| ___________________________________________________________ |
22-09-1961 Groninger Landbouwblad
VAN VLAS TOT LINNEN
Toen ik was jong en schoon
Droeg ik een blauwe kroon,
Toen ik werd oud en stijf
kreeg ik een band om ’t lijf
Toen werd ik gebroken, gekneusd en geslagen
En later door prinsen en graven gedragen.
Op de oude borg Verhildersum te Leens wordt tot en met 27 september, zondags gesloten, de interessante tentoonstelling „Van Vlas tot Linnen” gehouden. Hier wordt aan vele aspecten van de vlascultuur en -bewerking aandacht besteed, zodat men bij een bezoek en met behulp van de catalogus een goede indruk krijgt van verleden en heden, ja zelfs iets van de toekomst van dit oude cultuurgewas.
Want oud is de cultuur van vlas en zijn verwerking tot linnen. Reeds de Egyptenaren kenden deze, zoals duidelijk blijkt uit afbeeldingen op de grafwanden van omstreeks 2750 voor Christus, waarop een groot gedeelte van de vlasbewerking is weergegeven. De Egyptenaren droegen linnen kleding en wikkelden hun mummies in linnen.
Het procédé van de linnenfabricage in verschillende tijdperken wordt op de tentoonstelling op duidelijke wijze gedemonstreerd. Het vlas wordt eerst op de repelbank van het zaad ontdaan. In de eerste tijd was deze bank slechts ongeveer 35 cm breed. Dit had het nadeel dat de beide arbeiders, die met het repelen bezig waren om de beurt hun vlasbundel in de repel moesten slaan.
Later is de bank dan ook breder gemaakt, zodat het mogelijk werd, dit gelijktijdig te doen.
Roten
Was het vlas eenmaal van zijn knop ontdaan, dan kon worden overgegaan tot het vrijmaken van het bastgedeelte van de vezel van het houtgedeelte. Daartoe moesten deze eerst worden losgeweekt, d.w.z. de pectine die vezel en hout verbindt moet worden opgelost. Dit gebeurt tijdens het roten, iets geheel anders dan rotten, hoewel het dialect hiervoor hetzelfde woord gebruikt (rött’n). Oorspronkelijk paste men veel het dauwroten toe, het blootstellen aan weer en wind van het te velde uitgespreide gewas.
In Groningerland ging jhr. mr. Hora Siccama van de Harkstede reeds vóór 1840 over tot het sneeuwroten, evenals het dauwroten op het open veld. Het sneeuwroten had evenveel succes. Het had het voordeel dat een opeenhoping van werkzaamheden in de zomer werd voorkomen.
Na uitbreiding der cultuur toen men meer aandacht aan de verwerking ging besteden, ging men over tot de waterroot.
In Groningen werd omstreeks 1890 in het algemeen de volgende methode toegepast. Om over een voldoende hoeveelheid water te kunnen beschikken werd in de nabijheid van een kanaal een bestaande sloot afgedamd, of er werd een slootkuil gegraven, die plm. 4 meter breed en niet al te diep behoorde te zijn. Het vlas werd schuin in het water gelegd. De ruimte tussen het vlas en de bodem mocht niet worden afgesloten. Er moest een tussenruimte overblijven van één tot anderhalve palm. Aan het éne uiteinde van de sloot bracht een paard, zoals dat ook bij de karnmolen geschiedde, een tandradwiel in beweging, waaromheen een paar kettingen liepen. Hierdoor werden twee schroefpompen in werking gesteld, die de sloot van vers water voorzagen. Aan het andere uiteinde der sloot was een verlaging in de afdamming gemaakt om het overtollige water te kunnen lozen. Op deze manier kreeg men dus een zacht stromend water. In stilstaand water was het nodig om aan het einde van het rootproces het water voor afspoeling geheel te verversen. Dit bezwaar werd nu ondervangen. Het is duidelijk dat men in onze omgeving, wel eens verdrietig gestemd dacht aan het uit zichzelf stromende water van de Leye in Vlaanderen, dat men ondanks bovengenoemde kunstgrepen toch niet kon evenaren.
