| ___________________________________________________________ |
Jan Zijlma
Het gezin waaruit Jan Zijlma stamt is dat van een welgestelde boerenfamilie. Zooals gezegd is, hij zag het levenslicht op de boerderij ’t Gansehuis te Houwerzijl, verhuisde in 1839 toen zijn grootmoeder Trijntje Meinderts Bentema stierf met zijn ouders naar ’t Huis Ewer, bleef daar ook na de dood van zijn ouders wonen, sleet de laatste jaren van zijn leven als rentenier te Leens en stierf in het ziekenhuis te Groningen op 5 September 1907 in den ouderdom van 83 jaar.
Dat zijn ouders welgesteld waren heeft voor hem zijn voordelen gehad. Ik bedoel hiermede niet dat hij in grootere weelde is opgegroeid dan anderen boerenkinderen uit zijn naaste omgeving maar dat zijn ouders beter waren ontwikkeld. Mede een gevolg hiervan was dat lectuur een belangrijke plaats in de huiselijke kring beteekende. In tegenstelling met vele andere boerengezinnen werden boeken er gewaardeerd en in eere gehouden en door alle leden van het gezin werd veel gelezen.
Er was ook een bescheiden aantal boeken aanwezig, hoewel van weinig waarde en meest verouderd. Voor de hand ligt dat men in deze kring hieraan niet genoeg had en van buiten af, vooral in de winter boeken werden aangehaald.
Als oudste en misschien ook de grootste liefhebber werd er door Jan Zijlma in de huiselijke kring vaak voorgelezen. Zoo b.v. de Verborgenheid van Parijs van Sue, waarnaar zijn jongste broer toen nog een schooljongen met groote belangstelling heeft geluisterd.
De lectuur bestond veel uit romans en vaak van de beste schrijvers van dien tijd. Daarnaast werken over historie, godsdienst, zedekunde.
Toch was het lezen in hoofdzaak liefhebberij zonder doel, al zal Jan Zijlma daarop in het gezin wel eenigszins een uitzondering hebben gemaakt. Zijn eerste schooljaren heeft hij doorgebracht in Zuurdijk, bij meester Hoekzema (1804-1839). Deze onderwijzer is later naar Ulrum vertrokken en tot de Gereformeerde godsdienst overgegaan. Was het in dien tijd heel gewoon dat men na het verlaten der lagere school voor verdere studie geheel op zichzelf was aangewezen, in dit gezin was men zoo gelukkig dat men na de schooljaren door privaatlessen van de hoofdonderwijzer Onnekes te Ulrum meerdere kennis verkreeg. Deze in dien tijd zeer bekende figuur wist vooral bij zijn leerlingen de lust tot studie op te wekken, wat op Jan Zijlma zeer zeker stimuleerend heeft gewerkt. Na de schooljaren was Onnekes de jeugd gaarne behulpzaam voor verdere ontwikkeling en zoo kwam het dat velen zich vereenigden tot een club van jonge menschen die onder leiding van Onnekes eens in de week of om de veertien dagen bijeenkwamen om zich te oefenen in taal en stijl.
Jan Zijlma was een der ijverigste leerlingen van dit gezelschap en erkende dat ie oefeningen van groote waarde voor zijn later leven zijn geweest. Vele opstellen dateeren uit dien tijd, zijn onderwerpen koos hij graag uit de geschiedenis en uit de bijbel. Groote figuren hadden zijn belangstelling als Karel de Groote, Prins Willem I en vooral Napoleon Bonaparte (deze laatste liefde deelde hij met zijn broer Geuchien Zijlma).
Naast de bijbelsche onderwerpen b.v.
“In veel wijsheid is veel verdriet In veel kennis veel smart”
dit uit Prediker 1, vers 8) stond de mythologie en onderwerpen van beschouwende aard vooraan. Voor onze tijd lijken al deze opstellen gezwollen en hoogdravend van taal en stijl, gezien alleen maar de titels: Weelde zonder schatten doet een staat te gronde gaan; schatten zonder weelde is het graf der zedelijkheid.
Bewijs eens dat liefde, het hoofdbeginsel der Christelijke Godsdienst ook het hoofdbeginsel in een goed ingerichte staat moet zijn.
