15-03-1952: De dorpssamenleving voor de eerste wereldoorlog door H. D Louwes

___________________________________________________________
 
Hierna de teksten van een drietal lezingen, die de heer H. D. Louwes te Westpolder voor de A.V.R.O. heeft gehouden. 
Opmerkelijk is dat het eerste gedeelte van de tekst al gepubliceerd was in het Groninger Landbouwblad van 30-06-1951
___________________________________________________________
 
15-03-1952 Groninger landbouwblad  

H.D. Louwes: De dorpssamenleving voor de eerste wereldoorlog  

  Toen mijn Grootvader, wijlen de Heer D. R. Mansholt in 1909 een boekje uitgaf: „Vor einem halben Jahrhundert”, waarin hij zijn jeugdherinneringen uit Oost-Friesland omstreeks 1850 weergaf, ving hij aan met het lied van Rückert, dat begint met de woorden:
  Aus der Jugendzeit, aus der Jugendzeit klingt ein Lied nur immer dar.
  O wie liegt so weit, o wie ligt so weit was mein einst war.

Toen vond ik dit een mooi gedicht zonder meer, nu kan ik, ouder geworden, de weemoed ervan meevoelen. Die weemoed gevoel ik ook nu ik mij ga verdiepen in herinneringen aan ons dorpsleven voor de eerste wereldoorlog, zo’n veertig, vijftig jaar geleden.
  Ik geloof te mogen zeggen, dat de tijd tussen de jeugd van Grootvader Mansholt en zijn bezinning op rijpere leeftijd geen breuk vertoonde, slechts geleidelijke veranderingen, doch dat die tijd van voor de eerste en na de tweede wereldoorlog er geen van geleidelijke overgang is geweest maar een met drie duidelijke breuken:
de eerste wereldoorlog,
de crisis der dertiger jaren en
de tweede wereldoorlog.
  Als ik mij tracht voor te stellen, op welk gebied die radicale breuken vooral zichtbaar zijn, dan geloof ik, dat ik er een drietal moet noemen:
de machtsvorming en plaatsverandering in de maatschappij van de arbeiders,
de toenemende bemoeiing van de Overheid met alles en nog wat en
de vervanging van een geest van rust en behaaglijk geloof in kennis en vooruitgang van voor 1914 door die van pessimisme, angst en geestelijke, onzekerheid van nu.
Toen twijfelde men aan niets, nu twijfelt men aan alles. 

  Wanneer ik U nu in de geest meeneem naar ons dorpje Vierhuizen in het N.W. der provincie Groningen, dan moet U niet menen, dat er uiterlijk zoveel veranderd is. Het silhouet van ons dorpje is nog altijd gelijk, toren en molen, maar de laatste helaas in verval, beheersen het nog steeds en in onze Westpolder zijn in de laatste 30 jaar drie huizen bijgebouwd en twee afgebroken terwijl de zeven boerderijen er nog alle eender staan.
  Daarin zit de verandering dus niet. 

Geen suffe boel
  U moet niet menen, dat het er zo ± 1900 een suffe boel was. Allerminst! Misschien was onze streek wel wat meer bewogen dan elders, maar allerlei vooruitstrevende gedachten woonden er. Zo herinner ik mij oude arbeiders nog te hebben horen spreken over het „Bildterjaar”, dat was geloof ik in 1892 toen er in het Bildt in de provincie Friesland een landarbeidersstaking uitbrak en sommige boeren in de Westpolder uit sympathie met hen deze stakers in dienst namen. Mijn eerder genoemde grootvader Mansholt stond in intensief geestelijk verkeer met b.v. Multatuli. Zijn zoon, de vader van de huidige Minister van Landbouw, trad reeds vroeg tot de S.D.A.P. toe, waardoor ik als jongen en jongeman figuren als W. H. Vliegen. Schaper, Prof. R. Kuiper etc. mocht ontmoeten. Zelf werd ik als jongeman van amper twintig jaar gegrepen door de idee van het vrouwenkiesrecht en heel wat handtekeningen heb ik op het petitionnement helpen verzamelen Ik drukte daarin de voetstappen van mijn vader, die met veel plezier kon vertellen hoe hij omstreeks 1890 tussen twee veldwachters in als een soort gevaarlijke revolutionnair als spreker naar een openbare meeting voor algemeen kiesrecht te Dokkum werd geleid.
  Neen, dof en doods was het dorpsleven toen zeker niet. Er leefden ook grote spanningen of zij begonnen te komen. Over die in de sociale verhoudingen hoop ik later nog eens iets te mogen zeggen, maar nu wil ik op twee andere wijzen en wel die over het openbaar én bijzonder onderwijs en die omtrent het kiesrecht. 

