels op de wind niet, alsmede het effect van bomen op de “ouderwetse” molens? Waarschijnlijk waren de onderzoekers geen zeilers. Zeilers weten hoe je de concurrent uit de wind kunt houden. 
In de wetenschappelijke werd zelfs vermeld: wake losses (Windmolens hebben schaduweffecten).

___________________________________________________________

 

hayemaheerd ewer Zuurdijk zuurdiek.nl torringa windsingel zijlma huis ewer siccama toxopeus pollux castor
De oude bomen in de westelijke, noordelijke en oostelijke windsingel van “Hayemaheerd” zijn ooit gekandelaberd

 

haremaard huis ewer zuurdijk zuurdiek.nl windsingel kandelaberen torringa rogaar zijlma siccama polls castor teenstra ruigezand
Op de voorgrond “Hayemaheerd” en op de achtergrond ” ’t Huis Ewer” in 1951

 

windsingel pollux castor zuurdijk zuurdiek.nl teenstra torringa vork dijkhuis winter bos zijlma torringa siccama westerhuis warendorp tebbens  De windsingel van “Pollux” in 1951  

2022 windsingel pollux zuurdijk zuurdiek.nl bos teenstra dijkhuis hekma 2022 De windsingel van Pollux is op 5 bomen na gekapt 

___________________________________________________________