| ___________________________________________________________ |
Eijerland 3 Augustus 1836
Secreet
Den Wel Edelen Heer
Den Heer N. J. de Cock
Directeur der Sociteit van
Eigendom van Eijerland
te Rotterdam
Wel Edele Heer !
Ik ben zoo vrij UWEd weder eenige berigten bij wijze van zakelijk verslag van Eijerland te doen toekomen. –
Den Heer Plooster welke gepasseerde Vrijdag met Schipper Dubois naar Harlingen vertrokken is, heeft mij last gegeven de aan deszelfs adres komende brieven ongeopend op Eijerlandshuis te laten tot ZEd terugkomst, en daar den Hr Plooster nog niet geretourneerd is, kan ook UWEds hier ontvangen brief niet beantwoord worden, gelijk ook het geval met veele andere brieven is.
De onderbaas de Geus is gepasseerde Zondag naar het Nieuwe diep vertrokken op last van den Heer Plooster doch heeft bij afwezigheid van laatstgemelden op eigen gezag den koetsier van den Heer Plooster met name Jan Bos gelast hem met vrouw en kinderen met de Kapwagen naar het Oudeschild te brengen, welke order ik van ter zijde van Jan Bos vernemende door een tegen order ben voorgekomen aangezien de Geus mij nergens in erkennen wil, en gelijk ook in dezen geheel willekeurig handeld waardoor hij mij in mijne betrekking zoekt te ontzenuwen; – Ik heb vermeend UWEd dit te moeten melden wijl UWEd anders door verkeerde rapporten kwalijk zoude kunnen worden ingelicht; – later heb ik de Geus met eene andere wagen laten vertrekken. –
Wij zijn begonnen met het dorschen van Winter Koolzaad. Morgen zal ik UWEd een staal van het zelve toe zenden, per Barge, mij dunkt dat de Korrel vettig, zwart en voldragen is, ook schud het bijzonder goed, doch wij hebben weder harden wind gehad, zoo dat er hier en daar nog al aanzienlijk uitgewaaid is, intusschen hoop ik morgen weder met twee kleeden aan de slag te gaan als ook nog heden. Wij zijn ook bezig met Garst zichten waarvan het kortste gemaaid word. –
Het Grasmaaijen en Hooijen gaat dagelijks voort, ook onze Herderboer Kikkert begint nu uit de hoek te komen, en zegt dat hem de hoeveelheid Hooij merkelijk in de hand valt, meer dan 100 voeren, doch hier zal het in de hand vallen niet bij blijven. –
In het gepasseerde jaar is er gedurende de geheele maand Augustus bijna niets van het winterkoolzaad aangeslagen doch thans staat het bij alle Zes Zetboeren reeds en gemeen schoon, zoo dat het weder wel is waar niet zeer gunstig op dorschen en Hooijen is, doch zoo veel te voordeeliger op het gezaaide Zaad.
Verschoon mij het Zomerkoolzaad in opbrengst niet te hebben durven begrooten, doch dit zal niet uit de hand vallen maar ik kan de hoeveelheid moeijelijk bepalen, kleine stronken van pas en voet hoog zitten tot aan onderen toe opgevuld met peulen, de hoogere planten, laten de kroon van wege de zwaarte van het zaad reeds hangen, – gelooft mij, ! Eijerland heeft niets ontbroken dan de nodige regen.-
Vergeet toch vooral niet het Zaaizaad van Wit Koolzaad te zenden.
Hier zijn nog een viertal arbeiders die meer geld ontvangen voor loon dan zij bij den aanvang bedongen hebben, maar nog steeds ontevreden blijven, en kwaadzaad onder de overige dagloners zaaijen om meerder loon te bekomen, wanneer UWEd de goedheid hebt mij de nodige authorisatie te verlenen, zal ik de rust spoedig hersteld hebben, zonder Moeite of Botsingen, of verkiest UWEd hier zelven in te handelen? – De zaak van Eijerland is groot, en belangrijk, en vordert de noodige fermiteit in de handhaving van regt, en [].-
Lanser heeft mij heden weder op UWEd rekening f 1018-98 afbetaald te zamen afbetaald f 2300-.
M. P. Meijer de welke de rekening nog niet opgemaakt heeft, heeft reeds aan contante penningen en tegen rekening als schoen & tuig maker meer dan 100 guldens afbetaald.-
Mij op UWEd discretie en ondersteuning verlatende noeme mij met de Meeste Hoogschting
UWEDvDienaar
De Directeur van Landbouw van Eijerland
M. D. Teenstra
| ___________________________________________________________ |
Naar Brieven 1836/1837