De scholen
Wij zijn nu geheel vertrouwd geraakt met de idee, dat openbare en bijzondere scholen beide door de Overheid worden betaald maar voor 1920 moesten de voorstanders van het bijzonder onderwijs zelf hun scholen, onderwijzers, leermiddelen etc. bekostigen en die voorstanders waren veelal de kleine luiden, de arbeiders, de middenstanders en slechts enkele boeren.  

Dit schoolgeld werd in de meest letterlijke zin uit de mond gespaard. Men gevoelt wel, dat deze mensen het als een onrecht gevoelden, dat de kinderen der beter gesitueerden het bijna gratis onderwijs der openbare scholen konden volgen, terwijl zij om des beginsels wil voor het onderwijs hunner kinderen krom moesten liggen. Deze spanningen gaven aanleiding tot onaangename verhoudingen de gereformeerde en niet-gereformeerde bevolkingsdelen waren streng gescheiden en ik herinner mij met een zekere schaamte het gevoel van ongerechtvaardigde hoovaardigheid,  waarmede wij kinderen der grote school neerkeken op die van de „afgescheiden” school. Gelukkig dat de Wet-de Visser van 1920 de scherpe kanten van deze verhouding heeft helpen wegnemen. 

Het kiesrecht
  Een andere spanning betrof die omtrent het kiesrecht; algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen werd pas ingevoerd bij de grondwetswijziging van 1917 en als gevolg daarvan traden er ook in onze gemeenteraad van Ulrum grote veranderingen op. Deze raad die in het begin van deze eeuw nog in meerderheid gevormd werd door liberale boeren telt er nog slechts één, hoewel noch de samenstelling noch het aantal van de bevolking veel is veranderd. Dit is dus een bewijs dat voor 1917 grote groepen — met name de arbeiders — niet tot de stembus werden toegelaten: zij voelden dit als een onrecht en ook dat gaf allerlei spanningen.

Landverhuizing
  Een ander verschijnsel in het dorpsleven van toen dat grote indruk maakte, was de landverhuizing. Toen ik nog op school ging in Vierhuizen, werd telkens weer door enkele van onze kameraden verteld, dat de „tikkers” er al waren. Hiermee werd dan bedoeld dat in Amerika aanwezige familieleden de „tickets”, de plaatskaarten voor de overtocht naar de nieuwe wereld hadden gezonden en dat ze nu spoedig mét hun ouders de grote reis zouden aanvaarden.
Hoewel ik geen percentage durf noemen van het aantal arbeiders dat tussen 1900 en 1910 ons dorpje verliet, was dit toch zeer hoog. Ik kan met zekerheid nu nog minstens de namen van een 20-tal schoolkameraden voor de geest halen, die ons toen verlieten.
De opengevallen plaatsen werden vaak weer ingenomen door arbeiders uit de Friese Wouden; dikwijls was met hen reeds contact ontstaan doordat zij in de zomer als „vreemde zichters” als seizoen-arbeiders voor de oogst waren werkzaam geweest.
Op het kerkhof van Vierhuizen kan men nu nog lezen hoeveel der daar begraven landarbeiders in Friesland geboren zijn Men kan hieruit afleiden dat deze arbeiders hetzelfde hoopten van hun verhuizing naar het Groninger land, wat onze landverhuizers verwachten van de nieuwe wereld; verbetering in hun ook wel zeer sobere levensomstandigheden.  

