31-03-1862 Bestek

___________________________________________________________

(handgeschreven tekst | de lange ij wordt geschreven als ıȷ)
Provincie Groningen
Dienst van 1862 Wegen 
Kunstwegen in de gemeenten Ulrum en Leens

Bestek en voorwaarden wegens het aanleggen van een’ grindweg, met een gedeelte klinkerbestrating lang 250 El; aanvangende aan den Kunstweg van Den Hoorn naar de Roode Haan, en wel ter noorden van de plaats van J.L. Boer bıȷ den handwıȷzer langs den bestaanden weg over Zuurdıȷk tot de keienstraat te Houwerzıȷl lang met inbegrip der klinkerstraat 6825 El.

Eerste Afdeeling
Artikel 1.
Beschrıȷving van het Werk

§ 1. Het werk bestaat in het aanleggen van een geheel nieuwe aardenbaan vanaf de keistraat te Houwerzıȷl tot ongeveer 375 El ten westen de kerk te Zuurdıȷk, en in het zooveel noodig verbreeden van den bestaanden kleiweg met het maken van enkele afsnıȷdingen over de landen zooals die voor de besteding duidelıȷk uitgebakend en aangewezen zullen worden, benevens het bepuinen en begrinden van de aardenbaan. Verder in het maken van een klinkerstraat door het dorp Zuurdıȷk ter lengte van 250 El.
Voorts in het naar buiten leggen of overwerken van den Dıȷk vóór de plaats van H Zıȷlma over eene lengte van ongeveer 60 El op zoodanigen afstand dat den weg vóór de woning van genoemde Zıȷlma geene mindere breedte dan 10 El gemeten uit den bestaanden rigcheling bekomen, bıȷ behoud van het zelfde profil als de naast aanliggende gedeelten. 
 Tegen genoemden dıȷk een nieuwe oprede te maken niet smaller dan 4 El onder geen steilere hellingen dan 18 op 1 en met wederzıȷdsche glooıȷingen van 1½ op 1.
Wıȷders eene rigcheling te maken tot scheiding van den dıȷk en den weg ter lengte van 107 El bıȷ genoemde plaats met een beweegbaar gedeelte lang 3 El.
 Alles met de leverantie der daartoe noodige materialen. Genoemde rigcheling gaat na de opening des wegs c.a. over in onderhoud bıȷ genoemde Zıȷlma en komt dus niet in onderhoud bıȷ de provincie.
§ 2. Alle meerdere of mindere lengte die bıȷ nadere meting mogt bevonden worden, zal niet in aanmerking genomen worden, alzoo de weg bepaald blıȷft tusschen de genoemde vaste punten.

Art. 2.
Hoofdafmetingen; aanleg enz.
Rigting.
§ 3 De rigting van den weg strekt van den westelıȷke hoek van perceel gemeente Ulrum sectie E No 470 bıȷ de keistraat te Houwerzıȷl volgens uitgebakende rigting over de perceelen Nos 470, 467, 468, 460, en 459 langs de noordzıȷde van de bestaande scheidingsloot tusschen den dıȷk en de opgenoemde perceelen, verder tusschen de plaats van H Zıȷlma No 457 en de dıȷk en over perceel 455, vandaar over de grensscheiding der gemeenten Ulrum en Leens, over perceel gemeente Leens sectie G No 140 en 141 volgende verder de zuidelıȷke scheidingssloot over perceelen Nos 123, 122, 121, 110, 114 en 115, vandaar over de gracht voor de behuizing van Wed R Bolt, en over de perceelen Nos 88, 86, 87 en 84, over een kleine lengte der bestaanden kleiweg volgende over den zuidoostelıȷken hoek van perceel No 82, vandaar beurtelings over de bestaande weg en de nevensliggende landen tot aan den noordwestelıȷke hoek van perceel No 247, vanwaar den weg verder de bestaande kleiweg volgt. 
Vanaf de scheiding tusschen de perceelen No 734 en 735 alwaar de klinkerweg door de kom van het dorp Zuurdıȷk aanvangt, volgt den weg verder geheel de bestaande kleiweg van Warfhuizen naar de Roodehaan, met afsnıȷdingen over de perceelen Nos 419, 476, 477, en 110, 103, 98 en 97.
De rigting zal verder vóór de besteding uitgebakend zıȷn, en worden aangewezen.