Gelukkig is de mensch die de weg zijns levens zoodanig bewandelt dat hij, terug moetende treden hetzelfde voetspoor zoude wenschen te bewandelen. Lezen wij de opstellen aandachtig dan merken we dat de vervaardiger iemand was die diep en ernstig over de problemen van zijn tijd nadacht. De oude stelregel: Men moet het bezien vanuit de tijd dat het werd doorleefd en dat is in dit geval voor ruim honderd jaar is ook hier alweer van toepassing. In dit verband noem ik ook nog twee gedichten die bewaard zijn gebleven en wel:
- De eerzucht, een overpeinzing van een op post staande vrijwilliger in de 30 jarige oorlog.
- Gedachte op een wandeling langs het dorp Rottum in de avond van den 26 December 1842.
Het laatste gedicht is opgenomen in een tijdschrift, uitgegeven door E. J. Boneschanser, hoofd der school te Zuurdijk, bovengenoemd tijdschrift heeft helaas maar een jaar bestaan.
Het ligt voor de hand dat dit alles zijn invloed deed gelden op de gesprekken in het gezin zoowel onderling als in de conversatiekring. Het ging veruit boven het gesprek in een gewone boerenfamilie, bepaalde zich niet bij het bedrijf en dagelijksche nieuwtjes maar ook tot water in binnen- en buitenland gebeurde. Overbekend is dat Jan Zijlma met zijn groote woordenvloed meestal toonaangevend was bij zulke gesprekken, waarbij hij zijn meening niet onder stoelen of banken stak.
Voor velen waren dergelijke avonden van opvoedende kracht en kwam het zeker menige bezoeker ten goede aan zijn ontwikkeling, iets wat zijn jongere broer Geuchien altijd volmondig heeft erkend en blijkt uit zijn volgende aantekening: “Mijn broeder kan wel rechtstreeks – al zij het dan ook zeer eenzijdig – als een man van de studie en algemene ontwikkeling worden genoemd. Steeds door hem aangespoord en voorgelicht is dit natuurlijk voor mij van grote betekenis geweest”.
Dat de belangstelling van Jan Zijlma buiten zijn gezichtskring uitging, blijkt ook wel uit de grote bekoring die het reizen voor hen had. Zijn eerste reis maakte hij als zeventienjarige jongen met zijn oom Meindert Jan Zijlma, die handel in koeien dreef op het koeschip naar Holland. Voor deze gelegenheid droeg hij voor het eerst een cylinderhoed, een dracht die toen nog algemeen was. Wie tot de eerste stand gerekend kon worden, behoorde bij feestelijke en deftige gelegenheid aldus gekleed te zijn.
Zonder zoo’n hoed werden jonge mensen eigenlijk niet tot de volwassenen gereekend en door de meisjes niet recht voor vol aangezien.
Daar het reizen toen nog zeer beperkt ging zal het ongetwijfeld een gebeurtenis in de familie zijn geweest toen hij zijn reis naar Londen en Parijs maakte. Helaas is van deze reis niets bewaard gebleven, wel is dit het geval met de reis naar Parijs via Gräfrath, die hij maakte in gezelschap van Van der Ley van Panser onder Vierhuizen, zijn vriend Tonkes uit Meeden en diens nichtje, een kind van jeugdige leeftijd en diens verzorgster. Deze combinatie doet wel eenigszins vreemd aan, maar deze reis had voor het kind een doel en wel het bezoeken te Gräfrath van een zeer bekende oogspecialist voor een consult. Gräfrath is een klein plaatsje bij Elberfeld – Barmen en niet zoo eenvoudig vanaf Ewer te bereiken als men bedenkt dat de reis via Stroobos begon. Opmerkelijk is dat van deze reis drie beschrijvingen zijn gemaakt en wel door de hoofdonderwijzer W. Bronneger-Onnekes te Ulrum als nagedachtenis van Willem van der Ley, die op jeugdigen leeftijd is gestorven, door Tonkes en door Jan Zijlma. Het eerste is zelfs in druk verschenen onder de titel: Nagelaten geschriften van Willem van der Ley, het laatste is in mijn bezit en zeer lezenswaard.
