19-10-1874: Herfstfeest in de borgtuin

___________________________________________________________
 
19-10-1974 NRC Handelsblad, zaterdag 

Herfstfeest in de borgtuin 
Herman Besselaar
  [Het woord schathuis doet denken aan het oude Griekenland, Delphi bijvoorbeeld, waar zulke gebouwen dienden om er kostbare — zo niet heilige — geschenken voor godentempels in te bewaren. Maar ook in ons land komen schathuizen voor, namelijk in de onmiddellijke nabijheid van een of ander kasteel; ze worden ook spijkers genoemd (afgeleid van het latijnse spicarium d .i. korenschuur). In Gelderland zijn er verscheidene, maar die doen tegenwoordig vaak dienst als woonhuis van de kasteelheer omdat kastelen niet goed meer bewoonbaar zijn. Je kunt er ook een aardig museum van maken, zoals in Wychen gebeurd is, of een thee- en koffiehuis voor toeristen die het kasteel komen bezichtigen.
  In Groningen kennen wij twee zulke spijkers — daar heten ze schathoezen — en wel bij de Menkemaborg in Uithuizen terzijde van de borg Verhildersum bij Leens; allebei in een paradijselijke omgeving. Het schathoes van Verhildersum kort geleden heel fraai gerestaureerd; van buiten te zien al een juweel van een gebouw met lichtkleurige bakstenen voorgevel, hoog dak met sneeuwwitte uileborden, vergulde krulletters boven de ingang. Van binnen: romantisch-geschilderde deuren, ouderwets meubilair, langs de wand goede producties van Hendrik Nicolaas Werkman’s Chassidische legenden — Werkman kwam immers uit Leens?

  In dit Schathoes ontmoetten wij mevrouw T. F. Clevering-Meijer, secretaresse van het Ommelander museum, als altijd ijverig in de weer in verband met een expositiewisseling en ook ter voorbereiding van een openluchtvoorstelling van de Noorder Compagnie. „Als u buiten, op het tuinterras, in de zon gaat zitten, kunt u daar onze verse soep proeven”, stelde zij voor. Een idyllisch terras op een schitterende herfstmorgen, met pas klaargemaakte soep — wat een samenloop van heerlijkheden! Een mens kan zich dan volmaakt gelukkig voelen. Het klinkt materialistischer dan het in wezen is; er gaat ontspannende werking uit van zo’n onthaal, geestelijke recreatie, want hier werd geen gewone soep geserveerd maar je reinste nectar, waarvan het kruidige aroma zich vermengde met de geuren van de rijke borgtuin — zuivere magie. De Menkemaborg heeft een ocht kasteelpark met doolhof en rosarium. Verhildersum

bezit een tuin aan de achterkant van het eenvoudige landhuis dat nu met z’n middeleeuwse schietspleten vanuit de kelder uitziet over een grotendeels leeggepompte gracht. Ondanks haar drukke bezigheden wilde mevrouw Clevering ons toch graag zelf iets van haar tuinschatten laten zien: de hoog-opgeschoten struiken met kaardebollen, vreemde stekelvruchten die vroeger wel werden gebruikt bij het ruwen van wollen stoffen; de vlammend-gele aren van de hoge koningstoorts, oudtijds bij tuinfestijnen met hars bestreken en als flambouwen aangestoken; de pronkende dahliaperken; en vooral — „mijn grote trots” — de wilde aronskelk, wonderlijke trossen rodeballetjes op stoere stelen, veilig afgedekt met metalen netwerk — „want je moet zo oppassen, in een van de vorige nachten heeft een onverlaat ons hele begoniaplantsoen totaal vertrapt”.
  Was de wandeling door de siertuin — en niet vergeten ook de kamperfoelietunnel — op zichzelf een genot, het grootste feest vonden wij toch wel het bezoek aan de kruidentuin, waar zoveel ingredienten van de schathoessoep — de consommé de la Trésorerie op z’n lucullisch — worden gekweekt.
  Bij elk gewas is een naamkaartje aangebracht, maar het is dikwijls niet eens nodig omdat sommige geuren — vooral wanneer we een plukje groen tussen de vingers fijn wrijven — voor zichzelf spreken: citroenkruid, bonenkruid. anijs, dille, rozemarijn, marjoraan, kervel, basilicum en dragon.
  De soepgroenten — peterselie en selderie — staan hier in volle perken bijeen. Al wandelend verzamelde onze geleidster een handvol groene pluimpjes en blaadjes, die straks weer in de pan zouden gaan ginds onder het glinsterende dak met de steile zwanetekens. Onderwijl gingen wij door met het lezen van namen: valeriaan, bieslook, rode peper, slangenkruid, zeepkruid. meekrap, weede, alsum („goed tegen luizen”), zuring, pimpernel, reseda, artisjok. Er groeit ook veel Oostindische kers en overal was de lichtkarmozijnkleurige bloesem van het vetkruid sedum te zien, waarop het krioelde van bonte vlinders — een admiraal, o wat een prachtige — en glanzende bijen.
Grote-stadsbewoners zoals wij, die als volslagen vreemdelingen door zo’n tuin lopen en al die levende dingen zien en bij naam horen noemen, voelen zich dan ineens zo bevrijd en verrijkt. De oude borg met hoge stille vensters binnen z’n drassige gracht zag ons heen en weer ….chter de wereld om” gaan tussen kruidentuin en zonnebloemen, zilvergrijs-betoverde wegdistels, herfsttijloos, wilde cyclamen en kardinaalshoedjes.
Wat een herfstfestijn

___________________________________________________________
 
Naar Ommelander Museum en Verhildersum