Teenstra 07-03-1837: huis Ulrum is nog verhuurd en bewoond; aandelen in de “negotie” Eijerland

___________________________________________________________

Eijerland 7 Maart 1837

Den WelEdelen Heer Den Heer N. J. de Cock
te Rotterdam

Wel Edele Heer !

UWEd geeerde letteren van 4 dezer zijn mij gisteren geworden, – Ik heb onmiddelijk na UWEd vertrek van hier werkstelligheid gemaakt om Ons te Ulrum staand huis weder te betrekken, – doch bij ons geschied de verhuizing altoos op 1 Mei, (zoo als mijne vrouw ook naar Eijerland verhuist is) gaarne zoude ik in de gegevene Omstandigheden dadelijk willen vertrekken, te meer daar ik hier voor het tegenwoordige geene bezigheden meer heb, – doch, daar ik hier met mijn huisgezin & meubelen ben, zoude ik zulks gaarne tot het laatst der volgende maand uitstellen, – het is ook toch maar om 5 à 6 weken meer te doen, – waar (bij de moeite van 2 malen zoo kort achter een volgend te verhuizen) voor die maand tijds naartoe? – echter kan de tuin bij de keet dadelijk bewerkt worden, – en voor een provisionele inwoning zal de verlangde Chirurgijn voor dien korten tijd niet behoeven achter te blijven; – dit alles zal zich zeer goed schikken, althans wij willen ons schikken. –

Aangaande de aandelen in de negotiatie van Eijerland, komt het mij goed voor dat UWEd die voor ons in bewaring houd, – heb slechts de goedheid mij daarvan het vereiste bewijs te zenden, – als mede van de resterende ƒ 200-79 het welk ik hier uit de Kas zoude kunnen ontvangen, – verders de voldane rekeningen, – van door UWEd gezondene goederen te zamen f 212 – 58 55 –
Mag ik UWEd wel verzoeken om mijn lidmaatschap te doen ophouden in de Maatschappij voor Brandwaarborg van Meubelen ect. gevestigd te Rotterdam ?
Bij gaand is het Proces – verbaal wegens het patent.

Na minzame groete noemt mij met de Meeste achting
UWE Dv Dienaar !
M. D. Teenstra

___________________________________________________________

Naar Brieven 1836/1837