Is de pectine opgelost, dan wordt het vlas gedroogd. Het wordt gedurende enige dagen in kapelletjes op het land gezet. Ze worden bij normale weersomstandigheden na een paar dagen omgezet en eenmaal droog, met de wagen naar de vlasschuur vervoerd.
Braken
Het hout en de vlasvezel zijn nu weliswaar niet meer aan elkaar gekleefd, het hout is nog altijd niet verwijderd. Om dit te bereiken moet er nog gebraakt en gezwingeld worden.
Het braken dient om het hout te breken, te versplinteren. Heel vroeger beukte men het stuk met een braakhamer, blijkens gevonden hamers. Later kwam de handbraak. Deze was geheel van hout. In de tweede helft van de 19e eeuw werd deze opgevolgd door de cilinderbraak, een tweetal geribde metalen rollen, waar het vlas als het ware tussen gemangeld werd. Gebeurde dit eerst nog met de hand, later werden hiervoor achtereenvolgens het paard, stoom, en elektriciteit gebruikt.
Het handbraken gebeurde in het Westerkwartier veelal thuis bij de arbeider. Hij had een braakhut achter zijn huisje staan, tevens bokkehut. In de moeilijke wintermaanden verschafte het braken hem werk en brood. Dit was vooral in de slechte jaren 1830-40 erg belangrijk.
Zwingelen
Het zwingelen diende om de gebroken houtbestanddelen uit het vlas te verwijderen. Het zwingelapparaat bestond uit twee gedeelten, n.1. de spaan en de plank of het bord. Was het een plank, dan stond deze rechtop in een houten voetstuk, waarop de voet geplaatst werd om houvast aan het apparaat te geven. Het gebraakte vlas werd over de plank gelegd en met de spaan verticaal afgeslagen. De spaan bestond uit twee latten, een lange smalle vork of een brede lep, die als houten mes dienst deed en langs het gebraakte vlas scheerde. Een eerste vorm van mechanisatie was de zwingelmolen, een wiel met een aantal zwingelspanen, dat met de voet werd aangedreven, later door een paard of machine en waarvan de spanen steeds langs het vlas sloegen.
Op deze manier werd dus het hout verwijderd.
Schifpot Dit hout, het afval, werd schif genoemd. Het werd gebruikt als stookmateriaal in de vlasfabrieken, maar ook door de arbeider in zijn kleine gietijzeren kolomkacheltje, de schifpot. De laatste heeft zijn naam zelfs gegeven aan de plaats waar vroeger het voetveer over het Aduarderdiep was, tussen Feerwerd en Garnwerd. Tegenwoordig ligt in de omgeving hiervan een brug.
Nadat de vezels nog eens gekamd en geborsteld waren, werden ze gehekeld om ze uit elkaar te halen, zodat er fijnere draad uit gesponnen kon worden. Dit hekelen is het trekken van een bosje vezels over een aantal pinnen, nadat ze er met kracht zijn op geslagen.
Spinnen
Als de vezels dun genoeg zijn worden ze losjes om een lange stok, het spinrokken, gewikkeld, welke laatste op het spinnewiel wordt geplaatst. Het spinnen van linnen is moeilijker dan van wol, omdat het moeilijker is om een gelijkmatige draad te verkrijgen. Dit spinnen moet in een vochtige omgeving plaats vinden, anders breekt de draad te gemakkelijk. Voor het bevochtigen van de draad is speeksel door de jaren heen altijd het middel geweest dat de beste resultaten gaf. In oude tijden gebeurde dit spinnen met behulp van een spinsteentje.
Vele van deze steentjes zijn bij opgravingen weer te voorschijn gekomen. Over de gehele wereld gebeurde het spinnen op vrijwel dezelfde wijze en ook nu nog vindt deze manier op vele plaatsen toepassing, zoals foto’s uit Zuid-Amerika en Zuid-Europa bewijzen. Dan eindelijk kan er geweven, gebleekt en bedrukt worden.