Deze drang naar reizen, het ontdekken van andere landstreken en het leren kennen van andere volken is zeer typeerend voor onze familie, die ook bij zijn broer Geuchien en bij sommige van diens nageslacht in groote mate aanwezig is en is geweest.
Om na te gaan welke verschillende maatschappelijke functies Jan Zijlma in zijn leven heeft bekleed kan ik de volgende noemen:
Zijn lidmaatschap van de Provinciale Staten 1871-1889, waarbij hij zat voor de Liberale Partij van het kiesdistrict Onderdendam. Met hem hadden zitting enkele voor ons bekende namen als D. L. Broekema te Pieterburen, H. W. Wierda te Winsum, D. K. Welt te Usquert, Commissaris was Graaf van Heiden Reinesteen. In 1889 bedankt hij voor dit college en werd opgevolgd door zijn broer Geuchien Zijlma.
Ook als lid van de Gemeenteraad van Leens wordt Jan Zijlma vermeld en wel van 1877-1895. Burgemeester was toentertijd P. A. de Rochefort. Medeleden: R. F. Feddema, J. Dijkhuis, A. Tebbens, J. Hekma, M. J. C. Büchli, M. van Kampen, Jan Huizinga, mr. H. A. Spandau, M. Ritzema, K. Bekema (1890).
In die tijd werd medewerking verleend voor het verharden van de weg Leens-Zuurdijk (1878). Op de voorstel van Jan Zijlma’s verzoek aan de Ged. Staten om de hoogte van de stormvloeden bekend te maken. School te Zuurdijk 50 leerlingen. Er wordt een tweede onderwijzer aangesteld.
Te Mensingeweer wordt wegens uitbreidend leerlingen een nieuwe school gesticht. Te Leens kwam de tweede onderwijzer (90 leerlingen), salaris fl. 650.-. 1893 overname kosterijgebouwen Wehe en Zuurdijk met de scholen mits de koopsom niet te hoog is. In 1887 werd besloten tot de aankoop van 3 brandspuiten voor ieder fl. 100.-.
1890. Benoeming H.J. Noosten tot gemeentearts.
Opvallend voor mij was dat de notulen der Raad vermelden dat Jan Zijlma in 1890 tegen het voorstel om de vakken Fransch en Duitsch in te voeren op de school te Wehe was. Hierin is hij geen baas geworden, daar een jaar later de inwijding van bovengenoemde school met Fransch en Duitsch plaats vond onder aanbieden van een kop thee en een glas wijn.
Als derde functie zou ik willen noemen zijn ambt als kerkvoogd der kerkelijke gemeente te Zuurdijk, waarover ik kort kan zijn, gezien de verslagen die niet zoo vermeldenswaard zijn. In 1873 als notabel verkozen, werd hij 17 November 1875 secretaris-kerkvoogd. Medeleden waren J. Huizing (president) en R. Blink, predikant ds Uilkens.
Dit lidmaatschap heeft geduurd tot 1880. Deze laatste vergadering schijnt niet in volle harmonie te zijn verlopen, gezien de notulen met als slot de mededeeling het bedanken van hem.
Eenige dingen die tijdens zijn kerkvoogdijschap zijn gebeurd zijn:
A. Het aanleggen van de nieuwe begraafplaats met wat hieruit voortvloeit als het verkopen der graven, onderhoud e.d.
B. Het bepleisteren der kerk waar zeer vele woorden over zijn gevallen
C. Het bespreken van de positie van de nieuw te benoemen koster door aftreding van O. P. van Duinen, na ingewonnen advies bij mr. E. D. H. Tellingen.
Besloten wordt o.m. om vruchtgebruik af te staan de kosterijwoning met bijbehoorend erf onder voorbehoud dat aan de predikant en diens paard het noodige verblijf, gelijk vanouds de gewoonte is, te verschaffen en voor het waarnemen van kerkelijke diensten gedurende de predicatie als voorlezen, zingen e.d. een vergoeding van fl. 100.- toe te kennen.
