| ___________________________________________________________ |
28-01-1961 Nieuwsblad van het Noorden, zaterdag
IN HET GRONINGER MUSEUM
Oude luister van het Groninger land
Machtige tentoonstelling van de oude borgen
Deze machtige tentoonstelling riep in onze gedachten terug een paar vroegere in dezelfde zalen: „Middeleeuwse kunst in Groningerland” en „Reünie van het voorgeslacht“. Merkwaardig hoe men met moderne expositie-middelen zo prachtig de sfeer weet op te roepen van voorbije tijden! Het woord „luister” wordt tegenwoordig meestal in negatieve zin gebruikt; in het begrip „ontluisteren”. We moeten dit geloof ik symbolisch zien, want weinig nieuwe „luister” ontstaat en wat ging er veel schoonheid en poëzie in onze provincie verloren!
Is er wel één gewest in ons land, waar, laat ons bescheiden zeggen, de tijd zó huis gehouden heeft? Er mengt zich in onze bewondering voor al het merkwaardigs en indrukwekkends dat we hier zien dan ook een triest gevoel van wrevel. Te bedenken dat er vroeger (om van de talrijke kloostergebouwen nog niet te spreken!) bijna in ieder dorp één of meer borgen waren met hun vaak prachtige bossen, oprijlanen en „cingellen, geboomten, hoven, plantagien, wallen, grachten, buschagien, hegen ende hecken”. De ..furor groningensis”, onze beruchte opruimwoede, heeft hier helaas weinig van overgelaten. De stad Groningen is er vaak schuld aan geweest en er al in 1350 mee begonnen toen zij het kasteel Selwerd slechtte, (zij duldde geen stenen muren buiten haar eigen!) De grondslagen, „de huppels“, zijn nog altijd in het weiland ten noordwesten van de Selwerderhof te vinden.
Tegenwoordig zou dit niet meer gebeuren, de borgen kwamen onder „Monumentenzorg” en men zou er misschien dorpshuizen, jeugdherbergen, volkshogescholen, hotels of gemeentehuizen van kunnen maken.
Een stuk romantiek is er ook verdwenen, want het lijkt een avontuurlijk volkje dat die borgen bewoonde: Jeruzalemvaarders en geleerden, alchimisten en verveners, zeerovers en watergeuzen, liedjeszangers en dichters (Johan van Nijenborg met zijn „kring” in de Paddepoel!), humanistenstrijders voor het geloof en landverraders(?).
Je zou er heel wat boeiende romans over kunnen schrijven. Wonderlijke kerels, zoals die vechtersbaas Bartold Entens van Menteda die eens den Briel en Dordrecht bevrijdde maar tenslotte nog in het land van zijn geboorte, in 1580 voor de stad Groningen, moest sneuvelen. — „Vrolic mit eeren” was zijn devies.
Of die vreemde sinjeur Ripperda, die het tot grande van Spanje (zijn adelsbrieven liggen nog in het archief!) bracht, maar tenslotte in Afrika Mohammedaan werd, met alle consequenties van dien! Eigenlijk miste ik deze beide figuren —. Maar in de knap geschreven catalogus lezen we andere haast even merkwaardige historiën.
Verdwenen schoonheid
Toch gaan we niet in de eerste plaats hiervoor naar deze tentoonstelling, we willen immers ontdekken wat er al voor schoons is geweest en dat is niet gering. We zien in oude tekeningen, gravures en vergeelde foto’s de ontwikkeling van de borgen, van de oude eenvoudige steenhuizen tot en met het classicistische Nittersum van de Amsterdamse architect Vingboons.
Weinig of niets is hier meer van over en evenmin van de pracht en praal waarmee sommige borgbewoners zich wisten te omringen. Van de geweldige Nienoord bijvoorbeeld alleen maar een moderne villa en wat herinneringen: een mooie poort, een schelpengrot, het prachtige grafmonument van Romboud Verhulst, drie geweldige halfvergane wandschilderingen uit de balzaal, een paar kanonnen, de vreemd-mooie Kniphausen-havik, helemaal met juwelen bezet —, verzoeningssymbool na een ruzie in de familie.
Het meest betreuren we misschien het verlies (1903) van „het Huis ten Dijke” achter Pieterburen —eens roofslot in de zee? Woning van strandjutters? Je ziet op de schilderij de bewoners tenminste op hun toren over de zee staan uit te kijken! Maar ook was dit de veilige haven van de moegestreden Watergeus Diderick Sonooy die daar zijn laatste levensjaren sleet — we staan eerbiedig hier voor zijn wapenbord uit de kerk van Pieterburen. Wat lijken die vaak rijk vergulde gedenktekenen in deze omgeving geweldig groot!