Breedte
§ 4. De breedte van de aardenbaan zal wezen voor de kruinsbreedte door gaande 7 Ellen, of zooveel meer als voor de goede rigting des wegs of wegens het digten van slooten onvermıȷdelıȷk is, zullende de verbreedingen van den weg plaats hebben door het digten van bestaande en het graven van nieuwe slooten of door het terug zetten van heggen, het bıȷtrekken van voetpaden enz; zooals vóór de besteding zal worden aangewezen.
 Hiervan is uitgezonderd het gedeelte voor de behuizing van H Zıȷlma het welk ter lengte van ongeveer 75 El eene breedte bekomt van 10 El, aan beide einden over eene lengte van 25 El in de voor opgegevene breedte van 7 El overgaande.
 De zuiverheid der bogten en lıȷnen zal onder de uitvoering door de directie worden aangewezen.

Wederzıȷdsche glooıȷingen.
§ 5. Overal waar den weg nieuw aangelegd, verbreed of verhoogd wordt zullen de glooıȷingen 1½ op 1 zıȷn en overigens de bestaande glooıȷingen behouden blıȷven, tenzıȷ dezelve gebrekkig zıȷn, inwelk geval deze door afschuining onder een helling van 1½ op 1 hersteld moeten worden, indien de breedte des wegs zulks toelaat, en bıȷ ongenoegzaamheid dier brreedte moeten de glooıȷingen met stapelzoden worden opgezet, altıȷd met behoud van de voor den weg bepaalde breedte.

Bermslooten en afwateringsgruppen
§ 6. De tot het verbreeden en verhoogen van den bestaanden weg te graven nieuwe bermslooten zullen geen mindere bovenwıȷdte hebben dan 3,50 El op het maaiveld, bıȷ eene diepte beneden het maaiveld van minstens 1,30 El voorts met vallingen van 1½ op 1 aan de weg zıȷde en van 1 op 1 aan de land zıȷde.
§ 7. Gelıȷke afmeting wordt gegeven aan de te graven bermslooten, voor het nieuw aan te leggen gedeelte aardbaan, echter moet derzelver profil bıȷ behoud der genoemde glooıȷingen zooals de benoodigde grond voor de aardenbaan zal vorderen op zoodanige plaatsen zooveel vergroten waar het voorgeschrevenen profiel geen genoegzame specie zoude opleveren.
 Bıȷ de graving van de slooten aan de noordzıȷde van den weg ten westen van de plaats van H Zıȷlma over de perceelen nos 459 en 480, moet op de hoogte van 120 El, beneden de kant van den berm des wegs een beneden berm breed 0,70 El blıȷven staan.
 Bıȷ de Weduwe Bolt de bestaande gracht over een lengte van 40 El gemiddeld ter breedte van 5 El op het maaiveld gemeten, te verbreeden volgens aanwıȷzing der directie.
§ 8. Overal waar in stede van bermslooten rigchelingen geplaatst worden, hetzıȷ die rigchelingen als in dit bestek opgenomen ten laste van den aannemer danwel ten laste van de eigenaars der belendende perceelen zıȷn, moeten voldoende afwateringsgreppen gegraven worden van boven breed 0.80 El, boven 0.20 El en diep 0.30 El, of zooveel meer als den voldoende waterafvoer zal vorderen.
 Genoemde greppen moeten buiten de 7 El breedte van den weg, dus binnen de rigchelingen gegraven worden.

Die plaatsen zıȷn:
1o Langs de zuidzıȷde van den weg over perceel no 470 bıȷ Houwerzıȷl;
2o Aan de zuidzıȷde van den weg bıȷ de plaats van H Zıȷlma ter lengte van 107 Ellen
3o Aan de zuidoostzıȷde van den weg over de perceelen Nos 85, 86a, 87 bıȷ de Wed R Bolt,
4o Aan de zuidzıȷde van den weg voor de plaats van D v Kolken

