| ___________________________________________________________ |
No. 3 of Tweede Vervolg van den WEGWIJZER op de Nieuwe Begraafplaatsen te Groningen, bevattende eene aanwijzing van de plaatsen (Klasse, Rij, Nommer, Verdieping,) waar het stof van ieder begravene is ter rust gelegd, met opgave van deszelfs ouderdom en van den dag der begrafenis,
Voorts meer uitvoerige berigten ver eenige Beroemde of Verdienstelijke Mannen, en de opschriften op de Grafzerken en Monumenten.
Uitgegeven ten voordeele van het Groene Weeshuis.
Gedrukt te Groningen, bij J. Oomkes 1835, en te bekomen bij alle Boekverkoopers aldaar.
| ___________________________________________________________ |
JAN EVERT LEWE VAN ADUARD, werd geboren te Groningen den 2 September 1774.
Zijne ouders waren EVERT JOOST LEWE VAN ADUARD en HENRIETTE PAULINE VAN HOSTEN.
Reeds zeer vroeg ontwikkelde zich bij hem de lust voor de zeedienst, en naauwelijks 13 jaren oud, verliet hij het ouderlijk huis en werd bij de Zeemagt geplaatst.
Zijne eerste reis deed hij als Adelborst in 1789 naar de Middellandsche Zee, op de Meermin, Kapitein G. A. van Overmeer.
Vervolgens vertrok hij den 21 October 1791 op het schip Alliantie, Kapitein Sprengler, om eene reis te doen naar de Westindiën, en werd aldaar bevorderd tot Lt. der tweede klasse, den 22 Januarij 1792.
Den 28 September 1795 den rang van Lt. der eerste klasse verkregen hebbende, deed hij in 1796 eene reis naar de Kaap de Goede Hoop, doch alwaar hij den 17 Augustus van dat jaar krijgsgevangen gemaakt werd door de Engelschen, uit welke krijgsgevangenschap hij in het volgend jaar in het vaderland terug kwam.
Den 12 October 1801 tot Kapitein-Luitenant bevorderd, deed hij in die hoedanigheid op het Zeepaard, Kapitein O. Wiggerts, eene reis naar den Archipel, en in 1803 als Kommandant op Korvet Hippomenes, eene reis naar Baltimore, van daar naar Surinamen en over St. Thomas naar Curacao, alwaar hij, na een hevig gevecht aan de wal, andermaal door de Engelschen krijgs- gevangen gemaakt werd.
Den 3 November 1806 werd hij met het schip Utrecht gedestineerd naar de Westindiën, doch strandde met dat schip den 26 Februarij 1807 bij de Orcadische eilanden.
In 1808 ontving hij de Ridderorde van Koning LODEWIJK.
Den 6 Junij 1810 werd hij als Kapitein geplaatst bij het toenmalig Kadetten-Instituut te Enkhuizen.
Den 31 December 1810 werd hij als Kapitein ter zee en Kommandant geplaatst op het schip von oorlog Tromp, zeilde met hetzelve van Hellevoetsluis naar Vlissingen en manoeuvreerde aldaar tot den 3 Julij 1811 onder de orders van den Admiraal Messiesse. In datzelfde jaar ontving hij de orde der Reunie van den Franschen Keizer.
Den 24 November 1813 ontving hij order, om met de staf en de geheele equipage van het schip, eerst naar Cherbourg te gaan en over Rijssel naar Amiens.
Den 21 Januarij 1814 ontving hij bevel, om met het Battaljon de marsch te vervolgen, en alzoo den 25 Februarij te Albi in het Departement de Tarn aangekomen zijnde, werd er order gegeven, om halt te houden, en den 26 door den Plaatselijken Kommandant berigt, dat alle officieren en manschappen als krijgsgevangenen werden beschouwd.
Den 5 April 1814 werd er order gegeven, om naar Roden te marcheren, nadat de equipage reeds verder landwaarts was opgezonden, van waar men zich naar Ville Franche moest begeven, waar men de heugelijke tijding ontving der omwenteling, en vrijheid bekwam tot vertrek.
Aldus in het vrij geworden Vaderland terug gekeerd, werd hij den 6 November 1814 op het schip Caesar geplaatst, en met hetzelve gedestineerd naar de Westindiën, ten einde de koloniën over te nemen, en na het geheele Engelsche garnizoen naar Jamaika overgebragt te hebben, keerde hij naar het Vaderland terug, en deed hij met hetzelfde schip in 1817 nog eene reis naar de Middelandsche zee. Den 10 October 1819 werd hij geplaatst op Z. M. Fregat van der Werf, en deed met hetzelve eene reis naar de Oostindiën. Daar aangekomen, vertrok hij in Junij 1820 naar Macassar, met troepen, om de onlusten met den Koning van Bony tegen te gaan, hetwelk ook gelukte.
In April 1821 weder naar Batavia vertrokken, werd hier alles voor de Palembangsche expeditie, onder het oppertoezigt van den Generaal-Majoor De Cock, gereed gemaakt.
