| ___________________________________________________________ |
Aan de EdelGroot Achtbare Heeren, Gedeputeerde Staten der provincie Groningen
Geven met de meeste hoogachting te kennen, de ondergeteekenden Roelf Eijes Torringa, landbouwer, Jan Ennes Hekma, landbouwer beide wonende te Zuurdijk en Berend Reinders Dijksterhuis, hoofdonderwijzer te Warfhuizen als zijnde de Commissie voor de Kunstweg over Zuurdijk enz.,
dat zij vernomen hebben, dat het voornemen bestaat om in het Bestek voor dien weg te bepalen, dat voor een gedeelte onder de puinbaan een zandbed moet worden gelegd van 25 á 30 duim dikte en dat door het dorp Zuurdijk eene klinkerstraat moet worden gemaakt. Door deze bepalingen in het Bestek op te nemen zal zeker de Begrooting aanmerkelijk worden verhoogd, ook al neemt men aan, dat de puinbaan dunner zal worden bepaald dan is aangenomen, daar dit tegen het meerdere transport enz. van het zand niet zal kunnen opwegen. Konden nu de meerdere kosten buiten bezwaar der Commissie en buiten bezwaar der betrokken gemeenten Leens en Ulrum worden gevonden, zoo als toch wel regt en billijk zou zijn, ondergeteekenden zouden niet noodig hebben op te merken, dat bedoelde bepalingen noch in het ingezonden Bestek of Begrooting van kosten, noch in de voordracht van UEGrtn, die onveranderd door HH. Provinciale Staten is aangenomen, worden gevonden en dat er zelfs in het Rapport van den Heer Hoofsingenieur van den 27 Mei 1861 Nr 1319 geene sprake van is, ofschoon daarin, na locale opneming, op de constructie de aanmerking is gemaakt, dat de puinbaan op 17 en de grindbaan op 8 duim dikte moest worden bepaald, zooals dit dan ook is geschied.
Nog meenen ondergetekenden te mogen opmerken, zoo als hun ook door deskundigen is verzekerd, dat zelfs op de zwaarste kleigronden in onze provincie onder de puinbaan nog nimmer een zandbed is bepaald, dat dit alleen het geval is geweest op de slappe en lage darggronden der weg van de Leek naar de Poffert, en dat zij het hier geheel onnodig achten, daar nu de zwaarste gedeelten der tot nu toe bestaande weg n.l. bij den dijk vervallen en door hooge zavelachtige kleigronden worden vervangen.
Nog brengen wij onder de aandacht van UEGt, dat door den Heer Hoofdingenieur in den regel de glooijing van slooten etc. worden bepaald 1 ½ op 1.
Dit komt ons, vooral hier, te vlak voor. Evenwel zullen we ons in dezen hebben onderwerpen aan het gevoelen van UEGt. Ofschoon wij hadden gehoopt, dat ten gevolge van ons verzoek van den 29 November 1861 met het maken der aardebaan en de uitbesteding meer spoed ware gemaakt, daar dit tevens in het voordeel der contribuanten zou zijn geweest, daar late uitbestedingen in den regel het duurst worden,
vinden wij ons gedwongen, ten einde in geene finantiele moeijelijkheden te geraken, en in vertrouwen, dat UEGrtn onze zienswijze geheel zullen billijken, ons nogmaals tot UEGrtn te wenden met het sub mis verzoek te willen zorgen:
a dat de kunstweg over Zuurdijk invoege voorgedragen en aan genomen, zonder zanddekking onder een gedeelte daarvan, en zonder klinkerstraat door het dorp Zuurdijk, onveranderd, worde daargesteld en
b dat de glooijingen door UEGrt mogen worden bepaald en met een en ander nu zoo veel mogelijk spoed worde gemaakt om tot de uitbesteding te geraken ’t welk weer om vele redenen verkieselijk is.
’t Welk doende:
R E Torringa
J.E. Hekma
BR Dijksterhuis
Zuurdijk den 14 Maart 1862
___________________________________________________________
Buurtschap De Poffert valt onder drie oude gemeenten (Aduard, Leek en Hoogkerk), omdat het strategisch is gelegen rond de “kruising” van de waterwegen Hoendiep, Zuidwending en De Grave.
Ongeveer 5 kilometer ten oosten van De Poffert raakte op 6 november 1907 de koets van de familie Van Panhuys, waarin de burgemeester van Leek en de oud-Commissaris der Koningin met hun echtgenotes, in dichte mist te water. Alle leden van de familie en hun knecht kwamen daarbij om het leven. De koetsier wist zich te redden.
| ___________________________________________________________ |