Hoogte
§ 9. De hoogte van het terrein en den bestaanden weg overal voldoende zıȷnde, behoeven er geene andere ingravingen en ophoogingen plaats te hebben dan voorzoover die gevorderd worden ter verkrıȷging van de na te melden klimmingen en dalingen des wegs.
 Bovendien zal wanneer de directie ter verkrıȷging van eene meer horizontale ligging van den weg ingravingen of ophoogingen van den weg mogt verlangen de aannemer hieraan moeten voldoen mits die ingraving of ophooging niet meer dan 0.30 El bedraagt. 
 Deze bepaling is echter niet toepasselıȷk op de laan voor de plaats van Barnjegaten welke afgegraven moet worden tot 0.80 El boven den daarnevens liggenden weg welke hoogte voor de besteding door een duidelıȷk teeken zal aangewezen worden. 
 Boven de gedempte slooten waar deze de as des wegs doorsnıȷden moet de hoogte des wegs 0.25 El meer bedragen dan uit de bovenstaande bepaling voort zou vloeıȷen; met hellingen van 100 op 1 zich met het overige gedeelte van den weg vereenigende

Tonrondte
§ 10 De tonrondte zoowel voor het begrinde gedeelte als voor de bermen des wegs zal zich regelen naar de onderscheiden breedten in evenredigheid van 20 duim over 7 El breedte.
Voor de klinkerstraat zal de tonrondte bedragen 10 duim.

Klimming en daling des wegs
§ 11. Het verschil in hoogte tusschen de onderscheidene gedeelten van den weg zal moeten worden bıȷgetrokken, zoo dat de verschillende rıȷzingen en dalingen geen steilere helling bekomen dan 100 op 1.
 Ter wederzȷden van het midden der woning van H Zıȷlma zal de weg over eene lengte van 20 El dus in het geheel over een lengte van 40 El waterpas moeten zıȷn, en verder ter weerszıȷden onder eene helling van 100 op 1 zich met de bestaande hoogte moeten vereenigen.

Afreden
§ 12 De afreden naar de algemeene zıȷwegen en opslagplaatsen langs het gedeelte reeds bestaande baan, zullen worden aangelegd 30 op 1, toereden op toegangen der landen 15 op 1, met kruinsbreedte als de bestaande, doch voor nieuwe toereden naar de landen ook voor het gedeelte nieuw aan te leggen baan ter breedte van 3 Ellen alles onder wederzıȷdsche glooıȷing van 1 op 1.
 In het gedeelte nieuw aan te leggen baan zooveel dammen in de te graven bermslooten te menageren, als onder de uitvoering zal worden aangewezen
§ 13 Daar waar door afsnıȷdingen over de landen bestaande uitreden naar den ouden weg zouden worden afgesloten dezelve tot aan de nieuwe baan door te trekken en zooveel noodig door het graven van voldoende slooten van de belendende perceelen te scheiden.
Eveneens de afrede van den dıȷk bıȷ de plaats van R E Torringa ten oosten over perceel No 141, tot de nieuwe baan door te trekken en door het graven van een voldoende scheidingsloot van dat perceel 141 te scheiden.
Genoemde verlengde toe- of afreden gaan na de opneming der werks over in onderhoud bıȷ de betrokken eigenaars.

Pompen of duikers
§ 14 Voor het des noodig maken of verlengen van pompen of duikers, wanneer dit als een gevolg van den aanleg des wegs door de directie zal noodig bevonden worden, zal de aannemer leveren en verwerken 2 cub El bezaagd eiken hout, terwıȷl het meerdere of minder benoodigde ofwel het vervangen dezer materialen door metselwerk of pomppannen zal worden verrekend naar de prıȷzen hierachter uitgetrokken in art 7.

