| ___________________________________________________________ |
Op het Sneuvelen van den Schout-bij-Nacht Lewe van Aduard.
te Rotterdam, by Mensing en van Westreenen.
1832.
O Scheldestroom! o Scheldestroom!
Wat voert ge een bloedvlek naar den zoom
Van ’t erf, dat onder ’t drukkend wigt
Van d’oorlogsvracht te zuchten ligt !
De zegeteeknen van den dood
Verhullen u in zwart en rood;
Het zwart vervuld het hemelruim,
Het rood bedekt uw zilvren schuim !
Zaagt ge aan uw boord, door’s vijands hand
De schandvlag van Parijs geplant ?
En galmde ’t dondrend schutgevaart’
Dien gruwel, wrekende, over de aard !
O Scheldestroom ! o Scheldestroom !
Ons kostlljk bloed bevlekt uw zoom !
Uw dood was schoon ! uw roem is groot,
Van Aduard, ô Landgenoot !
Op wien, van eedlen trots bezield,
Ons volk het oog geslagen hield !
Uw roem is groot, uw dood was schoon,
Een onverwelkbare eerekroon
Hebt ge in den heeten strijd behaald •••
Maar ach ! hij werd met bloed betaald.
Ja, grootsch en schittrend was uw taak !
Als kampioen voor de eedle zaak,
Voor orde en regt, voor velk en kreten,
Schraagde ook uw drietand Willems troon.
Maar ’t grieft ons diep, tot in de ziel,
Dat ’t eerlijk hoofd voor Muiters viel,
Voor Muiters, die, van deugd ontbloot,
De schande omhelzen voor den dood;
Die, in de schaduw van Frankrijks vaân,
Hunne oogen op zijn wenken slaan,
Die, hoe verhoogd door praal en schijn,
Nog slaven van een huurling zijn,
Dat grieft ons diep! maar ook ’t bekoort
Ons hart, dat van uw vlottend boord,
Voor jaar en dag in ’t wrekend uur,
Een stroom van vuur, de zee van vuur
Verbreedt heeft, die toen in haar schoot
Moord en vernietiging besloot.
O ! waarom schoot die donkre wolk
Der wrake, op ’t God-vergeten’ volk,
Vervreemd van deugd en pligt en eer,
Geen schrikbre bliksemstralen neêr ?
O ! waarom werd die helsche lust,
Dat vuur, met vuur niet uitgebluscht,
En ’t zaad, dat nu onze aard verschrikt,
Niet in zijn teedre kiem verschrikt !
Gij weet het, Heer ! die ’t al gebiedt,
De boosheid wil, uw wil geschiedt,
Gij weet waartoe al ’t eerlijk bloed,
Zoo wreed gestort, gedjjën moet !
Schoon ’t vlekloos oog het kwaad ook duld’,
Het drukkend wigt van dubble schuld
Zal eens verplett’ren, die het draagt,
Daar ’t kwaad uw heiligheid mishaagt.
Berustende in dien wijzen wil,
Zwijgt Neêrlands volk eerbiedig stil. —
’t Zwijgt, als ’t een .last van lijden beurt,
’t Zwijgt, als ’t een dierbren held betreurt,
Maar als een roofziek rot gebiedt
Wat onregt is, dan zwijgt het niet !
Dan geeft de kracht zijn woorden klem,
Europa siddert voor die stem,
Die, waar men deugd en regt bemint,
Van pool tot pool een weêrkIank vindt.
Verhaal, o koopren mond, verhaal,
Met diepe toon en van ’t metaal,
Dat door uw lippen doodlijk brult,
De rouw, die ’t Hollandsch hart vervult.
Gekrenkte vlag! niet van den top
Krull’ zich uw schoone wimpel op,
Treur ! om den dappren die gij mist,
Tot dat de wraak uw smetten wischt.
Ter wrake op ! dappren ! ’t is uw taak,
Uw vlag, eischt wraak, ja ’t bloed eischt wraak;
Ontrukt het lemmer aan de schêe
En plant de drietand, die de zee
In toom houd en gedwee doet zijn,
Op strand en wal en ravelijn,
En hecht de wimpel, die de mast
Versierd heeft, aan de storm-leer vast,
Bestijgt de sterkte en wreekt den dood
Van Aduard uw Landgenoot !
Rukt Frankrijks vlag van wal en top
En plant er ’t Hollandsch vaandel op,
Beschermt het, door uw vuist en zwaard,
Die wraak is Hollands helden waard !
O gij, wien ’t kregel ongeduld
Den zwarten smet van schande en schuld
Reeds aanwreef, toen d’onzekre kans,
U krijgsroem bood, noch lauwerkrans,
Uw deugd was, groot, uw dood, was schoon !
Wij vlechten u eene eerekroon !
’t Getuigschrift van uw heldenmoed
Hebt gij bezegeld met uw bloed !
L. van den Broek.
14 Dec. 1832.
(Digitized by Google)
| ___________________________________________________________ |
Naar Familie Jan Evert Lewe van Aduard