Op de vergaderingen van 20 Maart 1880 werd besloten Van Kampen als eenigste candidaat aan de Raad der Gemeente Leens voor te stellen, een besluit dat door Jan Zijlma als onstaatkundig en tegen het Bestuur weinig voegzaam wordt beschouwd. Het voorstel wordt sterk bestreden maar toch met een stem meerderheid aangenomen. In het verslag van April 1880 lezen we dat E. J. Boneschansker is benoemd als hoofdonderwijzer en dat aan hem op bepaalde voorwaarden het ambt van koster wordt toegewezen. Een voorstel hierop om aan de Raad – ons genoegen te betuigen voor zijn willekeurige handelswijze en miskenningen van Zuurdijkster wenschen – werd met 5 tegen 4 stemmen verworpen.
Eveneens heeft Jan Zijlma zitting gehad in het Bestuur van de Vereeniging ter Bevordering van Landbouw en Nijverheid te Leens. Het eerst vervulde hij de functie van secretaris (1868-1882) in de tijd van voorzitter L. H. Dijkhuis. Laatstgenoemde is in 1882 opgevolgd door J. Zijlma die het voorzitterschap tot 1888 waarnam en ook in deze functie werd opgevolgd door zijn broer.
Maar genoeg over dit gedeelte, alleen wil ik nog graag aanhalen dat Jan Zijlma heeft behoord tot het corps rustende schutterij in de provincie Groningen. De schutterij werd ingesteld in 1795 na de ontbinding van het burgerregiment, deed dienst als reserve van het leger en werd onderscheiden in dienstdoende en rustende schutterij. De eerste was in de stad, de tweede op het platteland. Bij de militiewet van 1901 kwam in plaats van de schutterij de landweer. In 1907 is de schutterij opgeheven. De schuttersmuziek was beroemd. De leden droegen een kepi met zwartgroene glinsterende haneveren op het hoofd.
Aan Jan Zijlma werd door Willem III in febr. 1869 eervol ontslag verleend als kapitein enz. enz. Van het 2e bataillon, 3e compagnie.
Hieraan is nog een anecdote verbonden die mij door mijn oom M. J. Zijlma kort voor zijn overlijden smakelijk werd verteld. Bij het samenkomen der schutterij in het café Neptunus waarschijnlijk in 1870 – dat zou dus na zijn ontslag zijn geweest – bevond hij zich met vele anderen daar om nog eenige raadgevingen ten beste te geven. Hij heeft toen op zeer aanschouwelijke wijze aan de jongelieden gedemonstreerd hoe de sabel te hanteeren om de meeste kans van slagen te hebben. Van boven naar beneden was niet de juiste methode, hij raadde aan van rechts naar links te slaan waarbij het succes van dooden aanmerkelijk grooter zou moeten zijn.
De aandacht voor deze demonstratie was groot en intens, gezien het feit dat de kasteleinske – die achter de tafel op een stoel was gezeten bij te begin van de voorstelling – na afloop ernaast lag doordat ze was flauwgevallen.
Nu over iets anders. Wat het godsdienstig leven betreft kan men hem niet ongodsdienstig noemen. Evenals zijn ouders was hij een trouw kerkganger, maar had de meest vrijzinnige denkbeelden van het gezin. Om lidmaat te worden voelde hij zich bezwaard; met de vragen bij de geloofsbelijdenis gesteld meende hij niet volmondig te kunnen toestemmen. Volgens hemzelf was hij een slecht luisteraar, daar zijn gedachten tijdens de preek vaak ver weg waren, maar het zal in de practijk wel een beetje meegevallen zijn, daar hij een gehouden preek heel goed wist te becritiseeren. Ongetwijfeld zullen zijn gedachten meer dan eens verre van de woorden van den predikant zijn geweest en zal hij ze vrijuit hebben laten gaan. Zijn gezegde dat je nergens zoo rustig zat en zijn overbekende uitdrukking: “Naimand muit Joe” zijn hiervoor teekenend. Bovendien was hij goed op de hoogte van de Bijbelsche Geschiedenis en had groote belangstelling voor theologische kwesties. Vooral de Afscheiding in Ulrum zat hem hoog.
Hierover kon hij urenlang gesprekken houden met de vrouw van Beukema te Houwerzijl, die als 18 jarig meisje de heele geschiedenis had meegemaakt (café Boekholt Ulrum) en die alle feiten en personen kende die in die dagen een rol hadden gespeeld. Deze vrouw was de grootmoeder van meester Wieringa uit Eenrum, die mij hierover inlichtte.
