| ___________________________________________________________ |
Wel Edele Heer den Heere
M D Teenstra
te Ulrum
Groot Zeewijk den 18 Julij 1835
Vriend!
Zoo op het ogenblik ontving ik Uwe Missieven dd. 18 dezer, na genomene lectuur, als ook van de ingeslotene die ik tevens aan brenger dezes weder heb terug gegeven, heb ik de eer UED te berigten dat, ik mij dadelijk na Warffum zal begeven, ten einde te zorgen, dat de gereedschappen aan het water ter vervoer worden gebragt, op dat de schipper dezelve morgen des te schielijker kan laden.
Morgen moet ik van huis, maar zal echter zorgen dat de Schipper met laden kan voortvaren; en dat hij om mijnentwille wille geen oponthoud zal hebben.
Vaarwel vriend! en heb goeden reis; – Mogte uwe nieuwe betrekking u niet alleen een goed inkomen bezorgen; maar ook bezigteden die uw leven veraangenamen; – terwijl ik wensch, dat gij u geheel aan uwe nieuwe bestemming zult wijden; op dat uw opzigt over de verdere cultuur van het Eijerland, het genoegen van de directie mag weg dragen. – Niets zal mij aangenamer zijn, dan, dat de zoon van wijlen mijn opvoeder uw Vader gelukkig in zijn nieuwe betrekking mag zijn.
De hemel zegene u! en schenke u nog een lang leven van vreugde en pligt betragten.
Ik ben na mij in uwe vriendschap [] aan bevolen, en na groeten aan UED en aan Plooster & verdere vrienden op het Eijerland verzogt te hebben.
Uw vriend
GReinders
NB Lammer en een Texelserder Kaas
Dubois zal ik een brief aan den [] mede geven
| ___________________________________________________________ |