| ___________________________________________________________ |
Groot Zeewijk te Noordpolder 2 februarij 1836
Den WelEdelen Heer
den Heer N. J. de Cock
Directeur der Societeit van
Eigendom van Eijerland
te Rotterdam
WelEdele Heer !
Mij thans ten huize van den Heer Reinders bevindende heb im de het genoegen UWEd te kunnen berigten dat de verzendingen naar Eijerland zoo aan volk, paarden, en gereedschappen zoo veel doenlijk bespoedigd wordt. –
Waar over den Hr Reinders zelve bij in geslotene nader schrijft.
Ten gevolge UWEd geëerde letteren van den 26 en 28ste der vorige maand mij beide geworden, zal ik ook mijn vertrek naar Eijerland bespoedigen, zoo dat ik Donderdag den 4de dezer van de Zoltkamp onder zeil denk te gaan, ten einde voor de aankomst der paarden etc. daar te zijn en dadelijk aanvang te maken met het opzetten van lootsen voor stallen.
De twee Zetboeren van hier, komen provisioneel alleen, en ieder met 6 knechts, zullende de arbeiders (volgens het gevoelen van den Hr Reinders en mij) bij eene volgende zending van paarden moeten volgen.
pag 14
Van de brief betrekkelijk de zetboeren door den Hr Reinders in dato 23 der vorige maand aan UWEd geschreven had Z.Ed geen Copie gehouden doch heeft mij deswege bij monde gezegd, niets anders aangaande dien zaak te hebben geschreven, dan dat Stoepker en Houwinga onder goedkeuring van mij waren aangenomen, doch dat ZEd later door Noordhof had horen zeggen, dat hem door de Directie (Plooster) en Teenstra hem ook de betrekking als zetboer beloofd was, – verklarende verders dat ZEd niet zien konde dat ik in de brief aan UWEd van 18 Januarij j.l. waar van ik Copie overlegd heb, iets geschreven had, het welke niet met de ware toedragt der zaak over een stemde. –
Een menigte zoo gehuwde arbeiders, als ongehuwde knechts, hebben zich hier nog voor Eijerland aangeboden, zoo dat de Zeeuwsche Zetboeren, bij gebrek aan manschappen, hier nog te keus zouden kunnen gaan.
Ook de Smitsknecht Riepke M. Beukema heeft zich geengageerd, om in de maand Mei naar Eijerland over te komen.
Zoodra ik mij op Eijerland bevinde zal ik de eer hebben UWEd dadelijk nader te schrijven.
Ik heb de Eer met de meeste achting te zijn Wel Edele Heer!
De Directeur van Landb. van Eijerland
M. D. Teenstra
___________________________________________________________
Naar Brieven 1836/1837