Kunstbed
§ 15 De breedte van de puin en grind baan zal zıȷn 3 Ellen, de dikte der puinlaag van Houwerzıȷl tot de scheiding der gemeente Ulrum en Leens, lang ongeveer 698 Ellen, 15 duim en van de grindlaag 7 duim. Het overige gedeelte van den weg de dikte der puinlaag 17 duim en de grindlaag dik 8 duim. De puindikte in beide gevallen te meten na de rolling. Ter behoorlıȷke aansluiting van den grindweg aan de keienstraat te Houwerzıȷl, zal dezelve boog[] aan de hoeken moeten verbreeden, [] een oppervlakte van 42 vierkante Ellen puin- en grindbaan
§ 16 Over den kleiweg aansluitend aan de keistraat te Houwerzıȷl een keistraat te leggen ter oppervlakte van 120 vierkante El eveneens op den afweg naar de Wehesterklap een dito keistoep te leggen ter oppervlakte van 140 vierkt El.
§ 17. De te verlengen uitrede van perceel 478, over perceel 477 van sectie G Gemeente Leens naar de nieuwe baan te bepuinen van de zuidzıȷde van dien ouden weg tot de aansluiting met het kunstbed van de nieuwe baan lang 40 breed 3 El, en ter dikte van 15 duim na te zıȷn gerold.
§ 18. In de kom van het dorp Zuurdıȷk eene klinkerstraat op kant te leggen lang 250 El, breed met inbegrip der beide langs dezelve strekkende molgooten 4 El

Tweede Afdeeling
Art. 3.
Wıȷze van bewerking
Aardenbaan.
§ 19 De aanleg van de aardenbaan moet geschieden overeenkomstig de §§ 237 en 238 in verband met §§ 1, 2, 3, 4 en 5 der algemeene Regelen en Bepalingen, en voorts met inachtneming van onderstaande bıȷvoegingen en wıȷzigingen.
Alvorens met de werken te beginnen overal naar den weg of de te graven slooten door groenland gaan de zoden ter dikte van 8 duim af te steken en zorgvuldig op te stapelen blıȷvende de aannemer daarvoor verantwoordelıȷk als zıȷnde hıȷ verpligt die zoden volgens aanwıȷzing der directe ten dienste van den weg te verwerken bıȷ het opzetten van glooıȷingen met stapelzoden in oude slooten als anderzins.
§ 20 Waar slooten moeten worden gedigt dezelve eerst afdammen, droog maken, en daarna van alle riet, modder enz te zuiveren, ten genoegen der directie terwıȷl de wegkanten der slooten welke kunnen blıȷven bestaan en gebrekkig zıȷn volgens aanwıȷzing moeten worden hersteld.
Houtgewas, rigchelwerken enz, welke tot de verbreeding des wegs moeten opgeruimd worden, voorzichtig uit te nemen, en ter beschikking van de eigenaars te stellen, en desverlangd de rigchelwerken weer te plaatsen, en de daaraan ontstane gebreken te herstellen.
Waar []
(§ 21 tot en met 23 missen)
straat te Houwerzıȷl en de scheiding tusschen de gemeeente Ulrum en Leens, lang ongeveer 698 ellen, onder het kunstbed een bed te maken van zuiver zand van de platen uit het Reitdiep aan te vletten, of van elders mits zuiver en onvermengd ter goedkeuring van de Directie aan te voeren, breed 3 El, dik 30 duim.
§ 24 De minst zamen hangende zandachtige, en onvruchtbare aarde moet onder het midden, en de meest groeibare, en de zoden in de bermen en buitinglooıȷingen der baan worden verwerkt.
Daar waar de nieuwe baan over de landen gaat gepaard met eene noodzakelıȷke verlaging van het terrein in verband met de geschikte hoogte voor den weg voor de Directie te bepalen, kan de bovensteek des verkiezende ter beschikking van de eigenaars gelaten worden. De zoden echter blıȷven ten dienste van den weg.
 Het naar buiten leggen of overwerken van den dıȷk voor de plaats van H Zıȷlma, als mede het maken der op en afreden, moet geschieden behalve volgens de reeds genoemde §§ I tot en met V, nog daarenboven volgens § 6, 7, 9, 10 en 13 der algemeene regelen en bepalingen.
 Alvorens met het werk aan te vangen de zoden ter dikte van 6 duim en 30 duim vierkant af te nemen, om die na de voltooijing weder in het verband als plakzoden te verwerken.
 Wanneer de grond voortkomende uit de vergraving van den dıȷk onvoldoende mogt zıȷn tot het weder behoorlıȷk onderprofiel brengen van den nieuwen dıȷk en de opreden, zal de tekortkomende grond te verkrıȷgen zıȷn door graving van een nieuwe scheidingsloot langs den buitenteen van den dıȷk, tot zoodanige breedte als voor de tekortkomende grond gevorderd wordt. 
 De rigcheling volgens aanwıȷzing te plaatsen, waartoe te leveren, 72 beslagen eikenpaaltjes elk lang 2 El [] 14 bıȷ 14 duim, 329 strekkende Ellen greenen schroot zwaar 14 bıȷ 2,7 duim, benevens een dito draaibaar hekje bestaande uit 2 stıȷlen zwaar 14 bıȷ 14 duim lang 0,90 El 10 strekkende Ellen dito schroot zwaar 14 bıȷ 2,7 duim, met het noodige hang en sluitwerk.
§ 25. Wanneer de bestaande slooten bıȷ verbreeding enz: geheel of gedeeltelıȷk vallen in het talud der aardenbaan, zullen de nieuwe kanten tegen het uit schieten met blokzoden, onder het vereischte profiel worden opgezet, overeenkomstig § 16 der algemeene regelen en bepalingen
§ 26. Van de algemeene regelen wordt § 17 op dit bestek niet toepasselıȷk verklaard.