Maar ook de vele opstellen al even aangehaald over bijbelsche onderwerpen getuigen van een belangstelling in die richting.
Als slot van deze zijde van Jan Zijlma haal ik, nog een anecdote aan die hijzelf heeft opgeteekend onder de titel van: “Een relletje uit Zuurdijk“.
In 1843 of 1844 vond men te Zuurdijk onderstaand versje in het kerkezakje, dat tegen een karikatuurteekening van een kerkdeur op den nachtmaaltafel gericht was en wat door den kuiper Evert Schreuder tevens ouderling gemaakt was, maar geen bijval vond, ja zelfs in een kerkeraadsvergadering het model eener vogelkouw genoemd was.
Wat beduidt dat wonder werk,
Op de tafel van deez’ kerk?
Wat verbeeldt zich dat gebouw,
’t Lijkt wel op een vogelkouw.
Menig Zondag reeds voor dezen
Was dat mal figuur in wezen;
Zonder ik begrijpen kon
Waartoe men zooiets verzon.
Jarenlang gaf men J. P. Abbring daarvan de schuld; doch intusschen had J. Zijlma het geheel alleen en zonder medeweten gedaan, als een kleine wraakoefening, omdat de kuiper een aanklacht bij de predikant had gedaan dat Joh’s Beukema en J. Zijlma zijn dochter op de catechisatie hadden uitgelachen wat volstrekt onwaar was.
Het doel werd met dit versje bereikt, want de kuiper was kwaad en werd ermee geplaagd.
Jan Zijlma heeft geschreven, vooral de historie was zijn onderwerp. Hoe werd hij geschiedschrijver? In 1861 begon hij voor het eerst met zijn onderzoekingen (dit is het jaar dat zijn broer Geuchien Zijlma trouwde en naar ’t Gansehuis verhuisde). Oorspronkelijk verzamelde hij wat betrekking had op zijn familie die de laatste jaren van ouder op ouder op Ewer hadden gewoond. Hij was er zeer trots op Fries bloed in zijn aderen te hebben en hij zag in Oost Friesland en zijn bevolking zijn stamland en zijn stambroeders. Deze genealogische onderzoekingen omtrent zijn familie groeiden uit en brachten hem in aanraking met kerkregisters en gemeentehuizen en kerkelijke archieven in de Marne.
Ook verzamelde hij gegevens uit mondelinge overleveringen en oude geschriften, verder deed hij ook vele plaatselijke onderzoekingen. Hij nam alles nauwkeurig en met groote belangstelling in zich op, gaf zichzelf rekenschap waarom het zoo was en waarom het niet anders kom zijn. Zoo had hij in de loop der jaren zijn aantekeningen verzameld, terwijl hij zich daarnaast langzamerhand een bescheiden bibliotheek had gevormd, waarin werken over Groningsche en Friesche geschiedenis de voornaamste plaats innamen. Was hij eerst alleen voor eigen genoegen begonnen te verzamelen, later voelde hij meer en meer de drang bij zich opkomen om dit alles aan de vergetelheid te ontrukken. Aan zijn vriend Meekhoff Doornbosch heeft hij eens gezegd dat hij toomde uitgave van zijn aanteekeningen had besloten om zeker te zijn dat, wanneer hij niet meer leefde zijn moeite en arbeid niet verloren zouden gaan door de handen van menschen die na eenmaal niet de piëteit van het verleden bezaten zooals hij. Geen eerzucht was de drijfveer van de uitgave van zijn boek, maar bewaren, beschermen tegen de schendende hand van een ondankbare nakomelingenschap dat was wat hij wilde.
Om die reden gaf hij zijn boek uit, hij wilde een schipbreuk van zijn arbeid voorkomen. Voor eigen rekening gaf hij “De Marne“, een geschiedkundige beschrijving van de Ommelanden in het algemeen en van het westelijk gedeelte van Hunsingo in het bijzonder uit. Begrijpelijk was het in dien tijd een gebeurtenis dat een boer een boek uitgaf, een feit dat in de meer ontwikkelde landbouwbevolking druk werd besproken.
