| ___________________________________________________________ |
Noordpolder den 10 Julij 1836
De Heer N. J. de Cock
te Rotterdam
Vriend !
Daar UEd in uw laatste brief geen melding hebt gemaakt, of uw reis van Groningen tot Rott: wel of kwalijk is geweest, neem ik dit stilzwijgend aan, dat dezelve goed, en uwe gezond zijt gearriveerd; echter zeker vermoeidt.
Het wisseltje is in gecasseerd en het bedrag hebt ik op rekening gesteld.
Van den Heer G. hoor ik niets.
Twee ladingen stroo heb ik verzonden, en de Koolkleden met toebehoren worden morgen klaar, zoo dat dezelve met de eerste gelegenheid verzonden kunnen worden, en waarvoor ik order heb gesteld. –
Aan Teenstra heb ik geschreven, om vooral zorg te dragen, dat sloden welke in het kanaal uitstroomen, vooral tuin (diep & wijd) te maken waar zij in het Kanaal vallen bv: ter lengte van: 50 Ellen, ter voorkoming dat het water geen zand in het Kanaal voert; als mede om door het zetten van stroo, of omspitten der grond in de lage zandvlakten, de zandverstuivingen te beletten, welke zeer schadelijk voor het nieuwe Kanaal kan worden, en aan de tegenstrevers voedsel zal geven, om voortaan alle gravingen tegen te houden. – Trouwens zoo de aangehaalde voorbehoed niet als tegen het instromen van zand uit de sloden, en verstuivingen van zand door wind in het Kanaal niet worden in acht genomen, rade ik dit jaar het graven van een Kanaal af.
De herinnering aan onze laatste reis is mij steeds aangenaam, en hoop nog eens het gelegen te hebben van UEd & familie langer bij mij te mogen zien.
Van mij en uwe vriendschap te hebben aan bevolen heb ik het genoegen van mij te mogen noemen UEd vriend
Reinders
___________________________________________________________
Bronbestanden Archief Alkmaar
| ___________________________________________________________ |
Naar Brieven 1836/1837