Bepuining en begrinding
§ 27 De bepuining en begrinding moet geschieden overeenkomstig §§ 239, 241, 242, 245, 246 en 247 der algemeene regelen en bepalingen met inachtneming van het onderstaande.
§ 28. In wıȷziging van het tweede gedeelte van § 245 der algemeene regeling wordt bepaald, dat de puinbestorting in eens moet geschieden en dat alleen de zigtbare stukken moeten worden fıȷngeslagen ter grootte van 4 a 5 duim middellıȷn.
Voorts dat de puinbaan minstens twee maal moet worden gerold, waardoor verstaan wordt het zesmaal passeren van den weg met eene der provinciale ıȷzeren wegrollen, wegende ongeveer 3500 pond, door een voldoend aantal paarden getrokken tot dat het geheel de vereischte vastheid of inelkander zetting heeft bekomen ten genoegen der directie.
§ 29. De voor het onderhoud der puinbaan noodige materialen moet de aannemer op eigen kosten leveren.
§ 30. Op het puinbed na behoorlıȷke vastrıȷding en voorafgaande opneming en deugdelıȷke verklaring door den Ingenieur, de grind in 3 lagen aan te leggen zoodanig dat voor iedere laag een lengte van 100 El met 7 cub El grind wordt gedekt voor het gedeelte van Houwerzıȷl tot de scheiding der gemeente Ulrum en Leens moet []voor het overige gedeelte des wegs 100 El met 8 [] grind worden gedekt Bıȷ het bezigen van verbrıȷzelde keıȷen zal deze bedekking echter in één of twee lagen ter keuze van de directie geschieden.
Iedere laag over den weg gestart, hetzıȷ grind, hetzıȷ verbrıȷzelde keıȷen, zal over de volle lengte moeten worden gerold met eene der voormelde ıȷzeren wegrollen en door een voldoend aantal paarden getrokken.
Door het eenmaal rollen eener laag wordt verstaan het driemaal passeren van den weg met de genoemde rol.
De aannemer zal de rol van eene hem aan te wıȷzen plaats in deze provincie moeten aanvoeren, en dezelve aan het begin des werks onbeschadigd moeten terug brengen.
§ 31. De grind of verbrıȷzelde keıȷen zullen moeten worden opgezet in regelmatige kitsen elk van 1 of 1½ cub El inhoud ter keuze van de directie, onder daartoe door den aannemer te leveren met ıȷzer beslagen mallen, bevattende de opening juist 0,25 El.