Nu werd de Heer Lewe van Aduard tot commandant geheele Marine bij deze expeditie benoemd.
Den 20 en 24 Junij 1821 werd de aanval gedaan en na twee zware gevechten gelukte het de Nederlandsche magt meester te worden van de geheele batterij en van Palembang. Hoogen roem wordt den Heer Lewe van Aduard bij herhaling toegekend in de officieele rapporten, over deze expeditie, in de Staatscourant van den 8 November 1821, zoo wegens deszelfs ijver en onvermoeidheid in het aanwenden van pogingen, om de schepen door het moeijelijk vaarwater te brengen, als wegens het beleid en den moed, waar mede hij in beide deze actiën gevochten heeft.
Hij ontving daarvoor, bij besluit van Zijne Majesteit van den 7 Mei 1822, de Militaire Willemsorde.
Den 1 Januarij 1822 van Soerabaya vertrokken, arriveerde Lewe van Aduard den 10 Julij behouden in Texel.
In 1824 deed hij nog eene reis naar de Middellandsche zee en den Archipel.
Ook in 1830 was hij weder met het Fregat de Euridice naar de Middellandsche zee bestemd, maar door de toen uitgebroken Belgische onlusten werd deze reis provisioneel opgeheven en kreeg hij order, om met het schip naar Antwerpen te zeilen, alwaar hij den 1 September 1830 arriveerde, het kommando over Z. M. Zeemagt aldaar op zich nam en den
26 October 1830 het begin der plundering in die stad stuitte (Staatscourant van den 31 October 1830), maar dezelve op den 27 October 1830 onder het bevel van den Lt. Generaal Baron Chassé bombardeerde, ten gevolge waarvan het Z. M. behaagde, hem, wegens zijn uitmuntend bij die gelegenheid gehouden gedrag (het zijn de woorden van Prins FREDERIK in eenen brief van den 20 November 1830) bij besluit van den 16 November 1830, No. 59, de Ridderorde van den Nederlandschen Leeuw te vereeren.
Bij Koninklijk besluit van den 23 Maart 1831, No. 56, werd hij benoemd tot Schout bij Nacht en Kommandant der tweede divisie der eerste afdeeling van de linie van defensie te water op de Schelde.
Den 1 Augustus 1831 de vijandelijkheden hervat zijnde, zeilde Lewe van Aduard toen met het gros der schepen en vaartuigen de rivier op, nam post voor het fort St. Marie, nam den 3 dit fort in, als ook de post Pijp Tabak, en haalde daar de Belgische vlag neder.
Hij ontving deswege eenen eigenhandigen brief van den Generaal Baron Chassé, waarin deze hem zijne volkomene tevredenheid betuigde over al hetgeen door hem zoo wel voor als na het hervatten der vijandelijkheden met en bij het Eskader, onder zijne bevelen, was verrigt geworden, en zijnen hartelijken dank voor den aan den dag gelegden ijver voor de belangen van Z. M.
Ook betuigde Prins Frederik bij eenen brief van den 19 November 1831, La. B, No. 61, aan den Heer Lewe van Aduard des Konings bijzondere tevredenheid voor de wijze, op welke dezelve deszelfs toevertrouwd kommandement had waargenomen en over de veelvuldige bewijzen van ijver en beleid door denzelven gedurende hetzelve en voornamelijk gedurende de vijandelijkheden in de eerste helft der maand Augustus te voren gegeven.
Bij eene order van den Generaal Chassé van den 18 September 1832, werd aan den Heer Lewe van Aduard het opperbevel opgedragen over de beide forten Lillo en Liefkenshoek.
Toen de Franschen in het late najaar van 1832 de citadel van Antwerpen belegerden, besloot de Schout bij Nacht in den morgen van den 12 December een aanval te doen op de Kruisschans, ten einde de vijandelijke werken aldaar te vernielen (zie Staatscourant van den 15 Dec. 1832).
Te 10 uren eenige werkzaamheden aldaar bespeurende, deed de Schout bij Nacht terstond de batterijen openen, hetgeen door den vijand in het eerst onbeantwoord bleef.
Kort daarna werd echter van zijnen kant, van achter den dijk een houwitservuur geopend en aanhoudend voortgezet, met dat gevolg, dat acht houwitser-granaten aan boord der Euridice neerkwamen, terwijl een der laatsten van deze omstreeks 3 ure in den namiddag den Schout bij Nacht deed sneuvelen.
Korte oogenblikken voor zijn dood zeide hij nog, dat, zoo hij met het Fregat op deze plaats van nut kon zijn, hij liever verkoos te zinken, dan dezen post te verlaten.
Daar hij echter merkte, dat de geworpen bommen hare rigting getroffen hadden, kwam hij op het dek, om order te geven het sein aan de Stoomboot te doen, om hem te komen afslepen, hem toen (naauwelijks die order gegeven hebbende) een bom het bovenste gedeelte van het hoofd wegnam, (Handelsblad van den 17 Dec. 1832).
