| ___________________________________________________________ |
Verslag van de Reis naar Brussel (van 18 tot 30 April 1794):
Hoog Mogende Heeren !
De Ondergeteekenden bij Resolutie van den 16 April laatstleden ter Vergadering van Haar Hoog Mog. verzogt en gecommitteerd zijnde, om met den eersten naar Brussel zich te begeeven, ten einde aldaar Zijne Keizerlijke-Majesteit wegens Hoogstdesselfs aankomst in de Nabuurschap van dezen staat te verwelkomen, hebben, benevens den Heer van Lynden van Blitterswijk (welke verpligt zijnde zich naar Zeeland te begeven, uit dien hoogde genoodzaakt is geworden zich van het bijwoonen en onderteekenen van dit Rapport te moeten excuseeren) naar voorafgenomene afscheid ter Vergadering, aan deze Hun opgedragene Commissie trachten te voldoen, en geoordeeld Hunne verrigten en wedervaaren ter dezer gelegenheid in scriptie te meten brengen, en daar van een Rapport te formeren, waartoe Zij de eere hebben van zich te gedraagen.
Op den 18 April uit s’ Hage over Delft en Rotterdam gereijst zijnde, hebben Wij ons in de Buiten – Jagten te Delft en Rotterdam in gereedheid liggende, begeeven om onze reijze te vervolgen; dog door stroom en wind tegengehouden, zijn Wij genoodzaakt geworden des zondags morgen den 20ste daaraanvolgende de Jagten aan de Moerdijk te verlaaten, en ons de Domestiquen en Bagagien te land over Antwerpen naar Brussel te tranporteeren, aangezien de dag der Inhuldiging op den 23 bepaald zijnde en de Visite bij Zijne Keizerlijke Majesteit volgens de informatien reeds voor ons vertrek bekomen, daags voor die plegtigheid moetende plaats hebben, het ten uitersten noodzaakelijk was, dat Wij op het langste genomen Maandags avond te Brussel ons bevonden, en dat de tijd niet toe liet van zulks aan de onzekerheid van eene Reijze te water overtelaaten, gelijk de uitkomst dit ook heeft bevestigd, alzoo de Jagten voor dingsdagavond zeer laat te Brussel zijn aangekomen, en Wijders buiten deze voorzorge geheel en al het bedoelde oogmerk zouden hebben moeten missen, en door de druktens van den dag van den Inhuldiging, en het daarop spoedig gevolgde vertrek van Zijne Keizerlijke Majesteit, mogelijk selfs verstoken zouden zijn geworden van de Ons opgedragene Commissie bekoorlijk te volbrengen.
Te Brussel Maandags avond den 21en aangekomen zijnde, en door het verblijf van het buiten – Jagt van Gecommitteerde Raaden aldaar ten dienste van Zijne Doorl: Hoogheid gereed, dog nog ongebruikt liggende, gelukkig ons van Logement kunnende voorsien, daar de toevloed van Vreemdelingen zulks in de Stad bijna onmooglijk zoude hebben gemaakt, hebben Wij hetzelve in afwagting der Jagten, waar mede Wij afgevaaren waaren, betrokken, en den Heer Hop, Minister Plenipotentiaris(¹) van Haar Hoog Mog: bij het Gouvernement der Oostenrijksche Nederlanden van ons arrivement door den Secretaris der Commissie kennis doen geeven, dewelke weinige oogenblikken daarna aan het Jagt is gekomen om Ons te verwelkomen, gelijk dit mede is geschied door den Heer van Golowskin, die Wij aan het Jagt hadden gevonden.
(¹) Gevolmachtigd minister en de hoogste vertegenwoordiger van de Keizer in de Oostenrijkse Nederlanden
Vervolgens met den Heer Hop in een nader gesprek getreeden zijnde over de arrangementen, welke des anderendaags bij onze Audientie moesten plaats hebben, heeft dien Heer Ons alle mogelijke informatien gegeeven en verders genomen met dat effect dat Wij s’ anderen daags morgens vroegtijdig reeds van Zijne Wel Edele Gestrenge een Billet ontvingen, waar bij Wij verwittigd wierden, dat den Grave van Trautmansdorff, Eerste Minister van het Departement der Nederlanden te Weenen, door Zijne Keizerlijke Majesteit was benoemd geworden om de Copije van onze Credentiaalen van Ons te ontvangen, en dat Wij door eene Hof-Koets zouden worden afgehaald, om Ons bij gemelde Minister en vervolgens ten Hove te begeeven; Alsmede, dat Hij, Heer Hop, ons ten Minister zoude introduceeren, en aan Zijne Keizerlijke Majesteit vervolgens noemen.
