28-07-1878 Leeuwarder Courant: De bedijking van het Ruigezand 

___________________________________________________________

BIJVOEGSEL, BEHOORENDE BIJ DE LEEUWARDER COURANT van Zondag 28 Julij 1878.

Historische Mengelingen. De bedijking van het Ruigezand.

Thans, nu de overdijking van den mond der Hunze of het Reitdiep voorloopig zoo gunstig is geslaagd en daardoor zulk eene groote uitgestrektheid lands aan de provincie en de stad Groningen is toegevoegd, zij de herinnering verlevendigd aan een andere aanzienlijke bedijking in de nabijheid, die van het Ruigezand. In het laatst der vorige eeuw door twee Friesche boeren met eigene krachten ondernomen. Omtrent hen en hunne voorvaders zijn de volgende  historische bijzonderheden bewaard.
In het jaar 1740 woonden te Oldeboorn de echtelieden Aesge Dirks en Berber Martens. Beiden leidden het boerebedrijf in den grond geleerd en kwamen door vlijt en braafheid van lieverlede vooruit en tot welvaart, zoodat zij eerlang van hunne overwinst te Teerns eene eigen boerderij verkregen. Dan, ongelukkig verloren zij door brand hun huis en al wat zij bezaten. Door eenige vrienden ondersteund, huurden zij een groote boerderij, waarop het hen door moed en ijver zeer wel ging. Doch, helaas, een tweede nog zwaardere ramp trof dit huisgezin door het overlijden van den man, eene vrouw nalatende, die kort daarna beviel van haar achtste kind, waarvan de oudste zoon nog slechts 10 jaren telde. Met hulp van dezen, die zich krachtig ontwikkelde, kwam zij ook dezen tegenspoed te boven, en wist zij door een goed bestuur van hare zaken de kinderen met eere groot te brengen en zich in bestendige welvaart te verheugen. 

Genoemde oudste zoon , die later den naam van Teernstra of Teenstra (naar zijne geboorteplaats Teems) aannam , trouwde op zijn 24e jaar en huurde eene plaats onder Anjum. Ook hem troffen daar tegenspoeden, zoo door de overstrooming van een deel zijner landen als anders, weshalve hij na zes jaren eene andere boerderij huurde ouder Kollum. Na veel moeite en kosten aangewend te hebben, om deze uitgemergelde plaats tot vruchtgeving te brengen, gelukte hem dit wel, doch kreeg hij verschil met den inhaligen eigenaar, die nu van het verbeterde land eene aanmerkelijk hoogere som tot huur eischte.
Door zijne familie en andere vrienden ondersteund kocht hij nu de beklemming van eene boereplaats te Zuurdijk in Groningerland, benoorden het Reitdiep.
Doch ook hier had hij met onheilen te worstelen, dewijl in het eerste jaar een gedeelte zijner plaats door zeewater werd overstroomd, terwijl een deel van zijn vee door de runderpest werd weggerukt
Zijn moed bezweek echter niet, maar scherpten die rampen zijn vernuft en bekwaamheid om alle krachten in te spannen tot welzijn van zijn talrijk gezin en tot verbetering van den landbouw.
Door de invoering van de rijenteelt bij koolzaad en granen, door het wieden en aanaarden met den ploeg en door talrijke verbeteringen meer, bevorderde hij niet alleen zijn eigen voordeel, maar was hij ook zeer nuttig door zijn voorbeeld, dat in Groningen en Friesland vele navolgers vond. Vandaar, dat hij in de algemeene achting en vereering deelde, toen hij in 1806 te Zuurdijk overleed.

Zijn twee oudste zonen, Douwe en Aesge Martens Teenstra deden zich insgelijks als uitstekende landbouwers en bevorderaars van den vooruitgang kennen.
Zij hadden den moed om eene groote uitgestrektheid aangeslibd buitenland aan de Lauwers en den linkeroever van het Reitdiep, benoorden de Ruigewaard en Grijpskerk, in 1792 voor de som van f 40,500 aan te koopen, met oogmerk om die te bedijken. Aan deze groote onderneming waren aanzienlijke kosten en bezwaren verbonden. In 1796 hebben zij haar voor eigen rekening ondernomen en volbragt. Daardoor werd een polder, sedert het Ruigezand genoemd, groot ongeveer 200  bunder, binnengedijkt en in bebouwbaar land herschapen. Deze kapitale dijk had eene lengte van 7520 ellen en eene hoogte van bijna 5 ellen boven volzee. Daarin moesten tot afwatering van de oost- en westzijde twee sluizen worden gelegd, en moest de Oude Rijte of het Kommerzijlster Kanaal op twee plaat-en doorgedamd worden, hetgeen in het oog van velen eene onoverkomelijke zwarigheid opleverde. Door den moed en het beleid der ondernemers werd die arbeid echter volbragt, zoodat hunne stoute en kostbare onderneming gelukkig slaagde. Hierdoor werden (behalve de mede ingesloten Ruigewaardster kwelders en de Polle)  188 bunders beste kleilanden binnengebragt. Bovendien bedroeg de dijk met de hooge weidekwelders nog 72 bunders, het jonge aanwas nog 39 bunders en de onbegroeide slikken nog 69 bunders, zoodat het Ruigezand in zijn geheel 308 bunders oppervlakte heeft.

Zij lieten daarop twee groote boerenhofsteden bouwen en onderscheidene arbeiderswoningen, welke te zamen meer dan 100 Inwoners tellen. 

Men verhaalt, dat de gebroeders Teenstra reeds in 1798 op nog geen dertig bunders lands vijftig lasten winterkoolzaad verbouwden, welke zij verkochten tegen 550 gulden het last. Ook bij het verder in kultuur brengen van deze vroeger woeste gronden behaalden zij groote voordeelen en was deze bloeijende polder voor de welvaart der omgelegen streken van veel belang; te meer, daar zij op het voetspoor van hun bekwamen vader voortgingen met den rijenbouw en door de invoering van de gierbemesting, van het wentelblok om het koolzaad te dorschen en van andere  verbeteringen meer, van gunstigen invloed waren op de verbetering van den landbouw.
Vandaar dat Douwe, de oudste der broeders, toen hij in 1819 overleed, de eer had genoten van benoemd te zijn tot lid der Provinciale Staten en lid van de Commissie van landbouw in de prov. Groningen. De jongste broeder Aesge Martens Teenstra overleed in 1823 en werd ook in het naburige dorp Oldehove begraven.

___________________________________________________________

Terug naar Familie Teensta in Kranten