Als eene bijzonderheid van de laatste levensoogenblikken van den Schout bij Nacht, wordt in de Amsterdamsche Courant van den 20 December 1832 medegedeeld, dat dezelve, kort voor dat de vijandelijke bom hem trof, tot den Lt. G. R. G. van Swinderen, die zijn Adjudant was, zeide: »wanneer ik val, zorg dan, dat de vlag niet onklaar waaije, maar ze oogenblikkelijk worde geklaard.”
Het toeval wilde, dat de vlag bij het treffen van den Schout bij Nacht juist onklaar geraakte, waarop men dadelijk een jongen in het wand zond, om dezelve weder vrij uit te laten wapperen.
Weinige oogenblikken voor zijnen dood beval de Schout bij Nacht nog den Heer Schrijver en Victualiemeester Ovink aan, om zijne vrouw, wanneer hij bezwijken mogt, op de tijding van zijn sneuvelen voor te bereiden.
Ook had hij, volgens de Amsterdamsche Courant van den 10 Januarij 1833, een kwartier uur voor zijn sneuvelen aan den Overste gezegd, »dat, zoo hij mogt komen te vallen, de Admiraalsvlag moet blijven waaijen, want,” voegde hij er bij, »de vijand moet zich daar nooit in kunnen verheugen.”
Reeds eenige dagen voor zijn dood had hij alles, wat hij van bijzondere waarde aan boord had, in een kistje gepakt, en aan een der officieren herhaaldelijk aanbevolen, toch te zorgen, dit bij zijn dood aan zijne vrouw over te zenden.
In den brief van rouwbeklag door den Directeur-Generaal voor de Marine, ook namens Zijne Koninklijke Hoogheid den Admiraal en Kolonel-Generaal, aan de Weduwe geschreven, wordt gezegd, dat Z. M. door dit smartelijk sterfgeval een verdienstelijk Vlagofficier verloor, die bij onderscheidene gelegenheden zoo vele blijken gegeven had van zijnen moed en zijne trouw voor Koning en Vaderland; zoo als dan ook van hem mogt gezegd worden, dat hij met roem op het bed van eer is gesneuveld (*).
Den 31 December 1832 werd het lijk plegtstatig te Vlissingen ter aarde besteld.
Eene beschrijving van de lijkplegtigheid is te vinden in het Handelsblad van den 3 Januarij 1833, met dit grafschrift:
Hij, die bij Palembang voor Hollands grootheid streed,
’t Verraad en muitzucht bij Antwerpen sidd’ren deed,
Zijn bloed ten offer bragt en door zijn roemrijk sneven,
Het zegel drukte op een vlekk’loos nuttig leven;
Hij, die van moed en trouw het schitterendst voorbeeld gaf,
LEWE VAN ADUARD rust in dit Helden-graf.
(*) Het is opmerkelijk, dat, terwijl er anders in den Belgischen oorlog zoo weinig manschappen en met name zoo weinig Hoofd-officieren sneuvelden, toch de Groninger Schutters hunnen Lt. Kolonel Wimmer, en de Groninger Jagers hunnen Chef Valkenburg verloren en dat ook de eenigste Hoofd-officier, die er van ’s Lands Zeemagt viel, een geboren Groninger was.
De omslag van dit boekje stelt het Monument voor, dat er op de Zuider Begraafplaats alhier regt over den ingang tegen de westelijke heg voor dezen laatsten is opgerigt.

| ___________________________________________________________ |
IN FUNERE VIRI STRENUISSIMI PRUDENTISSIMI
J. E. LEWE ab ADUARD,
qui,
Classi Batavae, ad Scaldim tumultuantibus Belgis oppositae, praefectus,
DIMICANDO PRO PATRIA OCCUBUIT.
Plus genus illustrans, plusne illustratus ab illo?
Gruniacae certe nobilitatis honor,
Aemulus aequorei palmis acquirere Martis,
Terrestri proavi quod meruere, decus;
Quaque tot heroes Nerei praeiere Batavi,
Tempore majoris currere laudis iter,
Linquere pro patriae vitamque salute paratus
Consiliique ipsa Morte minante capax,
Urbe procul patria, LEWE, et procul ore tuorum,
Hic ad aquas, lethi quae tibi causa, jaces.
Anne ideo telis bellasti illaesus Eoï ,
Quum Sumatra auspiciis est superata tuis,
Vilior ut perimat te gens furiata tumultu,
Quam sua seditio proditioque notant?
At bene quod, testis gestorum turba, sodales
Splendida mandarunt surgere busta tibi?
Ut, duce te, vindex Hollandi nominis ora
Ostendat cineres tempus in omne tuos;
Et praetervectus Zeelandum nauta profundum
Cum lacrymis merito marmora honore colat;
Dicat et exstinctum te discens ense rebelli:
Dignus eras pugna nobiliore mori.
J. H. HOEUFFT.
| ___________________________________________________________ |
Naar Jan Evert Lewe van Aduard