Zooals zijn bedoeling was, hij reikte verschillende presentexemplaren uit, maar leerde uit ervaring dat zijn boek tot vele huisgezinnen was doorgedrongen en werd gelezen. Hieruit bleek ook alweer dat er bij velen meer liefde voor de historie is dat men zoo oppervlakkig wel zou denken.
Jan Zijlma was een der eersten om te vertellen dat aan zijn boek vele gebreken kleefden; hij beweerde zelfs dat het te vroeg was uitgegeven. Hoe het ook zij, hij had gegeven wat hij kon, was ver verwijderd van een wetenschappelijk centrum, moest zich veel behelpen en roeien met de riemen die hij had.
Volgens Meekhoff Doornbosch verscheen het boek op een ongelukkig tijdstip. “De dageraad” zoo schrijft hij – van een betere, systematische catalogiseering was nog niet aangebroken en het chronologisch register van ons provinciaal archief was sedert 1877 gestaakt.
En juist in die jaren (April 1884) verscheen het boek. Van Mr. H.O. Feith archivaris had hij de meeste welwillendheid ondervonden wat inzage van stukken uit het provinciaal archief betrof. Toch krijg ik de indruk dat hij minstens zooveel stof uit boeken van historie heeft gehaald. Voor mannen als Dr. G. Acker-Strating b.v. had hij groote achting. Bovendien bezocht hij vaak de Academische Bibliotheek om allerlei dingen, ook couranten, na te gaan, waarin hij vooral omtrent zijn familie nog wel iets heeft gevonden.
Maar hoe het ook zij, hoe men ook over het boek “De Marne” mag denken, met welke maatstaven men het ook mag waarderen, afkeuren of critiseeren het boek is met groote liefde tot stand gebracht en zijn waarheidsliefde in de vermelding der feiten stond boven alle verdenking verheven.
Naast vele aanteekeningen op allerlei gebied – familie afstamming, staatkunde, dijkwerken, plaatselijke bijzonderheden e.d.; verzameld in een groot cahier – zou ik in dit verband nog wijzen op twee personen die hem zeer na stonden en waarover dan ook nog iets bewaard is gebleven.
- Thomas Seeratt, oorspronkelijk slavenhandelaar, later commies Provinciaal (1716) een betrekking die nu hetzelfde ongeveer is van hoofdingenieur van den Waterstaat, wonende in de Oude Boteringestraat te Groningen. Voor deze man had Jan Zijlma een groote vereering en hij wenschte voor hem een monument op de dijk achter Hornhuizen voor de groote verdienste door Seeratt aan zijn tijdgenoten en het nakomelingschap bewezen. In Leens heeft hij een rede getiteld: Thomas Seeratt, geschetst in zijn verhouding tot ons Provinciaal Dijkwezen en die nog in zijn geheel aanwezig is, gehouden.
- Nog iemand die Jan Zijlma zeer hoog schatte was Marten Aedsges Teenstra. Het was hem nooit duidelijk dat over deze man zoo weinig was gepubliceerd in tegenstelling met Geert Reinders, ook iemand die zijn volle aandacht had. Over M.A. Teenstra schreef hij een schets als boer in betrekking tot de tijd en de omstandigheden waarin hij leefde. Het handelt dus in hoofdzaak over de landbouw in het begin van de 19e eeuw.
Dit is dan het voornaamste naast verhandelingen vooral op gebied van landbouwtoestanden e.d. wat ik zou willen aanhalen.
Tot slot dan nog iets over de persoon zelve.
Jan Zijlma was iemand die op vreemden niet de indruk maakte dat hij iemand verpersoonlijkte die zijn tijdgenooten ver vooruit was. Alhoewel hij en zijn broer Geuchien Zijlma veel waardering voor elkaar hadden – steeds heeft Geuchien Zijlma in zijn oudere broer een toegewijde vaderlijke vriend gevonden waarvan vele brieven vooral uit de tijd toen de jongste broer in Lingen was, getuigen – waren zij zeer verschillend van aard.
