Teenstra 28-01-1836: Houwinga en Stoepker aangenomen als zetboer; Noordhoff beweert recht te hebben om aangenomen te worden; hoe nu

___________________________________________________________

Ulrum den 28ste Januarij 1836 

Den WelEdelen Heer
den Heer N. J. de Cock
Directeur der Sociteit van
Eigendom van Eijerland 

 WelEdele Heer ! 

UWEd geeerde letteren van den 25ste dezer zijn mij heden geworden in vriendelijke rescriptie op dezelve heb ik de eer  UWd te informeren dat Stoepker en Houwinga en niemand anders in deze provintie als zetboeren voor Eijerland aangenomen zijn; 

  Noordhoff heeft mij gezegd dat hij meerdere aanspraak op deze betrekking vermeende te hebben dan zij, uit hoogde dat hij op Eijerland zelve door de Heeren Plooster en Wisborn de stellige toezegging bekomen had, dat hij dit voorjaar weder op Eijerland geplaatst zude worden, en hij ook daarop staat gemakt heeft; – ik heb  UWd dit alleen in bedenking willen geven, en niets willen doen zonder  UWd goedkeuring daar op te mogen vernemen. 

  Vergun mij tevens  UWd te mogen aanmerken dt ik in mijne laatst voorgaande van den 18de dezer niet geschreven heb, dat er 3 boerderijen geengageerd waren ik heb geschreven: „dat het reeds vrij stellig aan 3 personen beloofd geworden, ofschoon nog maar alleen het Contract met Stoepker gesloten was”. – en dit is nog zoo. 

   UWd schrijft verders: – „maar nu ik geinformeerd ben” (dus luid  UWd laatste brief) „de zaken anders zijn dan  UWd mij geschreven hebt veranderd zulks ook, Stoepker en Houwinga waren aangenomen en  UWd hebt nader buiten de instructie welke ik  UWd  als Directeur gegeven gehandeld, en komen dus de gevolgen geheel voor Uwe rekening”. – doch neen! wanneer ik  UWd anders schreef dan de zaken waren, zoude ik mij zelven onwaardig achten in eene zoo belangrijke zaak  UWd vertrouwen te bezitten, en verzoek dus dat  UWEd dit ten naauwkeurigsten onderzoekt, terwijl ik aan den anderen kant te veel eergevoel bezit, om dit ongemerkt voorbij te laten gaan, veel minder kan ik mij een zoo geheel onverdiend als hard verwijt stilzwijgende laten welgevallen, en daar ik het mij te plicht gerekend heb UWEd bekend te maken met eene belofte welke Noordhof hier opentlijk verhaald hem gedaan te zijn en  UWEd deswege heb vermeend te moeten raadplegen, heb ik slechts gevraagd, hoe te handelen, en in de onderwerpelijke zaak, niets gedaan alvorens  UWEd orders daartoe te hebben ontvangen, zoo dat ik volstrekt in genen deels buiten mijne instructie gehandeld heb, kunnende dus ook de gevolgen niet voor mijn rekening komen.  

  Ik hoop door deze toelichting terwijl ook de zaak geheel met UWEd verlangen overeenkomt, mij weder in UWEd vriendschap en vertrouwen te mogen verzekerd houden. 

  De Smidsknecht (welke ook de bestelde Oorpijpen maakt) zal in voldoening aan UWEd schrijven door mij aangenomen worden, komende Zondags na den 12den Mei e.k. uit des zelfs tegenwoordige dienst. – 

  Wanneer UWEd zulks goedvind zoude ik den 12 februarij van hier naar Eijerland willen vertrekken, om half februarij daar te zijn, Oordeeld UWEd het echter beter om vroeger of later te gaan, hebt dan de goedheid mij zulks te schrijven UWEd verlangen om Kivit in de Zanddijks Boe te plaatzen was ook reeds vroeger bij mij genoteerd geworden, en blijft dus zoo bepaald. – 

  Zal ik ook den Hr van Doorn schrijven, om tegens 15 feb. op Eijerland te zijn? 

  Er diend nu ook bepaald te worden hoeveele Arbeiders, en hoeveele Knechts er in februarij uit deze provincie met de beide zetboeren naar Eijerland vertrekken zullen, het welke in evenredigheid der spannen paarden diend te zijn en hoeveele personen er uit Zeeland dadelijk overkomen zullen. 

  Zoo dra ik den Heer en Vriend Reinders gesproken heb, ten gevolge welks schrijven UWEd zoo zeer ontevreden over mij is, zal ik de vrijheid nemen UWEd dadelijk nader te schrijven,
waarmede ik na Minzame groete de Eer heb te zijn
Wel Edele heer !
UWEDvDienaar !
De Directeur van den Landbouw van Eijerland
M. D. Teenstra

___________________________________________________________

Naar Brieven 18236/1837