Bermen
§ 32. De bermen moeten worden bewerkt overeenkomstig de §§ 244 en 247 der algemeene regelen, envoorts met machtneming dat ook bıȷ de finale opneming des werks de bepaalde tonrondte van 20 duim over 7 El breedte moet bevonden worden, zoo dat de sedert het opmaken der bermen indezelve verzakte plaatsen tot het gevorderd profil vooraf moeten aangerold zıȷn.
§ 33. Vóór den aanleg der klinkerbestrating den weg van alle modder, slıȷk, en losse grond te ontdoen daarna ter breedte van 4 El de sleuf voor het zandbed te graven ter zoodanige diepte, dat na de aanvulling derzelve met 30 duim zand vast aangestampt, de halvesteens bestrating op genoemd zandbed de [] hoogte verkrıȷgt. Overigens geschied de bestrating volgens § 249, 250, 251, 252, 253, 254 en 255 der algemeene regelen met weglating nogthans van de in de tweede alinea van § 249 voor geschrevene roering van de bedding.
De klinkerweg ter breedte van 3 El in het gewone halvesteens verband bestraat, met wederzıȷds 3 kantlagen waarvan de buitenste op het einde, moet sluitende aan genoemde koplaag door eene molgoot wederzıȷds breed 0,50 El verbreed worden [] van de steenen op kant, en de buitenste meer als koplaag bewerkt.
Keistoepen
De keistoepen te maken van veldkeıȷen moeten worden aangelegd overeenkomstig de §§ 256 en 257 der algemeene regelen en bepalingen, met inachtneming dat de zandbedding waarin bestraat wordt eene dikte van minstens 30 duim moet hebben.

Art. 4.
Passage langs de weg
§ 34. Naarmate van den aanvang der werkzaamheden, zal den weg voor de passage met rıȷtuigen worden afgesloten, waartoe door den aannemer met overleg van de directie, intıȷds de noodige afsluithekken en waarschuwingsborden zullen worden geplaatst.
 Voor de belendenden aan den weg zal gelegenheid moeten gegeven worden om langs denzelven naar den naasten opweg te komen met losse paarden en vee, en tot dat einde de plaatsing der bouwstoffen en grond zooveel mogelıȷk geregeld worden.
Waar bestaande wegen of uitreden den weg kruisen, moet aan de voerlieden de behulpzame hand worden geboden en gezorgd worden, dat de passage ten allen tıȷde zooveel mogelıȷk zonder gevaar geschiede.

Art 5.
Onderhoud
§ 35. Na de voltooijing zal deze weg bıȷ den aannemer in onderhoud verblıȷven tot den 31 December 1862, zie art. 47 §§ 264, 265, 266, 267, 278, 269 en 270 der algemeen regelingen en bepalingen voor zooverre op de werken in dit bestek omschreven toepasselıȷk.

§ 36 Er zal te dieneinde door den aannemer in het werk moeten worden gesteld één vaste arbeider, welke tot belooning zal genieten f 3,00 per week.

(vanaf hier gedrukte en geschreven tekst)

Derde Afdeeling
Bouwstoffen.
§ 37. De bouwstoffen moeten voldoen aan de Tweede Afdeeling der Algemeene Regelen, voor zoo verre op dit werk toepasselijk, uitgezonderd de §§ 283 en 309, waarvoor wordt gesteld:
 De puin onvermengd met kalk, aarde of vuilnis, van geene mindere hardheid dan beste roode of gare, hetzij nieuwe of afbraaksteen, voor de vlijlaag niet kleiner dan halve steenen, welke halve steenen minstens eene lengte van 10 duimen moet hebben.
De grind gehord of gewasschen, grof van stuk, of zoogenaamde grove grind, voor de grootste helft niet kleiner dan twee duim, en de wederhelft niet groter dan vıȷf duimen, over alle kanten gemeten.
 Het zal aan de keuze des Aannemers verblijven om verbrijzelde keijen voor grind te leveren, met dien verstande dat vier kub. ellen grind gerekend zullen worden tegen 3 kub. ellen verbrijzelde keijn.
 Afmetingen en hoedanigheid der verbrijzelde keijen overeenkomstig § 308 der Algemeene Regelen en Bepalingen.
De veldkeıȷen hard van soort, egaal van vorm, dik van 10 tot 13 en lang van 14 tot 20 duim.
De zoden groot 30 duim vierkant, dik minstens 6 duim, voor plakzoden, en 8 duim voor stapelzoden.

