| ___________________________________________________________ |
Eijerland 25 October 1836
Den Wel Edelen Heer
Den Heer N. J. de Cock
Directeur der Societit van
Eigendom van Eijerland
te Rotterdam
Wel Edele Heer !
UWEd geëerde letteren van 19 en 21 dezer zijn mij geworden, en zal met de Smit A. v.d. Kloot volgens UWEd bepaling bij de komst van den Hr P. Langeveld afrekenen.
Den Heer Reinbach welke ik mede UWEd opene brief overhandigd he, zal ik de assisnatie ad ƒ 150-,, voldoen.
Ingesloten bekomt UWEd reçu voor de ontvangst van ƒ 1500-,, aan Bankbill. welke ik ingewisseld heb tegens Kontanten dch niet genoeg hebbende heeft de Koopman Langeveld mij ƒ 2000-,, geleend, den Heer Bok beloofd mij in de eerste behoefte van Specie te zullen voorzien.
Dubois die voorzeker een lange reis gehad heeft, dat op diens wrakke lading Zomerzaad, gewisselijk nadelige gevolgen zal gehad hebben, verwagt ik nu spoedig terug, om welker lading UWEd tweede brief handeld, die ik dan ook na arrivement van de Eijerlander beantwoorden zal.
Houwinga & Stoepker heb ik de afgegevene bewijzen voor ontvangene en nu betaalde gelden terug gegeven.
Gelukkig dat UWEd geen Zaai Koorn zend, want den Heer G. Reinders zend over Harlingen (zonder dat ik weet wanneer) 21 Mudden Tarwe en 19 Mudden Wintergarst,- moet dit ook gezaaid worden? – of verlangt me uitsluitend Vlas, heb de goedheid mij UWEd orders dien aangaande mede te deelen.
„Het Zomerzaad (schrijft Reinders in derzelfs brief van 19 dezer) is hier nat gewonnen, en de prijzen zijn van ƒ 6-50 tot 8 gld.” en vraagt mij ook of UWEd nog denkt naar Groningen over te komen.
Hebt ook de goedheid en meld mij, of ik de Drebse afzonderlijk moet zaaijen, ingemest land, om er zaad van te trekken, of dat ik het met Klaverzaad vermenge, tusschen de Stroo beplanting zaaijen moet.
Ik heb de Eer met de meeste achting te zijn, met aanneming over een paar dagen breedvoeriger te schrijven ook over het zeer goed groeiende Winterkoolzaad.
Den Directeur van Landbouwv. Eijerland
M. D. Teenstra
| ___________________________________________________________ |
Nieuw Groninger Woordenboek:
Drèp =
1°. dravik (Bromus secalinus), een wilde grassoort, die als lastig onkruid opschiet; of lolium temulentum, de dolik, een andere wilde grassoort. Ook dreps of drepgras.
2°. verwilderde rogge of tarwe. Wanneer niet voortdurend veredeld wordt, ontstaat drep. Drep, tussen gerst opschietende, wordt mee geoogst.
Bij ’t pellen der gerst laat de drepkòrrel zijn bast niet los. Drepgört zijn dus de fijne korrels, die bij ’t pellen ontsnappen; bij ’t eten van de pap komen zij soms voor de dag.
De slechte “zachte dravik” in de Twente genoemd “Drebse”
Leeuwarder Courant 04-06-1932: Zachte dravik, een minderwaardig gras, kan men ook in één jaar kwijt raken, door vroegtijdig maaien en daarna krachting weiden van het nieuwgras.
Zachte dravik: bromus mollis, bromus secalinus