| ___________________________________________________________ |
De Cocksdorp den 5 Julij 1836
Den Wel Edelen Heer
Den Heer N. J. de Cock
Directeur der Sociteit van
Eigendom van Eijerland
te Rotterdam
Wel Edele Heer !
UWEd geerde letteren van 1 dezer zij mij geworden ook de afgezondene goederen zijn aan het Oudeschild aangekomen, welke heden met een klein vaartuig naar de Roggesloot zullen worden gebragt, – de gelden door Lanser en Meijer verschuldigd zal ik incasseren, met de betaling der laatste gaat het ook zeer goed, alsmede met zijne steeds toenemende werkzaamheden zoo dat hij nog een tweede schoenmakersknecht aan het werk zetten wil.
Ondanks de nog steeds voortdurende droogte ontdekt men in de eenmaal aangeslagene planten vooral van het Zomerzaad een groeikracht, kleur en sterkte die ieders verwagting overtreft, ook hoop ik UWEd bij de komst op Eijerland een Reuzenstruik van winterkoolzaad te laten zien, de welke alleen eene schoof vertoond. – maar ten gevolge deze droogte hebben slechts weinig Graan en Zaadkorrels kunnen ontkiemen, doch wijl dit nu reeds te laat is hoop ik nu maar droogte te houden tot over 14 dagen, wanneer wij met het zaaijen van winterzaad een aanvang denken te maken.
Terwijl ik hier bij Lanser in De Cocksdorp zit, komt de Kof met hout uit Noorwegen in de Roggesloot zijnde gisteren reeds in het gezigt geweest, van welkers lading den Heer Plooster UWEd nader schrijven zal.-
Gisteren zijn wij bij Eijerlandshuis begonnen met Grasmaaijen, het welke niet uit de hand valt, ook de Texelsche boeren verklaren eenparig met de hier reeds 16 achtereenvolgende jaren gemaaid hebbende maaijers, dat zij nimmer zoo veel gras op het Buitenveld gezien hebben als thans.
Na minzame groete mede van den Heer Plooster noeme mij met ware hoogachting
Wel Edele Heer !
UWEDvDienaar
De Directeur van Landbouw van Eijerland
M. D. Teenstra
| ___________________________________________________________ |
Naar Brieven 1836/1837