Art. 7
Eenheidsprijzen
§ 38 Ter toepassing van § 382 der Algemeene Regelen dienen de onderstaande eenheidsprijzen.
Voor eene vierk. el bestrating met klinkersteen, zandbedding enz. f 2.00.
“ “ “ “ grindbaan volgens de besteksbepalingen 1.50.
“ “ “ “ puinbaan, volgens de besteksbepalingen 1.00.
“ “ “ “ veldkeijenstraat op een zandbed, dik 30 duim en met 2 duim dikte zand gedekt 2.20.
“ “ kub. “ grind onder profil opgezet f 5.30.
“ “ “ “ grove puin 3.00.
“ “ “ “ kalkpuin 1.50.
“ “ “ “ greenenhout 60.00.
“ “ “ “ bezaagd eikenhout 85.00.
“ “ “ “ beslagen eikenhout 60.00.
” ” str. el pomppannen, groot in middellijn 28 duim 3.00.
” ” str. el pomppannen, groot in middellijn 20 duim 2.00.
” ” str. el pomppannen, groot in middellijn 14 duim 1.50.
” ” str. el pomppannen, groot in middellijn 9 duim 0.80.
” ” kub. el metselwerk van baksteen klinker in sterke tras. 24.00.
Voor een pond gesmeed ijzer 0.35.
Voor een kub. el aarde, met den kruiwagen over eene hand verwerkt 0.20.
Voor iedere hand verder f 0.10.
Zijnde onder deze prıȷzen, aankoop, vervoer, verwerken, in één woord alles begrepen, met uitzondering evenwel van de prijzen van grind, grove puin en kalkpuin, waarbij het vervoer per as van de naaste opslagplaats afzonderlijk zal berekend worden, als:
Voor het opladen 16 1/2 cent per kub. el vermeerderd voor het vervoer in rede van 3.3 cent per 100 el; afstanden kleiner dan 50 el komen niet in aanmerking.
Indien er afzonderlijke arbeidsloonen, zonder leverantien gevorderd worden, zal daarvoor per dag van 10 uren werkens worden betaald:
Voor een timmerman of metselaar f 1.50.
” ” gewoon arbeider 1.10.
En eindelijk:
Voor het leveren van materialen op bovenstaand tarief niet voorkomende, zal naar den gewonen inkoopsprijs voldoening verleend worden.

Art. 8.
Tijdsbepaling.
§ 39. De aardenbaan en verdere aardewerken zullen gereed en goedgekeurd moeten zıȷn voor of op den 15 Julıȷ 1862.
De puinbaan met de bermen, de klinkerstraat en de keistoepen gereed en goedgekeurd den 15 September 1862.
Het geheele werk, niets uitgezonderd, moet voltooid, ter opneming aangeboden en goedgekeurd, op 10 November 1862, voor zoo verre alsdan nog grind of verbrijzelde keıȷen langs den weg op last der Directie in reserve is, is de Aannemer gehouden deze in den onderhoudstijd te verwerken.
Bij elke tekortkoming aan een dezer bepalingen zal de Aannemer eene korting verschuldigd zıȷn van Tien Gulden voor elken dag te late oplevering, voor ieder dezer bepalingen van zijne aannemingssom af te trekken.
§ 40. Buitendien zal het onderhoud van den weg eerst met den 31 December 1862 geëxpireerd zıȷn.

ART. 9. 

Betaling.
§ 41. De betaling zal geschieden in vier termijnen. 
De drie eerste termijnen, elk groot 3/10 gedeelte der aannemingssom. 
De 1ste termijn, wanneer de aardenbaan en verdere aardwerken voltooid en 2000 strekkende ellen puinbaan gelegd is; de tweede termijn zoodra de geheele puinbaan gereed en de helft der grind aan den weg of aan de opslagplaatsen voorhanden is; zullende de derde termijn bij de geheele voltooijing en oplevering van den weg met inbegrip van bestrating en keistoepen worden afgegeven.
 De vierde termijn, groot het resterende ⅒ gedeelte der aannemingssom na de expiratie van het onderhoud, wanneer de Aannemer alsdan aan al zijne verpligtingen zal hebben voldaan.
In afwijking van § 386 der algemeene regelen en bepalingen, zal de betaling plaats hebben, vier weken, na de afgifte van het certificaat van betaling door den Hoogingenieur.

ART. 10.

