| ___________________________________________________________ |
07-04-1902 Rotterdamsch Nieuwsblad, maandag
Losse Bladen.
In en om Rotterdam.
Penschetsen van Henri M. Dekking.
Erfenis.
We zaten ten laatste in de volgkoetsen achter den lijkwagen, waarin tante lag.
Ziehier de situatie in ééns verklaard:
een ongetrouwde tante dood en vele verre en dichtbije neven, belust op notaris’ boodschap straks.
Het had heel wat voeten in de aarde gehad éér we zoover waren: zaten achter het lijk.
De hoofdbidder, die ’t begrafenisje aangenomen had, moet, voor de schikking, een zuurder avond hebben doorleefd dan een candidaat, die morgen cum laude promoveren wil. Ziedaar alweer een klein métier, welks zware eischen wij niet kennen. Doch ter zake.
Ik zat met drie neven en we vulden ’t dorps-vriendenkoetsje (’t geval speelt in een gehucht bij Utrecht) zeer ten volle. Eén neef uit Arnhem, een tweede uit Zierikzee, de derde uit Zoutkamp.
Waar Zoutkamp lag, wisten we tot dezen dag niet, doch de neef vertelde ’t ons, wen we zaten in de koets op den langen weg naar ’t graf.
Zoutkamp is een visschersdorp in de gemeente Ulrum, Provincie Groningen, aan den mond van het Reitdiep, bij de Louwerzee. Dus tamelijk ver van honk.
De Zoutkampsche neef was gistermorgen al op reis gegaan om begrafenis te kunnen halen, gelopen naar Ulrum, van daar met een soort diligence twee-en-een-half uur verder naar Winsum, daar op den trein naar Groningen en van Groningen met vele malen overstappen naar Utrecht, van Utrecht per stoomboot naar hier. Een reis van achttien uur en die aan vracht zeventien gulden vijfenzestig had gekost. Zoutkampsche neef rekende ons die onkosten voor, begreep er een glas bier te Ulrum, een bittertje in Groningen, een biefstukje in Utrecht en een fleschje Stout op de boot bij. Overige kosten zouden de rekening kunnen verhoogen.
— Maar ik had het voor tante over, zei hij, en zijn stem, krachtig bij de reisbeschrijving en -berekening, werd toonloos, zoo’n goeie vrouw, en minder kon je er toch als neef niet aan doen.
De Zierikseesche neef, die wat jaloersch leek om de buitengewone opofferingen van zijn buurman, rekende ons voor wat een reis hij zou hebben moeten gemaakt, indien er eens geen stoomtram was geweest en hij verzekerde, óók toonloos, dat hij het óók voor zoo’n goeie vrouw als tante was, zou hebben overgehad.
Zooals we daar zaten, waren we neven van den derden graad, weshalve wij in de zesde koets zaten: twee koetsen reden er met eerstegraadsneven, drie met tweedegraads en twee met derdegraads: tante had belangstelling genoeg achter haar kist.
— Ach, je weet niet, waarmee je zoo’n alleenwonend mensch genoegen moet doen, zei de Zoutkampsche neef, anders had ik haar heel graag eens een mandje visch gezonden of zoo. Zoutkampsche visch is puik.
— Ik heb haar wel eens Zeeuwsche jammen gestuurd, vertelde die uit Zieriksee.
De Arnhemsche neef en ik voelden ons diep beschaamd, wij hadden nóóit iets gestuurd en ook nooit plan gehad iets te sturen.
Eerlijk gezeid, ik wist niet dat deze tante leefde, éér ik het bericht kreeg van haar dood-bericht van den executeur-testamentair, den notaris, die tevens de eer had, ingevolge de wenschen van de overledene, mij te verzoeken na afloop van de begrafenis te zijnen kantore te verschijnen, ten einde te hooren lezen de uiterste wilsbeschikking en zoo voorts.
Daar moest dus iets van een erfenis aan vastzitten, meenden enkele deskundigen, die ik raadpleegde, daar mocht ik niet ontbreken.
We gingen door den vinnig-kouden morgen, de koets hotsend over den hard bevrozen bonkigen weg en onze hooge hoeden — hooge hoeden passen nimmer volkomen — schoven over onze rouw-gezichten met elken wagenschok vooruit, achteruit, een hoedendans op derdegraadsneven-koppen, die wat actie hield m het smalle, gedempt belichte interieur, waar wij rouwend neerzaten.