Ingevolgen deze afspraak hebben Wij ons op den 22e voor den middag om elf uuren in eene Hof-Koets met zes paarden bespannen, en vergezeld van twee Hof-lakeijen, naar den Heer Grave van Trautenmansdorff(²), zijn verblijf in de Cancellarije van de Staaten van Brabant houdende, begeeven;
(²) Ferdinand von Trautmansdorff, diplomaat en staatsman
hebbende den Heer Hop ons gepraëcedeert met zijne Equipagie, en zijn aldaar op eene zeer beleefde en vriendelijke wijze ontvangen en na de overgave van de Copije onzer Credentie-Brieven, verwittigd geworden, dat Zijne Keizerlijke Majesteit ons terstond daarna zoude zien, terwijl Hij Heer Grave van Trautenmansdorff ons zoude voorgaan, ten einde een oogenblik na Zijne Hoog Wel Geborene afrijdende, zonder vertoeven bij onze komst ten Hove, onze Commissie bij Hoogstgedagte Zijne Keizerlijke Majesteit te kunnen afleggen.
Wij zijn dan ook weinige ogenblikken, na dat den Heer Minister Ons had verlaten, weder op dezelve wijze, als Wij van het Jagt waren afgehaald, naar het Nog gereden, en aldaar aangekomen, in de Antichambre door den Heer Grave van Trautenmansdorff opgewagt welke Ons nader bevestigde, dat Wij straks daarna zouden binnen gelaaten worden.
De twee deuren van de Galerij open gedaan zijnde wierden. Wij door den Groot-Hofmeester Prins van Gavre, verzogt hem te volgen, en door Denzelven geintroduceert en door den Heer Hop voorafgegaan, zijn Wij binnen getreden, en hebben Zijne Keizerlijke Majesteit gevonden aan het einde derzelve staande voor een Daijs(3) en omringd van verscheide Heeren van het Hof, welke stonden achter de fauteuil onder den Daijs geplaatst.
(3) Een soort van baldakijn
Tot aan de Daijs genaderd zijnde, en na dat den Heer Hop ons een voor een aan Zijne Majesteit had genoemd, heeft den Heer van Lynden Zijne Keizerlijke Majesteit met een Compliment ter materie dienende, en met alle gepastheid uitgesproken, uit naam van Haar Hoog Mog: verwelkomd, onder veerzekering van de prijs, welke Haar Hoog Mog: stellen op de vriendschap van Zijne Majesteit, en toewensching van alle heijl en zegen over Hoogsdesselfs Regeering, en voorspoed op de maatregelen door Hoogstdenzelven ter afbreuk van den algemeenen Vijand(4) en in het werk gesteld.
(4) Frankrijk
Zijne Keizerlijke Majesteit heeft zich dit Compliment met alle moogelijke vriendelijkheid en cordaatheid beantwoord; verklaarende, dat de Deputatie Hem aangenaam was, en Hij niet zoude nalaaten de Missive van Credentie te beantwoorden.
Verders heeft Zijne Majesteit ons te kennen gegeeven dat Hoogdtdezelve verwagtede, dat Wij vertoeven zouden om de Ceremonie der Inhuldiging te zien, en vervolgens op de allerinneemenste wijze op Hoogstdesselfs gezegdens nog laaten volgen; dat de Troupes van den Staat met ongemeen veeldapperheid gestreeden hadden, zich zeer wel gedroegen, en dat Hij daar van in Persoon ooggetuigen zijnde geweest, Hen dat getuigenis niet weigeren kon;
Waarop door den Heer van Lynden is gerepliceerd, dat het Haar Hoog Mog: bijzonder aangenaam zoude zijn, en tot een groot genoegen voor de Armee van de Republijck zoude strekken, van zich onder het oog van Zijne Majesteit te hebben kunnen tonen, en van dit vereerend getuigenisse niet alleen te hebben verworden, maar daarenboven hetzelve uit Zijne Majesteits eigen mond, als daar van beter als iemand kunnen oordeelen, te moogen verneemen.