Het blauwverven, dat slechts met heksen samen schijnt te gaan, was een methode om het linnen blauw te verven, zoals de naam trouwens ook al zegt. Hiervoor gebruikte men oorspronkelijk een Westeuropese plant, de wede, later echter de indigo uit Oost-Azië. Met behulp van menselijke urine wist men zich zonder chemische middelen te redden. Dat de straten waar de blauwververijen gevestigd waren niet in een al te beste reuk stonden, valt licht te begrijpen.
De opbrengst
De vlascultuur in de provincie Groningen werd na 1800 op commerciële basis beoefend, hetgeen wel blijkt uit de stichting van een vlasbeurs in de stad Groningen in 1836. Een grote toename van de vlasverbouw vond plaats tussen 1850 en 1860. In 1868/69 en 1870/1871 legde het Genootschap van Nijverheid aan zijn afdelingen vraagpunten voor betreffende de verbouw en de verwerking van het vlas. De afdeling Beerta meende niet tot uitbreiding van het areaal te moeten adviseren, omdat vlas een uitbuitend gewas zou zijn, en op de zware klei van het Oldambt niet zo geschikt. De Noorder afdeling becijferde dat het „gemaak” per bunder van vlas op wortel verkocht f 236,— was, bij verkoop in bundels klaar voor de spinnerij f 264,20. Een voor die tijd voldoende opbrengst. Het thuisweven is in Noord-Groningen al vrij vroeg in onbruik geraakt. Men bracht het gesponnen garen naar de dorpswever.
Blijkens onderwijzersrapporten uit 1828 waren er bijv. in Ulrum toen nog 4 weverijen, in Kloosterburen 3 en in Leens 2. In Noordbroek worden 6 linnenweverijen vermeld.
Behalve voor het maken van linnen diende vooral de kortere vezel, die voor de fijne spinnerij minder geschikt is, voor het maken van touw. Op de tentoonstelling wordt het maken van hoorntouwen gedemonstreerd. Of hiervoor veel vlas wordt gebruikt is in sterke mate afhankelijk van de prijzen van hennep, sisal en manilla. Daar de prijzen van deze produkten thans hoog zijn, worden voor de touwproduktie voor ongeveer 90% vlasgarens aangewend. Hoe er van touw netten gebreid worden laat een aanwezige nettenboeter zien.
Het kamnet
Het linnengoed werd vroeger ópgeborgen in de schatkamer uit die dagen, het „kamnet”. Netjes gemangeld en gevouwen, tot stapeltjes verenigd met rode of blauwe bandjes lagen de hemden. Achter het linnen, zorgvuldig verborgen, de spaarpot. Meer naar voren één of meer zilveren lepels, gebruikt voor de brandewijn met rozijnen op Nieuwjaarsdag.
Boven in de kast een paar rollen linnen, want voorraad was altijd aanwezig.
Katoen werd later een ernstige concurrent van het linnen, vooral in die streken waar de geldeconomie ingang vond. In de armere streken bleef het gesloten-beurzen-stelsel langer in gebruik, en daardoor ook het zelf spinnen en weven van linnen uit eigen verbouwd vlas.
Wat er met linnen bereikt kon worden zal men zelf moeten gaan zien. Damast uit de 17e eeuw, zoveel moeilijker te weven dan tegenwoordige omdat het Jacquard-getouw nog niet was uitgevonden, met jachttaferelen. Gebruikslinnen en linnen voor speciale gelegenheden. Linnen voor religieus gebruik.
Het nieuwste procédé is een chemische omzetting, ontwikkeld door TNO, dat het aloude rotingsproces onnodig maakt. Het is nog niet in de praktijk tot massafabricage gekomen, maar de AKU, houdster van het patent, laat toch enkele resultaten van dit zgn. Novi-vlas zien. Wellicht gaat het linnen dus weer een grote toekomst tegemoet.
___________________________________________________________
Naar Van vlas tot linnen