| ___________________________________________________________ |
17-01-1969 Nieuwsblad van het Noorden, vrijdag
VRIJBRIEF door Jan Reinders
Toen kilometers nog wogen als lood…
Het is de sokken erin geblazen in deze tijd. Vier- of nog meer-baans autowegen hebben we nodig, vliegvelden, helihavens, supersonisch luchttransport, veel snellere en veel meer treinen, meer direct op bevolkingsagglomeraties gericht. NS hebben, zoals u dezer dagen in uw krant hebt kunnen lezen, hun visie voor de al dichtbije toekomst gegeven met betrekking tot het railvervoer.
Het jaar 2000 krijgt steeds duidelijker gestalte. Ouderen kunnen zich nauwelijks voorstellen, dat de adembenemende ontwikkeling, die zij beleefden, zich in slechts een halve eeuw voltrok. Zij beleven technische sprongen vooruit, waarvan ze in, hun kinderjaren niet hadden kunnen dromen. Zij waren erbij, toen kilometers nog loodzwaar wogen, toen elektriciteit nog maar bescheiden toepassing vond, toen snelle communicatie alleen door telegraaf en soms gebrekkige telefoon mogelijk was. Zij waren erbij en zijn er zelf verwonderd over.
Lezers getuigen ervan, reagerend op Vrijbrieven gewijd aan situaties in het begin van deze nu naar zijn eind lopende eeuw. Wij laten hen aan het woord.
De heer A. v. d. Land te Zuidlaren, geboren Zoutkamper, inhakend op wat mej. Kerkstra te Zoutkamp schreef over het moeizaam reizen:
„Ik was erbij. Als militair in de mobilisatie 1914-1918. Als we in Millingen met verlof gingen, vertrokken we ’s morgens met de verloftrein om zes uur uit Stroe (bij Apeldoorn). Aankomst in Groningen ’s avonds plm. zeven uur. Vertrek van Groningen naar Winsum om tien uur. Na aankomst te Winsum per paardetram naar Ulrum en tenslotte te voet naar Zoutkamp. Alwaar aankomst zo omstreeks middernacht!
Elke morgen vertrok van hotel Broekema in Zoutkamp een omnibusje (plaats voor zes à zeven personen) naar Ulrum, waar ’t aansluiting gaf op de tram. Het vertrek werd aangekondigd door trompetgeschal van kleine Hendrik, de koetsier.
En, o ja, Zoutkamp had nog een verbinding met de stad: het stoombootje van Brands, dat tweemaal per week naar Groningen en terug voer. Ook dit bootje vertrok ’s morgens om zes uur.”
Overigens vindt de heer Van der Land met mej. Kerkstra, dat in die tijd in dit dorp door de toen heel intensieve scheepvaart een gezellige drukte heerste. „Er was toen maar één Zoutkamp”. Het verre, verre Groningen (Vrijbrief 21 december) deed mej. A. Kerkstra nogeens haar ballepunt grijpen. Uitvoerig schreef ze over een reis van Zoutkamp naar Purmerend in de strenge winter van 1917, toen de boot van haar vader daar ingevroren lag.
Mej. Kerkstra: „Vader vroeg moeder met mij over te komen naar Purmerend. Grote schrik. Helemaal naar Purmerend? Een reis van Zoutkamp naar Delfzijl, dat ging nog. Purmerend nee. Tenzij vader ons kwam halen. Hij deed dat. Ik was aan de vooravond van de lange, lange reis uitgelaten, maar mijn moeder zag waarschijnlijk tegen die reis op als tegen een berg. Wij reisden met het omnibusje (door de heer v. d. Land vermeld) naar Ulrum, vandaar met tram en trein naar Groningen en daarna met de trein naar Amsterdam, waar we heel laat in de avond aankwamen en waar moest worden overnacht.