Hier mede de Audientie afgeloopen zijnde, hebben Wij van Zijne Majesteit afscheid genomen, en zijn weder op dezelve wijze uitgeleid, als Wij binnen gekomen waaren, en insgelijks weder met de Hof Koets naar het Jagt gereeden, alwaar Wij aangekomen zijnde, aan de Hof-bedienden door den Secretaris hetzelve Praësent hebben doen ter hand stellen, dat bevorens bij eene gelijksoortige omstandigheid door den Heere van Beantsenburg in den jare 1744 is gegeeven geworden.
In het Jagt terug-gekomen zijn Wij een uur naderhand andermaal naar het Hof gereeden, om aldaar als Particulieren ons Compliment bij den Aarts-Hertog Karel, Gouverneur van de Oostenrijksche Nederlanden, en den Aarts-Hertog Joseph af te leggen, aan Welker Wij door den Heer Hop zijn gepresenteerd geworden, hebbende beide deze Vorsten ons insgelijks met alle den Keijzer ons te kennen gegeeven de gunstige impressie, welke het roemrugtig gedrag van de Armee van den Staat, veroveren van bij het veroveren van het geregistreerde Camp bij Landrecies, ook bij HoogstDezelve had veroorzaakt.
Deze Visiten afgelegd hebbende zijn Wij weder naar het Jagt terug gekeerd tot drie uuren s namiddags, wanneer Wij naar den Heer Hopons begeeven hebben, om het middagmaal door Denzelven aangelegd, en t’welk Zijne Doorlugtige Hoogheid den Prince van Orange, welke eenige oogenblikken te vooren te Brussel was gearriveert, en reeds de Visite bij Zijne Keizerlijke Majesteit had gedaan, met Zijne tegenwoordigheid heeft vereërd, bij te woonen.
Wij hebben aldaar gevonden de Graaven van Trautmansdorff en Metternich(5) met Hunne Gemalinnen en door den Laatsten uitgenoodigd om gedurende ons verblijf van Desselfs Loge in de Comedie gebruik te maken, hebben Wij gemeend deze aanbieding te moeten aanneemen, ten einde daar door meerdere gelegenheid te hebben om Zijne Keizerlijke Majesteit te zien en onze opwagting aan Hoogstdezelve in de Loge van het Hof te kunnen maaken, welke naast die van de Minister geplaatst is, en waar het gebruik mede brengt van zich tusschen de Stukken, die vertoond worden, een oogenblik ten voorschreven einde te begeeven.
(5) Franz Georg Karl von Metternich-Winneburg, diplomaat, gevolmachtigd minister van de Oostenrijkse Nederlanden
Den 23e tot de dag der plegtige inhuldiging van Z. K. Majesteit bepaald zijnde, hebben Wij ons s’morgens om half tien uuren, door den Heer Hop begeleijd, vervoegd naar het Hotel de la Lotterie, op de Place Royale staande, alwaar Wij door den Grave van Trautmansdorff, die Wij daar mede gevonden hebben, genodigt waaren geworden, ten einde de plegtigheid van nabij te kunnen zien: de beide Aarts-Hertogen Karel en Joseph bevonden zich insgelijks ter dier plaatze, en Wij hebben het genoegen gehad van bij die gelegenheid eene vrij geruimen tijd in Hun gezelschap, gelijk mede in dat van Z. D. Hoogheid den Prince van Orange, insgelijks aldaar tot het bijwoonen der Ceremonie verzogt, door te brengen.
Alles in de uiterste ordre afgelopen, en onder eene algemeen toejuiching ten einde gebragt, zijnde er, na de inhuldiging van Z. K. Majesteit was geschied, en de onderscheidene Ordens van den Staat aan Hoogstdezelven den Eed van getrouwheid hadden afgelegd, en dit alles door den Roi d’Armes aan het Volk was bekend gemaakt geworden, eenige Medailles zo van goud als zilver onder de menigte uitgestrooid, die met veel gretigheid zijn ontvangen, dog zonder dat er egter bij die gelegenheid eenig ongeluk hoegenaamd is voorgevallen.
