| ___________________________________________________________ |
Eijerland den 15 December 1835
Den WelEdelen Heer N. J. de Cock
Directeur der Societeit van Eigendom
van Eijerland te Rotterdam
Wel Edele Heer!
Ik heb het genoegen UWEd te kunnen informeren dat ik na eene niet voorspoedige reis gepasseerde week met Schipper J. L. Dubois van de Zoltkamp alhier aangekomen ben, met zekeren Geert Louwes Bentema, Landb. te Zuurdijk en Jurriën van der Helm te Ulrum, de eerste om hierzoo mogelijk als Zetboer geplaatst te worden en de laatste om Eijerland huis te betrekken, hebbende de eerste mij beloofd binnen 8 dagen nader omtrent zijne denkwijze te zullen schrijven terwijl de tweede genegen is om: –
a. Het opzigt van Eijerlandhuis, de daargelegene landen, vee enz, tegens vrije woning met het houden van Logement, en vrij melkgebruik op zich te nemen, waarop de zelve gaarne met UWEd antwoord vereerd zoude willen worden.
b. De Boomkweker Tiete Bosgra Oz. te Bergum in Vriesld heeft mij geschreven 2000 populieren en 10,000 Elzenboomen tegens 15 Centen het stuk de eersten en 10 gld per duizend de laatsten te willen leveren mits de kosten van transport half voorde Societeit van Eijerl en half voor hem, gelijk ook het instaan voor het gewas half en half gedurende de eerste twee jaren.
c. Schipper Dubois boven gemeld de welke te Winsum een nieuw vaartuig op stapel heeft en als loots dóór en dóór met onze Noordelijke Zeegaten bekend is, heeft mij zijne genegenheid te kennen gegeven om zich met zijn schip aan de Roggesloot te Etablisseren, wanneer men hem slechts een provisioneele Keet aan de Roggesloot zoude willen afstaan, alwaar zijne vrouw de thans hebbende victualie winkel van de Zoltkamp zoude kunnen overplaatsen, willende hij als dan ten behoeve Eijerland varen en bij gebreke daarvan zich met de visscherij, en het vragtvaren op en van elders generen.
Dit zoude mijns inziens voor Eijerland een groot gerijf zonder bezwarende kosten zijn.
d. Bij mijn eerst volgende schrijven zal ik UWEd de teekening en begrooting van kosten eener Rosmolen, met hakselmachine voor paarde voeder (waar van de maker beter molenmaker dan teekenaar is) doen toekomen.
e. Ook heeft zich bij mij een wel bemiddelde Broodbakker aangemeld, met name Eildert van Weerden te Leens, Prov. Gron: die zich onder provisioneel genot van eigen woning geheel en al voor eigen rekening op Eijerland als Bakker of Molenaar of beide wenschte te Etabliseren om het brood naar de gewoone zetting te leveren, zoo hij zich slechts van zuiver en zoetwater voorzien konde.
De Begraving op Eijerland voor zoo verre nu bepaald is, kan bij dit weder met 14 dagen afgelopen zijn, veele slooten en greppen wellen echter successivelijk weder digt, en wel het meeste op laage zandige plaatzen, alwaar de grond het natste is, echter zal dit bij eene betere loosing spoedig verminderen, ook ziet men reeds dat het land veeldroger en gezonder is op 5 ellen afstand der slooten en en spuiten dan in het midden der metjes, dus ook hier op Eijerland weder een sprekend bewijs, dat het land van onderen uitwatering behoefd, en waarlijk de slooten hebben om dit te bevorderen geen inhoud genoeg, zoo dt het land bij een minder droog Zomer en Herfst nog geheel plas en dras zijn zoude doch hierin is gemakkelijk te voorzien, wanneer men aan het geprojecteerde Midden Kanaal tusschen de strekkende wegen, een meerderen inhoud geeft, terwijl het land hier veelal het laagste en daardoor het waterachtigste van geheel Eijerland is.
f. Ik stel UWEd dus voor om het middenkanaal te doen graven op eene boovenwijdte van 9 ellen, 2 ellen diepte onder het terrein of wel meer bepaaldelijk op 1.50 Onder volzee, en ééne el in den boven gevende een glooijeng van 2 op 1 en eene inhoud van 10 Kubieke ellen; – (waarvan de Kub. el voor de thans bestaande sloot niet kan worden afgetrokken, aangezien de aarde nog op de wallen ligt). –
Dit middenkanaal zoude ongeveer 8000 ellen lang worden, en de Kub. el tegens 12 Centen berekend, of f 1.20 de Strekkende el, bedraagd eene Som vanaf f 9600 voor vier bruggen in de dwarswegen ieder 3½ ellen breed op hoofden van rijswerk tegens 100 guldens, zijnde ruim gerekend f 400.