De volgende dag werd de reis voortgezet met de stroomtram naar Purmerend. Wij bleven er vier weken. Tot de dooi inviel. IJsbrekers braken het Noord-Hollands kanaal open en toen begon de thuisreis.
Nu met de boot naar Den Helder—Nieuwe Diep. Toen wij op 21 maart de buitenhaven van Zoutkamp binnenvoeren, was het ijs in het Reitdiep nog zo dik, dat je zonder bezwaar van de ene oever naar de andere kon lopen.
Was ik geen lezeres van Uw Vrijbrieven, dit verhaal zou nooit uit mijn pen zijn gevloeid.”
Aldus mej. Kerkstra te Zoutkamp.
Gelukkig dan maar dachten wij. Te vlug wordt vergeten, te vaak over het hoofd gezien, dat in de levensduur van maar één mensengeneratie een geheel nieuwe wereld is ontstaan.
De avonturenserie van de Delfzijlster trein in z’n stoomleeftijd, blijkt nog niet uitgeput.
„En de trein op de lijn naar Delfzijl reed nogmaals terug”, schrijft de heer K. Bakker te Baflo, al was het dan in dit geval de Roodeschoolster.
„Toen ik op een avond van Groningen kwam, en de trein weer van Sauwerd vertrok, merkten we, dat we niet richting Roodeschool, maar Delfzijlwaarts rolden. Maar toen ik riep, mensen we gaan naar Delfzijl, sloegen de remmen al aan. En weer reed een trein op de Delfzijlster lijn terug, al was het deze keer dan maar een paar honderd meter.”
Wie niet terugkwam was de boot de „Vooruitgang” van de dienst Groningen—Schiermonnikoog. (Vrijbrief 27-12-’68).
„Wij wilden”, aldus dhr. Bakker, „te Zoutkamp aan boord om naar Schiermonnikoog te varen. De sluismeester, die de boot schutte, wees ons de steiger in de buitenhaven, waar hij zou gaan aanleggen. Maar de „Vooruitgang” deed zijn naam alle eer aan, stopte niet en ging vooruit volle kracht het ruime sop op. De sluismeester schreeuwde, passagiers wuifden, maar wij hadden het nakijken. Schipper Toxopeus was redder in de nood. Voor 15 gulden bracht hij ons en een ander achtergebleven gezelschap in een open motorbootje naar het eiland. Waar ons het geld werd terugbetaald. Menselijke fout van de haastige kapitein.
Tenslotte nog een pluimpje op het Delfzijlster (stoom)treintje. Van de heer G. D. J. Bloemhoff te Noordbroek, oud-hoofd van de Zuiderschool, getrouw Vrijbrieflezer, zoals hij schrijft. Op reis van Zuidbroek naar Loppersum een twintig jaar geleden, vond hij door treinvertraging bij aankomst in Groningen de trein naar Delfzijl gevlogen. Dienstdoende perronopzichter verwees hem haar een klaarstaande trein naar Roodeschool. „In Sauwerd, tot onze vreugd, stond daar de Delfzijlster trein op ons te wachten. Nog altijd NS erkentelijk voor deze service.” Aldus de heer Bloemhoff.
Een service, dachten wij, die weleens vaker in soortgelijke gevallen is verleend. Trouwens was ook niet het terugrijden naar de vergeten halte, een vorm van dienstbetoon? Topservice zouden wij zeggen. Zij het dan uit NS-nood voortgesproten.
Als u deze gemoedelijke avonturen naast de dezer dagen gepubliceerde nabije toekomstvisie van NS, zet u ze naast de stormachtige ontwikkelingen van luchtvaart, van de auto, ruimteschepen, communicatiemiddelen. Zien we dan niet bijzonder sprekend hoezeer een tijdperk voorgoed is afgesloten?
— En achter coulissen Loeksi: Tied, roemde, wat stelt ’t veur?

| ___________________________________________________________ |
Naar Tramweg-maatschappij „Winsum-Ulrum”