Andere kerels ontmoeten we — de verdediger van Bourtange in 1672: Bernard Johan Prott, in harnas, met zijn ernstige blik en trouwhartige, onverzettelijke kop. Zijn sobere rouwbord met de zwart geschilderde helm en degen dat vroeger in de kerk van Lutjegast hing is het indrukwekkendst van alles wat hier hangt.
Fraai is het voorname portret van de kroniekschrijver Johan Rengers tot ten Post met z’n zwierige „Pluderhosen” (een mode die weinig tot Holland is doorgedrongen) naast de ernstige beeltenis van zijn stijlvolle vrouw.
Beide werken stammen van de bekende Friese schilder Adriaen van Cronenburg, die zich soms (lang onbegrijpelijk!) tekende Aaaan van Cronenburg (Adrieaen — vind dat maar eens uit!)
We bewonderen meer schilderkunst: Duurt Elema to Allersma en Meeuwertien Fockens door een anonieme schilder evenals de 16e eeuwse portretten van oudere leden van de Rengersfamilie, stijf maar karaktervol, misschien van rondreizende Duitse schilders beïnvloed door de Torn Ring groep uit Munster. Of het strenge, Holbeinachtige „effigies” uit het stadhuis van Groningen: Eltet to Lellens. Zeer knap zijn verschillende beeltenissen geschilderd door Jan Janszoon de Stomme, één van de meest geliefde portrettisten uit het midden van de 17e eeuw, min of meer in de stijl van een van der Helst.
En we ontdekken door deze tentoonstelling nog eens weer G. de San, de eerste directeur of „instructeur” van onze tijdens de Franse revolutie opgerichte Academie Minerva. Hij was al classicistisch — de Rococo-stijl had voorgoed afgedaan, je voelt al dat er in Parijs een David werkte!
Ook beeldhouwwerk zien we (zelfs de grote grafstenen in de gang zijn weer onthuld!) — machtige stenen leeuwen van poorten of inrijhekken; vooral in deze zalen maken ze diepe indruk. Welke moderne beeldhouwer krijgt nog eens zulke kracht-explosies ?
Geen historische abstractie
Er dreigde een gevaar dat deze tentoonstelling, die vooral herinneringen oproept aan wat er verdwenen is, een historische abstractie zou worden. Gelukkig heeft de moderne fotografie dit weten te verhinderen — van verschillende gelukkig nog bestaande borgen zien we geweldig grote expressieve foto’s: van de Fraeylemaborg van Slochteren, van Piloursema, van de burcht van Wedde, pas gerestaureerd, etc. Jammer genoeg niet van de andere, nog bestaande kleinere objecten: de Coendersborg van Nuis (bezit van het Groninger Landschap!), de Ennemaborg bij Midwolda, Rinsuma bij Uithuizermeeden. Want laat ons blij zijn met en zuinig zijn op de kruimpjes die er nog over zijn van een eens zo rijke dis!
We mogen de initiatiefnemers en organisatoren van dit prachtige geheel wel dankbaar zijn — wat een enorm werk alles op te zoeken, samen te brengen, te ordenen en te beschrijven! Merkwaardig dat velen van hen geen Groningers zijn: Brandts Buys, dominé Smits, Jos. de Gruyter, mevrouw Wierenga. Waren misschien juist zij betoverd door de magie van dat wat er mist, geboeid door het mysterie van wat er verloren ging. Als Debussy door zijn „cathédrale engloutie”?
Ik weet, men kan nooit volledig zijn, maar toch had ik gehoopt hier het boekje te ontdekken van Georg Wilhelm von Inn und Kniphausen: „Entretiens dun ame solitaire avec son Dieu”.
Van de man dus die met Anna van Ewsum de balzaal van de Nienoord door Collenius liet beschilderen met talloze levensgrote naaktfiguren uit de geschiedenis van Diana. Christelijk geloof tegenover zin voor klassieke mythologie!
Want dit had nog meer perspectieven geopend op het geestelijk leven van deze eigenaardige mensen dan die wonderlijke en kostbare havik!
De catalogus is bijzonder fraai deze keer, ook door de knappe toelichtingen van dr. Formsma en Jos. de Gruyter. Alleen — de kerk van Zeerijp, is dat een „kleine” kerk? En kan de borgenkaart die de heer Brandts Buys maakte niet klein gereproduceerd worden?
Het lijkt interessant op tochten door de provincie met behulp van zo’n kaart de oude borgterreinen op te zoeken, ze vormen nog altijd schilderachtige objecten in het landschap, zij het ook met vaak dichtgegroeide grachten.
Hopenlijk blijft er van deze prachtige tentoonstelling nog meer dan alleen de herinnering!
JOHAN D.

Zes kanonnetjes van de borg Verhildersum, eigendom van de familie Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, opgesteld voor een uit de kerk van Leens afkomstig stuk, dat dient als afsluiting tussen schip en koor
| ___________________________________________________________ |
Naar Ommelander Museum en Verhildersum