  De Groninger landbouwer uit Westernieland M. Polman heeft in zijn boekje „Uittocht” een wel zeer fijne beschrijving gegeven van de omstandigheden in ons plattelandsleven omstreeks 1900 en de motieven waaruit deze landverhuizing voortkwam. Met één slag heeft hij zich daardoor geplaatst onder de allerbeste beschrijvers van ons Groninger Plattelandsleven. 


Sociale verhoudingen
  De verhouding tussen boer en arbeider in onze streek omstreeks 1900, was misschien niet zo scherp toegespitst als bijv, in het Oldambt, er was nog iets patriarchaals, iets van een zekere gemoedelijkheid overgebleven, maar deze berustte toch meer op een zich schikken van de zijde der arbeiders, dan in een welbewust aanvaarden van wat was.
  Prof. Hofstee tekent de verhouding omstreeks 1800 tussen de boer en zijn vrouw en het toen nog bijna uitsluitend inwonend personeel, dat samenleefde en arbeidde als een gezin door te zeggen dat het gekenmerkt werd: van de zijde van het boerenechtpaar door gezag en verantwoordelijkheid, van de zijde der dienstdoenden door afhankelijkheid en een gevoel van geborgenheid.  

  In de 19e eeuw, zo vervolgt hij, ging van de zijde van de boer het besef van verantwoordelijkheid, van de zijde der arbeiders het gevoel van geborgenheid verloren. Zo was het in wezen bij ons toch ook wel.
  Ik wil vandaag mijn tijd gebruiken door een ogenblik stil te staan bij enkele grote veranderingen welke zich in onze sociale verhoudingen zo van 1910-1914 bezig waren te voltrekken en wel:
a. het einde van het drankmisbruik als volkszonde;
b. het verdwijnen van het inwonend personeel van de boerderijen;
c. de sterke inkrimping van de vrouwenarbeid;
d. de opkomst van de sociale wetgeving.
  In deze periode van vlak voor 1914 viel ook het einde van het vroeger veel te grote drankgebruik. Er zijn tijden geweest, dat onder de boeren en onder de arbeiders, vooral de inwonende knechts, dronkenschap aan de orde van de dag was, evenals onder te veel van de dorpsintellectuelen als dokters en dominees, tal van notulen van classicale vergaderingen getuigen ervan, dat bijv. de dominees helaas in deze volkszonde hebben gedeeld.
  Waardoor dit drankgebruik zo sterk terugliep weet ik niet stellig, maar ik geloof te mogen zeggen, vooral door het verbeterde onderwijs en door de fiets.
  Het onderwijs had natuurlijk een algemeen beschavende invloed en de fiets bracht in de eerste plaats mee, de noodzaak ervoor te sparen en dan maakte zij de wereld groter, gaf onschuldige ontspanning door nu mogelijk gemaakte tochten, die vroeger alleen per schaats konden plaats vinden. De fiets verbrak de kleinheid, dufheid en bekrompenheid van het eigen wereldje. De fiets gaf ook meer vrije tijd, want de gang naar en van het werk door de arbeiders, of ’s avonds naar het ouderlijk huis, door de dienstboden was soms meer dan een uur gaans en werd nu met de helft ingekort met minder vermoeienis.
  Ook viel in deze tijd, wat later zo rond 1920 het afschaffen van het schenken van een borrel bij het inhalen, bij het dorsen en aan de ambachtsman; hoe goed dit misschien ook is — alhoewel dit geen drankmisbruik is — er ging ook een zekere poëzie mee verloren en een stuk traditie.
  Omstreeks 1900 waren er op de grotere boerderijen nog zes inwonende dienstboden: een grote en een kleine meid, een grote knecht, een middelste, derde knecht en schaapjongen. De grote knecht was verantwoordelijk voor de orde in het dienstbodenverblijf en de schaapjongen was een  