De Zierikseesche neef vertelde ons, dat dit in een jaar reeds de vijfde maal was, dat hij achter een lijk ging, waarop de Zoutkampsche, die zich nu eenmaal niet overtroeven liet, omdat hij heel van de Louwerzee gekomen was, verklaarde dat, indien hij alle begrafenissen vereerd had, waarvoor hem uitnoodigingen waren geworden, hij ditmaal voor de twaalfde maal zàt. En hij rekende ’t ons voor. De koets schokte, de hoeden dansten. ’t Gesprek ging zéér gepast.
Alleen de Arnhemsche neef, die nog jong was, voelde niet den ernst van dezen tocht. Telkens beproefde hij achter de gordijntjes om even uit te gluren naar ’t landschap, doch ’t bestraffend kuchje van den Zoutkamper hield hem even telkens van al te veel profanie terug. Ten leste ging hij deelnemen aan ’t gesprek.
— ’t Is wel aardig, zei hij, zoo eens met familie uit te zijn, die je niet kent.
Waarop de bestraffende Zoutkamper dadelijk opmerkte hoezeer het te betreuren was dat dit geschiedde in zulke tragische omstandigheden, zóó achter een zoo doode en verre nicht.
Arnhemsche neef trachtte iets te beweren over de nalatenschap, doch nu susten Zierikseeër en Zoutkamper om het hardst en ik suste verschrikt mee.
Van zulke dingen sprak men nu nog niet! Maar ’t gesprek drong toen geleidelijk naar de sage van de banden des bloeds, die een mensch, naar mijn cynisch beweren, nooit voelt of er moet aan getrokken worden. De Zierikseesche neef, die een buitengewoon leelijk man was, vond dat de famiegelijkenis tusschen ons vieren toch niet ontkend kon worden… ’t discours was waarlijk onderhoudend.
We waren op het kerkhof éér we ’t wisten, wat, naar men weet, tòch al bij alle menschen het geval is. Zoutkampsche neef merkte dit op.
Om de geopende groeve schaarde ons deftig de bidder, naar den graad van het neefschap, de eerste rangers vlak bij den rand, daarachter de tweede en wij achteraan. Tusschen de beenen door van de eerste graadsneven zag ik tante langzaam zakken. De Zoutkamper naast mij begon in dit moment te huilen — tranen parelden op wangen en ik bewonderde hem zeer, benijdde zijn gepaste aangedaanheid.
Als tante veilig omlaag was, viel er afwachtende stilte. Men vreesde een speech, doch men vreesde om niet. Niemand sprak.
Toen trad de aannemer vóór den kuil en zei, deftig, dat hij de familie dankte voor de eer der overledene bewezen, waarna hij ons in dc volgorde van den heenweg weer in de rijtuigen neerzette. Hoe de man ’t uit elkaar hield, weet ik niet, maar hij vergiste zich in geen enkelen neef en ook op den terugrit zat ik bij Zoutkamper, Zierikseeer en Arnhemmer, ’t Ging nu in een drafje. Do koets hotste over de wegen als een Rotterdamsche omnibus over den Binnenweg en de rouwhoeden schoven en schokten in wondervroolijken dans. De Zoutkamper weende nog steeds en door zijn tranen en schokken heen vertelde hij ons dat hij zou gesproken hebben, als hij méér dan derdegraadsneef was geweest en dat hij ’t niet begreep van den dominé die eerstegraadsneef was en desondanks gezwegen had.
Welk een begrafenis was dit geweest, zelfs geen woord, dan het betaalde van een bidder.
— Wat had je ook moeten zeggen, veronderstelde de Arnhemmer, waartegen de Zoutkamper beslist beweerde dat bij elk graf zeer veel te spreken viel, hijzelf had het vaak gedaan en immer de lieden daarbij tot tranen geroerd. En hij weende.
We waren tamelijk snel in het dorp terug en stonden ook voor ’t huis van den notaris éér we ’t wisten.
De bidder liet ons uit de koetsen los, steeds in de volgorde en we gingen ook daarin ’t kantoor van den notaris beneden vóór binnen, doch aldaar had de bidder geen macht meer. Hier werd dus de orde danig verstoord, de Zoutkamper stond er vóóraan, midden tusschen de neven van den allereersten graad en ik, in de achterhoede, zag tweedegraadsneven en zelfs één eerstegraadsneef om mij. Als dit de bidder had kunnen zien!