In tegenstelling met zijn broer die zich zeer goed bewoog en de gave had met menschen te kunnen omgaan, maakte hij bij de eerste kennismaking een eigenaardige indruk.
Door zijn groote eenvoud die vooral in zijn kleding tot uitdrukking kwam, zagen sommige hem aan met bijzondere gevoelens, terwijl een groote verlegenheid er nog toe meewerkte dat men in hem wel allerminst een man van kennis zag. Bij een eerste kennismaking was hij teruggetrokken, zwijgzaam.
Ontmoette hij iemand met wie hij niet sympatiseerde dan was hij streng in zijn oordeel en niet matig in zijn critiek, kortaf in zijn beweringen die gepaard gingen met heftige bewegingen van armen en hoofd alsmede verheffing van stem. Hij kon het zich ontzettend druk maken en zichzelf opwinden als hij een zijner stokpaardjes bereed of het een en ander schelmstuk uit de Provinciale Geschiedenis zijn hoofd en hart warm maakte. Dan kwam hij uit zijn hoek en liet loodzwaar de hamer der critiek neervallen op het hoofd van zijn slachtoffer. Van sparen was dan geen sprake.
Was het tegengestelde het geval en had iemand leeren kennen waarvoor hij genegenheid gevoelde, dan stond hij daar open tegenover. Onvermoeid gezelschap was hij voor degene die met hem de liefde voor de gewestelijke historie gevoelde.
Democratisch in zijn hart was de persoonlijke vrijheid hem lief en vrijheid van denken op staatkundig en godsdienstig gebied voor iedere staatsburger was hem heilig. Zooals hij zei was iedere onderdrukking hem een gruwel. Godsdienstige dweperijen en starre dogma’s door de geestelijke heeren aan den volke verkondigd en desnoods opgedrongen aan andersdenkenden haatte hij met een gerechtvaardigde afkeer. Zooals U zult hebben opgemerkt was hij iemand die door zelfstudie veel kennis had verworven (autodidact). Zoo leerde hij Duitsch en de overlevering beweert dat de Fransche kennis werd vergaard door de woorden uit een woordenboekje van buiten te leeren. Het Duitsch had hij noodig om de historische werken over de geschiedenis van Oostfriesland te leeren.
Zoo bestudeerde hij herhaaldelijk “Die Ostfriesische Geschichte” van Dr. Onno Klopp.
Daar hij ongetrouwd is gebleven, de gezelligheid van een normaal gezinsleven dus heeft moeten missen zal deze omstandigheid zeker naast zijn drang naar kennis een stimulans voor zelfontwikkeling en zelfstudie zijn geweest.
Als boer was hij ijverig en driftig van natuur. Vandaar het verhaal dat bij het plaatsen van een dampaal Jan Zijlma als eerste voorop liep met de paal gevolgd door een of meerdere arbeiders met een schop.
Er wordt er zelfs bijverteld dat bij een dergelijke gelegenheid hij door overmatige ijver achterover viel, in de sloot terechtkwam en tot stikkend toe benauwd, zich verslikte in zijn pruim.
Van gezelligheid hield hij veel, hij had graag jonge menschen om zich heen. Hij mocht zich verheugen in een ijzersterk gestel en had het voorrecht een uitstekende gezindheid te bezitten.
Naar de sociëteit ging hij graag, een gelijkgestemde bezoeker was hem zeer welkom, zooals b.v. zijn vriend Meekhoff Doornbosch. Zoo waren beide heeren eens diep in een gesprek gewikkeld onder het genot van een pijp tabak terwijl de flesch eveneens niet voor niets was neergezet. De huishoudster vond de volgende morgen de lamp walmende, de kamer zwart en de beide debaters slapende in een stoel.
Hiermede sluit ik en hoop eenigszins een beeld van Jan Zijlma te hebben gegeven.
Tot slot enkele woorden van zijn vriend:
Jan Zijlma was een eigenaardige persoonlijkheid, bezield met een waarachtige liefde voor de grond waarop hij leefde en geboren was. Voor de Marne is hij zeer zeker een man van beteekenis geweest.
September 1959 I. H. Zijlma
| ___________________________________________________________ |
Naar Familie Zijlma
Naar Jan Zijlma
Naar Itje Hillegonda Zijlma