Door dit plan te doen effectueeren, zoude men niet alleen groot gerijf hebben om met kleine schuiten het binnenlandsch transport gemakkelijk en min kostbaar te maken, maar tevens eene weerbare scheid of Zwetsloot daar stellen, tusschen den Dijk en de Duinboerderijen, zoo dat ik om meer dan eene reede het graven van dit Kanaal gerustelijk aan beveelen durf. –
Het Koolgewas neemt hier op Eijerland boven alle mijne verwagting der vorige maand meer en meer in groei en fleur toe, de meeste stukken (eenige uitgezondert) staan zelfs uitmuntend goeden er zijn stammen genoeg, terwijl de korte kroelen kruinen, eene echte donkergroene kleur hebben, doch ! …. op veele plaatzen is hetzelve jammerlijk door vreeten en trappen der Schuimsche Schapen gehavend, de welke zeer graag op het jonge koolgewas zijn, zoo dat ze maar over slooten, dijken en dammen heen springen; Ook schijnt er ten dien opzigte eenige onwilligheid bij de Herders plaats te vinden, zoo dat ik mij misschien te vergeefsch tot hun gewend heb, met dringend verzoek om hier voor meerdere zorg te dragen, en dit voor te komen.
Morgen wanneer ik den Hr Wisboom met den Burg op Eijerld terug verwacht, zullen wij een plan beramen om dit onaangenaam en schadelijk indringen der schapen geheel te doen ophouden, door bijvoorbeeld bij de beteelde landen eene Keet te plaatzen, waarvan de Vrouw en Kinderen des daarin te plaatzene werkman, de verplichting opgelegd word, om de schapen te weren. –
Uit dit laatst vermelde aangaande de vernieling der schapen vinde ik mij genoopt nogmaals op het daar stellen van een schutbaar midden Kanaal aan te dringen, en vinde mij verplicht nu ik mij op het terrein zelve bevinde en deze grieven voor oogen heb UWEd den raad te geven.
g. Om in het vroege voorjaar van 1836 met de Cultuur een aanvang te maken, met dat gedeelte lands wel tusschen het zoogenaamde middag Kanaal en de hoofdweg ligt, en hiervan het hoogere en meest kleiachtige gedeelte met Zomer-garst, en de zandige gedeeltes met Zomer Koolzaad te bezaaien, – en vervolgens in den Zomer en Herfst (echter na rijpere overweging) dat gedeelte met Winter Koolzaad te bezaaijen wat tusschen de hoofdweg en den dijk ligt, dan toch heeft men voor geen indringen en schade van het vee te vrezen, het welke tevens goed drinkbaar water aan de duinen bekomen kan, terwijl het water van het langs den dijk en Midden Kanaal gelegene land, misschien ook door de weinige regens nog zeer brak is. – Doch hoe het plan van in Cultuurbrenging ook moge worden vastgesteld, het te betalen land moet altoos voor het vee beschut zijn.
h. Ook wenschte ik gaarne van UWEd te vernemen of UWEd zelve, dan of ik de timmerman W. van Doorn, op de Heere gracht te Leijden, schrijven zal om hier te komen ?
Aangenaam zal het mij zijn, Spoedig met UWEd antwoord vereerd te mogen worden. –
Zoo dra mij iets van belang voorkomt zal ik de eer hebben UWEd van een en ander nader rapport te doen, en Hen de Eer mij met de Meeste Hoogachting te noemen
Wel Edele Heer !
UWEDvDienaar !
M. D. Teenstra
Directeur van Landbouw van Eijerland.
Naar Brieven 1836/1837