Voor de eerste maal in mijn leven woonde ik een plechtigheid als deze bij, ik luisterde dus zéér aandachtig, ook omdat ik wel eenigermate belangstellend was naar het resultaat. Doch ik heb niets verstaan, niets begrepen. De notaris las met een radheid die den deftigen man allesbehalve paste, clausule na clausule, telkens even met nadruk zeggend: waarvan acte, en dit is absoluut alles wat ik er van hoorde.
Andere neven schenen beter onderlegd, hen zag ik althans na iedere acteverklaring elkaar toeknikken in helder begrijpen. Hoe ik hen bewonderde!
Gedaan voor mij, notaris… las de notaris en toen verscheen plots de Zoutkamper naast mij en ik zag zijn betraand gezicht in een grijns van felle teleurstelling.
— Heb je ’t verstaan? vroeg ik hem — hij was evenals ik derdegraadsneef, zijn portie zou dus ook de mijne zijn.
— Jawel, fluisterde hij en de grijns op zijn gelaat werd harder, jazeker heb ik het verstaan, ik heb het maar al te goed verstaan, ik heb er, God beware me, niet eens de reiskosten uit…
— Hoe kan dat, ze was rijk, merkte ik op.
— Ja, hoe het kan, hoe het kan zeg jij me dat. Hoe kan al wat gemeen is. Geen eens de reiskosten. Alles aan Neerbosch, alles op een hoeve na, die geen vier duizend gulden waard is, een schatrijke vrouw geeft me daar alles aan een schatrijke stichting! Begrijp je wetten, die zoo iets toelaten, begrijp je die? Ze moesten zoo’n heele Tweede Kamer ophangen en de ministers er bij.
De Zoutkamper wond zich op tot heftigen nijd. Vergat te fluisteren. En, of zijn voorbeeld aanstekelijk werkte, plots stegen uit ’t verward gemompel dat de kamer doorgonsde, zwaar geaccentueerde uitroepen.
— Mag ik stilte verzoeken, vroeg nadrukkeiijk, alle geluid beheerschend, de notaris.
En er ontstond dan werkelijk stilte.
Mijn Zoutkampsche neef was met de anderen mee geïntimideerd, maar op zijn gezicht bleef de grijns van booze teleurstelling bloeien. Hij veegde zich de betraande oogen droog.
— D”r is me op het graf een vuiltje in mijn oog gewaaid, verklaarde hij me, weer fluisterend. Dat hab je er dan nog bij en niet eens de reiskosten…
— Heeft één van de heeren, hier aanwezig, nog iets op of aan te merken? vroeg de notaris plechtig staande vóór zijn bureau-ministre.
Even stilte. En dan ging uit den kring den eerste-graadsneven een stem op, stem vol vette klanken en diepe berouwings. De dominé sprak.
— Jawel, meneer de notaris. Ik zou u willen verzoeken mij wel te willen antwoorden op de vraag of deze laatste wilsbeschikking volkomen rechtsgeldigheid heeft, dan wel of u meent dat de familie alsnog aanleiding kan vinden de rechterlijke macht tot een uitspraak op te wekken.
— Ik begrijp u niet… zei voorzichtig, doch zeer ernstig de notaris.
Toen schoot de Zoutkamper naar voren en met zijn hoogklinkende lawaaiige stem smeet hij de woorden in ’t luisterend gezicht van den strakken notaris.
— Hij wou weten of dat testament in orde is, want hij wil er zich niet bij neerleggen en dat willen we géén van allen, want al ben ik maar neef uit den derden graad, ik ben een Groninger en ik hou van recht.
— Mag ik u even opmerken, verzocht de notaris en de Zoutkamper zweeg, dat dit testament volkomen naar de wet is opgesteld en dat bij manque van zoons en dochters de overledene het absoluut recht had over haar nalatenschap te beschikken, gelijk zij dit deed.
— Ja, maar, we laten ’t er niet bij zitten, dreigde de Zoutkamper en neen, neen, dat doen we niet! dreigden die anderen.
De Arnhemmer en ik begrepen van dit onderhoud niet veel.
— Wij zullen er ons maar buiten houden, ’t is in goeie monden, stelde hij voor en ik vond dit óók ’t meest verkieselijk.