 manusje van alles, een veel geplaagde en plagende kwajongen, als regel.
  De redenen waarom zo tussen 1900 en 1920 deze inwonende dienstboden bijna geheel verdwenen, op één dienstmeisje voor de huishouding na, is mij niet duidelijk. Het werk der veeverzorging werd als regel overgenomen door een arbeider en vrouw, die woonden in een in de boerderij pasklaar gemaakte woning of in een daarnaast nieuw gebouwde.
  Misschien werkten meerdere factoren hier samen, als het verlangen der boerin naar een wat rustiger huishouding, zucht naar meer vrijheid der jonge mensen en een zekere, helaas maar al te nodige, bemoeienis van de overheid met de verblijven van dit dienstpersoneel.
  Deze verblijven, de slaapplaats der knechten op de koegang werd zeer juist „kougat” genoemd en het dagverblijf, „etenkamer” geheten, geven een slechte dunk van de sociale verantwoordelijkheid der Groninger boeren, juist des te schrijnender omdat zij zelf reeds veel hogere eisen aan hun woningen stelden. Ik kan hier nog niet zonder een zekere schaamte aan terug denken en zie er tevens een bewijs in, hoe een gewoonte, ook als zij slecht is, het geweten in slaap kan sussen.
  De overeenkomst met dit dienstpersoneel werd door een „bodenbesteder” een soort particulier arbeidsbureau als éénmansbedrijf tot stand gebracht. Nog zie ik op 1 Maart deze bodenbesteder, de oude tuinman van Veen, met zijn rood handstokje de Westpolder intrekken om zijn werk aan te vangen.
  Met de knechten verdween ook de trekharmonica, die velen bespeelden en die aan mooie zomeravonden een bijzondere bekoring gaven.
  Ook verdween het „bierhalen”, het gebruik dat men in de zomer ’s avonds met een boerenwagen met zingende knechten en dienstmeisjes van een naburige brouwerij een vat bier haalde als verkwikkende drank in de drukke oogsttijd.
  De vrouwenarbeid was in deze tijd nog volop in zwang, en ook noodzakelijk om het gezin een enigszins redelijk inkomen te geven. Deze vrouwenarbeid was seizoenarbeid, aardappels poten, wieden, korenbinden, aardappel- en bietenrooien.
  Met name het korenbinden was zwaar werk in de gloeiende zon of als het koren nat was. Een vrouw kon p. dag tot 2400 schoven binden, steeds in gebogen houding; daarnaast bleef de zorg voor het gezin bestaan, ook na de overzware werkdag.
  Ook het bietenrooien in het koude en natte weer, was voor vrouwen feitelijk te zwaar werk. Om oppas in huis en allerlei ander werk, werd toen voor schoolkinderen nog vaak het zgn. zesweekse verlof aangevraagd. Na het korenbinden volgde nog het arenlezen, waarmede wat veevoer voor het varken of de kippen werd verzameld.
  Deze vrouwenarbeid is pas in deze laatste wereldoorlog grotendeels verdwenen; door de zelf binders is de moeilijke arbeid van het korenbinden ook geheel overbodig geworden.
  Zeker is het winst, dat deze verandering kon intreden, al is ze zo plotseling gekomen, dat men soms niet geleerd heeft om voor de vrijgekomen tijd in de eigen huishouding en voor ontwikkeling een zinvolle besteding te vinden.
  Het geheel der sociale voorzieningen was omstreeks 1900 nog uiterst sober; dit wordt bijv, geïllustreerd door het feit dat het toen in de gemeente Ulrum aanwezige tehuis voor daklozen, in de wandeling terecht „’olle hok” genoemd, een stenen gebouw was met slechts in de bovenhoeken kleine raampjes om het verblijf er zo onaantrekkelijk mogelijk te maken. Diaconale- en burgerlijke armenzorg, vormden de hoofdbestanddelen der sociale voorziening.
  Toch waren er reeds vrijwillige ziekenfondsen en een door de boeren vrijwillig opgerichte verzekering voor de arbeiders voor bedrijfsongevallen.
  De werkloosheid was een zware zorg voor de arbeiders, al herinner ik mij niet, dat zij in deze tijd erg was. Als er in de gezinnen van de werklozen teveel armoede kwam werd het ..vlinthok” opengesteld, d.w.z. tegen een zeer karig tariefloon konden de arbeiders keien stukkloppen tot macadam, als steenslag voor de wegen.
 Pas in de eerste wereldoorlog kwamen veranderingen; een eerste bemoeiing van de Overheid met de tewerkstelling bestond hierin, dat de landbouwers in de zomer van 1918 een aanzegging kregen dat zij werkloze landarbeiders tewerk moesten stellen en dat anders de aangetrokken Belgische geïnterneerde soldaten zouden moeten verdwijnen. 

