Teenstra 17-04-1836: 200 zakken aardappels zijn komende; Houwinga is in zijn schik over de groeikansen; vergunning nodig voor eierzieken, jacht visserij; K. J. Beukema zou vermist zijn op het Eriemeer 

___________________________________________________________

Zondagmorgen 17 April 1836 

Den Wel Edele Heer 

N. J. de Cock
Directeur van Eigendom van Eijerland 

te Rotterdam 

Wel Edel Heer !

  In vriendelijke rescriptie Uwer geeërde van 14 dezer heb ik de eer UWEd te kunnen melden dat ik gisteren de f 3000 -,, van den Heer Bok ontvangen heb. – 

  Onze uitgaven zijn niet weinig, ik heb thans nog aan kas f 2040 -,, gisteren hebben wij f 2500 -,, uitgegeven het zal dus op aanstaande zaturdag 23 dezer moeten worden vermeerderd, ook verwagt ik turf & hooij. – 

  Den Hr Reinders heeft mij 200 zakken aardappels afgescheept (op wiens order weet ik niet) ook de Uwe zijn met schipper Mets aangekomen, zoo dat wij daarmede overvoerd worden. – 

  Van de 8 katten zijn 4 te levend overgekomen die dadelijk in het huis van Landser 3 ratten gevangen hebben, dus goed soort. –
  Houwinga kwam gister na de betaling bij mij met eene glans van genoegzaamheid op zijn gezigt, zeggende „ik ben vandaag naar de winterkoop geweest, en hoe beroerd of de stukken ook liggen heb ik nooit beter Kool gezien”. – Ja ! (zeide ik) maar die beste stukken zijn zoo klein. – „dat doet er niet toe (hervatte hij) ik ben regt in mijn schik, nu ik zie wat er groeien kan”. – 

  Ook groeien onze paarden weder, en met hun leef ook ik weder op. – wij hebben slechts een oud afgeleefd paard dat niet wel is. – 

  De Maartegarst komt reeds op, – met het zaaijen van Zomergarst zijn wij bezig. – 

Ook maak ik eene tuin om de Keet waarin eene niet groote broeibak, – (dit mag immers wel?) 

  In de loop dezer week komt hier een schip met hooij inhoudende plm 4500 Lb, zoo het zelve goed is zal ik het kopen voor f 10-,, de 1000 Lb, vrij aan de Roggesloot. 

  Ik verlang UWEd hier spoedig op het meer en meer groenende veld te mogen ontmoeten, en zal UWEd in den Directeurs Jas (voor welke ik UWEd mijne dank betuig) ontvangen. – 

  Met den verkoop van Texelsche lammeren in de Maand Mei moeten wij een oog in ’t zeil houden, om een partij aan te koopen.

  Het weder begunstigd ons over 8 dagen hopen wij ook zomerzaad te zaaijen. – over stieren zijn Houwinga en ik het niet eens, – hij zegt dat er nimmer schooner stier op Texel geweest is, – doch ik mag geene Spring Stier met zwarte hoornen en een zwarte zak. – Boon heeft mij verzocht zijne koeijen door de zelve te mogen laten springen, – doch dit zijn zaken van te weinig belang UWEd mede te deelen. – de Stier van Eijerlandshuis is ontmand en zal spoedig geslacht worden. – 

  Met het kanaal heb ik niet durven beginnen voor dat mijn vriend de Kl-P hier was. – 

Lijsten, Bons, en Cachet heb ik ontvangen, en maak er reeds gebruik van. – De paarden van Noorwegen zie ik met verlangen tegemoet.- 

  Ik heb eene waarschuwing namens het Hoofdbestuur laten aanplakken bij Lanser en op het E.huis, om zonder permissie billet en acte niet te jagen, visschen, of Eijeren te zoeken. 

  UWEd schrijft mij over een zaad dat mij onbekend is, doed mij echter het genoegen mij tot proefneming daar van een weinig te zenden. – Oeilette Zaad.

  Alles is hier wel ! ook Boek en Kas sluiten heden morgen zeer goed. – zoude ik UWEd wel iets mogen verzoeken, wat geheel buiten de belangen van Eijerland ligt? – 

Den Heer Reinders schrijft mij heden dat U. Schilthuis Koopman te Groningen, gehoord had dat mijn neef en bijzondere vriend K. Jz. Beukma van de Prov. Groningen, welke in de maand Mei van het gepasseerde jaar met 4 kinderen van Rotterdam naar New York vertrokken is, – op het Meer Erie  met een schoener met man en muis zoude zijn verongelukt, – dit mij zeer onaangename berigt deed mij de vrijheid nemen UWEd   te verzoeken, om bij de Correspondenten van den Heer Beukema de Heeren Hudig & Blokhuizen te Rotterdam te willen laten informeren, of zij lieden daar van ook nader berigt hebben. 

  Aangenaam is het mij UWEd  nog in de loop dezer maand hier te mogen verwagten, – wijl UWEd  zich dan ook zal kunnen overtuigen hoeveel paarden ons door de onophoudelijke transporten transporten voor de Landbouw worden afgetrokken en wij zijn thans juist in de drukke zaaitijd. 

  Ik heb de Eer mij met de meeste hoogachting te noemen 

Wel Edele Heer ! 

UWEDvDienaar ! 

Den Directeur van Landbouw van Eijerland 

M. D. Teenstra 

___________________________________________________________

Naar Brieven 1836/1837