En wijl ik heusch zonder eenige illusie gegaan was, kon ik rustig, alsof ‘k er volstrekt niet bij geïnteresseerd was, mijn neefjes zien kijven tegen den prachtig onverstoorbaren notaris, die er bijstond, alsof dit alledagswerk voor hem was.
De Zoutkamper had het hoogste woord en een neef met een hazenlip, een neef met een wijsneus en een derde neef met een wuit (wat al familietrekken!) stonden hem hevig bij. De anderen, naast den dominé, zwegen in ietwat dreigende afwachting.
— Het spijt me voor de heeren, maar er is niets aan te veranderen, betoogde nadrukkelijk de notaris. Zóó heeft de overledene beschikt, zóó moet haar wil worden opgevolgd. De heeren hebben alleen te bepalen op welke wijze de hoeve, die zij u heeft vermaakt, moet worden te gelde gemaakt.
Een waar gebrul steeg op. De protesteerende neven sloten zich om den Zoutkamper vast aaneen. Dat zij zich straks als een lawine op den notaris wilden neerstorten, vreesde ik ernstig en ik bewonderde dien rustigen magistraat, met zijn gezicht van oprechte deelneming voor de gefopte neven. Dominé had, gelukkig, zijn kalmte behouden! en hij had, toen hij spreken ging, zwaar galmend, ook overwicht op de toornige familie.
— We zullen, zoo sprak hij, door een rechtsgeleerde onze belangen laten behartigen en tot zoolang verzoeken wij, u de uitvoering van dit testament te willen opschorten om onzentwille…
— Met genoegen, voor zoover dat mogelijk is, beloofde de notaris.
— Dan zult u dus nader van ons hooren en thans hebben wij de eer u te groeten, zei die dominé, zóó beslist, dat niemand spreken dorst, schoon de Zoutkamper, zeer klaarblijkelijk, gaarne nog iets had beweerd.
Het gansche nevengeslacht stond vijf minuten later in de dorpsstraat en achter den dominé aan zette het langzaam zich in beweging, zonder bepaald doel. En in de achterhoede bepraatten de Arnhemmer en ik hoe we daar gingen met een familie in een erfenisquaestie, de eerste die wij beiden mee maakten.
We voelden ons lichtelijk trotsch. Welke behoorlijke familie heeft geen erfenisquaestie?
Gelukkig hadden ook wij er nu een.
Later op dien middag, op de boot, was de gansche familie weer samen in de eerste klasse-kajuit. Ik zat naast den Zoutkamper, die hevig beweerde naar links en rechts en naar de overzijde.
Maar toen de algemeene attentie voor het geval wat moe scheen te worden en ’t luisteren verslapte, kreeg ik zijn opinie alleer en zeer intiem.
Vin je ’t geen schande ! Daar zit ik me op de boot naar Utrecht, en straks op den trein naar Groningen, driemaal overstappen en dan met den trein naar Winsum en dan in den bus naar Ulrum en dan loopen naar Zoutkamp en geen eens me reiskosten ….
— Nou ja, u hebt dan toch tante begraven ….
— Tante, tante. We zitten tot over de ooren in de tantes. Als je die allemaal moest gaan buurten had je dagwerk. Maar leer dit van mij, neef, je bent nog jong. Als je geen universeel erfgenaam bent, moet je nóóit in een erfenis berusten, je moet altijd protesteeren. Je weel nóóit wat het helpen kan en ’t schaadt zeker niets. Toen ik van Zoutkamp ging wist ik al dat ik hier herrie zou hebben, want zóó ben ik. Ik heb op ’t oogenblik negen processen om erfenissen en dit er bij is tien. Om erfenissen kun je geen leven genoeg maken, als je geen universeel erfgenaam ben. En ben je dit wel, dan moet je tòch nog procedeeren, een ontevreden mensch heeft de halve wereld…
___________________________________________________________
Henri Marinus Dekker, * 13-12-1871 Rotterdam, † 08-10-1939 Rotterdam
journalist, letterkundige, voordrager, romanschrijver, toneelschrijver; 1937 voorzitter van de Journalistenkring. Sedert 1892 was hij de verzorger van de afdeling Kunst in het Rotterdamsch Nieuwsblad. In 1909 Van de Rotte tot de Schelde, zwerftochten over de eilanden.
| ___________________________________________________________ |
Naar Tramweg-maatschappij „Winsum-Ulrum”