Borgen.
§ 42. In wijziging van de §§ 374, 391 en 392 der Algemeene Regelen en Bepalingen diene het onderstaande. 
De Aannemer zal voor de nakoming dezes ten genoegen van Gedeputeerde Staten, twee goede en wel bekende Borgen moeten stellen, die zich door mede onderteekening der acte van aanbesteding hoofdelijk, en voor het geheel verbinden om, bij overlijden, verhindering of verzuim van den aannemer, op aanschrijving van Gedeputeerde Staten, het werk of de leverantie uit te voeren; door welke aanschrijving op hen dadelijk al die regten en verpligtingen overgaan, welke van af het tijdstip der aanschrijving nog aan den Aannemer verblijven of op hem rusten zouden. 
 De Borg of Borgen, zoo beide worden aangeschreven, zijn gehouden met den aannemer of diens regthebbenden, onder toezigt en medewerking van de Directie van den Waterstaat, dadelijk, immers binnen acht dagen onderling vast te stellen het aandeel, dat hem of hun, wegens het verrigtte werk, in verhouding tot de aannemingssom aankomt. 
Door den aannemer of diens regthebbenden, de laatsten onder overlegging van eene acte van geregtigheid, afgegeven door een des bevoegden ambtenaar, moet van het hem of hun competerende aandeel, eene declaratie worden ingediend, bevattende tevens de verklaring, dat hij of zij, met de voldoening der daarin vervatte vordering, wegens dit werk voldaan is of zijn. 
 Voor het geval dat partijen binnen den gestelden termijn, tot de vermelde onderlinge vaststelling, om eenige reden, hoe ook genaamd, niet hebben kunnen geraken, geschiedt zulks onverwijld door of van wege den Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten. 
 Aan de vaststelling daarvan onderwerpen zich zoowel de Borgen als de aannemer of zijne regthebbenden onder afstand van alle regtsexceptien. 
 De Borg of Borgen doen van de hem of hun alzoo aankomende vorderingen blijken bij gewone declaratie. 
Bij een en ander worden in acht genomen de gestelde termijnen van betaling, de beloopene kortingen wegens nawerk, en het verwerkte op den post van onvoorzien werk.
ART. 11 
Wijze van Besteding. 
§ 43. De besteding geschiedt bij enkele inschrijving overeenkomstig § 372 der Algemeene Regelen.
De laagste inschrijver en zijne borgen zullen, zoo zij niet reeds bij de besteding tegenwoordig zijn, zich binnen 3 dagen na de besteding ter provinciale Griffie moeten begeven, ten einde het proces-verbaal der besteding en de daarbij behoorende stukken te onderteekenen.
Art. 12 
Algemeene Regelen en Bepalingen.
§ 44. De Algemeene Regelen en Bepalingen voor de uitvoering en het onderhouden der Rijkswaterstaatswerken vastgesteld bij beschikking van den Minister van Binnenlandsche Zaken, d.d. 24 April 1860, no. 160, 3e afdeeling, voor zoo verre die niet mogten strijden met de in dit bestek gemaakte bijzondere bepalingen, zijn op dit werk van toepassing. Onder dien verstande dat al wat daarin van het Rijk of van den Minister van Binnenlandsche Zaken wordt gemeld in dezen van toepassing is op de provincie Groningen of het Collegie van Gedeputeerde Staten dezer provincie.
Dit ongeteekend stuk geregistreerd te Groningen, den [], achttienhonderd tweeenzestig, deel [], folio [], vak [], houdende [] bladen, geen renvooijen, ontvangen voor regt ƒ 0,80, voor 38 opcenten ƒ 0,305, te zamen een gulden tien een halve cent. 
De Ontvanger,
Opgemaakt en Ingezonden door den ondergeteekende bij missive dd 31 Maart No 807 
De Aspt Ingenieur vd Waterstraat 
[]
Ingezonden door den ondergeteekende Hoofd Ingenieur van den Waterstaat in het 1e district bij missive de 9 April 1862 No 881. 
C Bruinings
Nader ingezonden door den ondergeteekende Hoofdingenieur van den Waterstaat in het 1e district bij missive dd 28 April 1862 No 1046. 
C Bruinings

Nader ingezonden door den ongeteekende Hoofdingenieur van den Waterstaat in het district bıȷ missive 28 April 1862 No 1046.
C. Bruinings

___________________________________________________________

Naar Dossier besluitvorming grindweg over Zuurdijk en Ewer