Dien zelven middag hebben Wij benevens Zijne Doorluchtige Hoogheid van de uitnodiging van de Grave van Brancadoro, Nuntius van den Paus, geprofiteerd, en zijn bij Denzelven op een pragtig Maal onthaald geworden, het welk egter niet door de Graven van Troutmansdorff en Metternich is gegewoond, vermits een Diner d’Etiquette aan de Staaten van Brabant door den Laastgemelden in Zijne qualiteit van Minister van den Keizer gegeeven, Dezelve verhinderd heeft het verzoek van meergemelde Nuntius aan te neemen.
S’avonds hebben Wij ons naar den Schouwburg andermaal begeeven, en aldaar doordien het bepaalde vertrek van Z. K. Majesteit op den volgende morgen ons niet toe liet eene nadere opwagting bij Hoogstdezelve te gaan afleggen, in de Loge van het Hof ons afscheid van Zijne K. Majesteit genomen, en zijn weder bij die gelegenheid onder herhaaling. derselfde verzeekeringen, door Hoogstdenzelven Ons bij de eerste Audientie gegeeven, op het minzaamste ontvangen: — En dit alles op deselfde wijze hebbende gereçiproçeerd, hebben Wij eene goede en voorspoedige reijze aan Z. K. Majesteit toegewenscht, en Ons in de Loge geretireerd om Ons naar de nu aangekomene Jagten die Wij dien avond weder hebben betrokken, te begeeven, dewelke Wij ingevolgen de daar toe door Ons gegeevene orders voor zo veel de kortheid destijds zulks had toegelaaten, behoorlijk hebben geïllumineert gevonden, en wel zodanig, dat dezelve eene menigte aanschouwers na zich getrokken hebben, die nimmer mogelijk een vertooning van dien aart hadden gezien.
Donderdag den 24e bij Heer Grave van Metternich, benevens Z. D. Hoogheid, ter middagmaal genodigd zijnde, hebben Wij geoordeeld daar van nog te moeten profiteren, en zijn naar het afloop dezer maaltijd, welke zeer opulent was, en na van Hoogst gemelde Zijne Hoogheid, welke den volgende morgen naar het Leger van den Staat is vertrokken. En van de Minister afscheid genomen te hebben, naar onze Jagten geretourneerd, om de terug reizen nog dien zelfde avond aanteneemen.
Voor ons vertrek hebben Wij van den Eersten Minister, den Grave van Trautmansdorff de hierbij geanexeerde Missive ontvangen, welke Ons heeft doen besluiten van niet naar de ontvangst der eigentlijke Recredentie Brief van Z. K. Majesteit ons vertrek uit te stellen, om zo doende niet verpligt te zijn van deze Commissie buiten noodzakelijkheid te verlengen; en Wij hebben in afwagting der voorsz. Brieven van Recredentie de eere van het gemelde Stuk bij dit Ons Rapport over te leggen, en Ons daar toe te gedraagen.
Wij kunnen Ons niet genoeg loueëren over de vriendelijke wijze op welke deze Commissie van Haar Hoog Mog: zo door Z. K. Majesteit, Haar Hoogheden, als de Ministers is ontvangen, en over de verzeekeringen van toegenegenheid voor de Republijck aan Dezelve gedaan; – als mede over de attentie en behulpzaamheid, die Dezelve van den Heer Hop heeft ondervonden.
Door tegenwinden op Ons retour wederom verhinderd, zijn Wij, na den Heer van Lynden van Blitterwijk bij het Bathsche-Fort verlaten, en van Denzelven afscheid genomen te hebben, met veel moeite en sukkelens op Zondag s’namiddags den 27e dezer te Strijen-Sas voor anker gekomen, en hebben Ons aldaar doen uitzetten, en onze reijze te Lande vervolgd, zo dat Wij s’avonds zeer laat nog alhier zijn gereverteerd, terwijl onze Domestiequen en Bagagien eerst s’anderendaags hebben kunnen aankomen.
Wij vleijen Ons, aan het geene ons was opgelegd, hier mede te hebben voldaan, en van de goedkeuring van Haar Hoog Nog: op onze Verrigtingen en Rapport van dien te moogen verwerven.
Aldus gerapporteerd, en ter Vergadering van Haar Hooge Mog. overgegeven den 30 April 1794.
| ___________________________________________________________ |

| ___________________________________________________________ |
Naar Benoeming Evert Joost Lewe van Aduard