| ___________________________________________________________ |
Eijerland 13 December 1836
Den Wel Edelen Heer
Den Heer N. J. de Cock
Directeur der Societeit van
Eigendom van Eijerland
te Rotterdam
Wel Edel Heer !
Gisteren is den Heer P. Langeveld Kz van Texel naar Giessendam op reis gegaan, met betuiging zijner te vredenheid, – Het jonge Winterkoolzaad is nog merkelijk aangekomen, – over welke vrucht wij zeer tevreden moeten zijn, – ook de Wintergarst 4 Bund. bij Houwinga en de ééne Bunder bij Kivit als mede de 5 Bunders Tarwe en 4 Bunders Rog bij Kivit en Alderliefste staan zeer goed, – doch het natte najaar heeft ons verhinderd om zoo veel winterkoorn te zaaijen, als wij ons voorgenomen hadden. – Ook in Groningen en Vriesland heeft het regenachtige weder veel schade veroorzaakt, zoo dat ik nog veel haver en boonen en zelfs Zomerkool op Stoppel gezien heb, ofschoon reeds December zijnde.
De storm heeft op Eijerland geen nadeel veroorzaakt, doch de koepel bij Eijerlandshuis is van ’t duin gewaaid en totaal verbrijzeld.
Voor de Beetwortelen zal ik de nodige zorg dragen, –
het Drebse een soort van wilde haver dat wij in hoog droog zand, alsmede op het Kerkhof gezaaid hebben komt nog niet op, – in onze gewesten beschouwd men dit zaad als een schadelijk onverdelgbaar onkruid, – doch zal daar waar wij het zelve gezaaid hebben geen schade veroorzaken als zijnde voor geen Bouwland bestemd. –
Ik heb ook met onderscheidene Kleedbazen gesproken om hier aanstaande zomer te komen dorschen waar zij regt zin in hebben, – zij vragen voor snijden & dorschen met eigen kleden en gereedschappen, kost, bier & Genever alles voor hunne rekening f 1.25 per mudde. –
Bij den Heer van Bergen is eene diefstal gepleegd doch de daders zijn niet ontdekt, ofschoon de getuigen vrijdag te Alkmaar moeten compareren.
Met de meeste achting heb ik de Eer te zijn
Wel Edele Heer !
UWE DvDienaar !
Den Directeur van Landbouw van Eijerland
M. D. Teenstra
| ___________________________________________________________ |
Naar Brieven 1836/1837
| ___________________________________________________________ |
Nieuw Groninger Woordenboek:
Drèp = 1°. dravik (Bromus secalinus), een wilde grassoort, die als lastig onkruid opschiet; of lolium temulentum, de dolik, een andere wilde grassoort. Ook dreps of drepgras.
2°. verwilderde rogge of tarwe. Wanneer niet voortdurend veredeld wordt, ontstaat drep. Drep, tussen gerst opschietende, wordt mee geoogst.
Bij ’t pellen der gerst laat de drepkòrrel zijn bast niet los. Drepgört zijn dus de fijne korrels, die bij ’t pellen ontsnappen; bij ’t eten van de pap komen zij soms
voor de dag.
De “zachte dravik” in Twente genoemd “Drebse”
Leeuwarder Courant 04-06-1932: Zachte dravik, een minderwaardig gras, kan men ook in één jaar kwijt raken, door vroegtijdig maaien en daarna krachting weiden van het nieuwgras.
Zachte dravik: bromus mollis of bromus secalinus