  Met de inwerkingtreding van de Invaliditeits- en ouderdomswet op 3 Mei 1919, werd het nieuwe tijdperk van een zeer diep ingrijpend stelsel van sociale voorzieningen, ingeluid. 

19-06-1952 Groninger Landbouwblad

De dorpssamenleving voor de eerste wereldoorlog*)  
Door H. D. Louwes  

 *) Dit is het slot van een drietal lezingen, die de heer H. D. Louwes te Westpolder voor de A.V.R.O. heeft gehouden. In ons nummer van 15 Maart jl. werden de eerste twee delen opgenomen.  

Veranderingen in het boerenbedrijf
  Na een ogenblik te hebben stilgestaan bij het dorpsleven en de verhouding tussen boeren en arbeiders voor de eerste wereldoorlog, wil ik mij nu eens afvragen welke veranderingen in het boerenbedrijf zelve, in het werk en bij de gewassen zich hebben voorgedaan.
  En het zal U misschien even verwonderen, wanneer ik tot de conclusie kom, dat al die veranderingen in de bedrijfsvoering zelf, veel minder diepgaand zijn geweest dan in het dorpsleven en in de sociale verhoudingen.
  In de bedrijfsvoering is zeker van geen breuk sprake, maar slechts van geleidelijke ontwikkelingen. Deze ontwikkeling is wat spectaculair bijv, wanneer men een trekker en een combine ziet en hoort werken, maar het is toch alleen maar het anders doen van werk, dat in wezen hetzelfde is gebleven en dat is met de structuur van het dorpsleven en die van de sociale verhoudingen zeker niet het geval.
  Als ik zo nu over het land, door schuren en stallen van onze boerderij Nieuw Midhuizen in de Westpolder loop, dan is het toch alles vrijwel gelijk aan 1913, toen ik voorgoed in dit bedrijf mijn boerentaak opvatte.
  In wezen is ons werk immers, met zoveel mogelijk overleg, inzicht en wijsheid, ons in te schakelen in het mysterie der natuur, dat het mysterie van God is.
  Wij kunnen de wasdom misschien met wat meer inzicht, soms, en nu denk ik aan de chemische onkruid- en plantenziektenbestrijding, met wat misschien uiteindelijk gevaarlijke kunsten zullen blijken te zijn, dienen dan vroeger; geven en maken kunnen wij die wasdom allerminst en dankdagen en bidstonden voor het gewas passen ons nog even goed als ooit.
  Het valt mij op, dat wij nu zo ongeveer geen enkel ras meer verbouwen, dat er in 1914 ook al was, behalve de Petkuser rogge, het Hamburger koolzaad en de Mansholt’s karwij, maar de Probsteier haver, de Wilhelmina tarwe, de oude Groninger- en Bocumer winter gerst, de Japhet zomertarwe, zij zijn alle — als zovele harer opvolgsters — verdwenen en door nieuwe en veelszins betere vervangen.
  Zo omstreeks 1910 was er onder de boeren in mijn omgeving nog een vrees voor de aaltjesziekte in de haver, gevolg van een zeer sterke haververbouw na 1890, toen bij de allerellendigste lage graanprijzen, haver nog het best betaalde; ik heb er echter weinig schade meer van gezien.
  Het lijnzaad in deze tijd, hoofdzakelijk blauwbloei, werd om de twee, drie jaar vervangen door nieuwe import uit de Baltische landen; na de slechte ervaring met dit lijnzaad in 1903, toen er veel steppenzaad onder zat, dat alleen maar zaad gaf en geen vezel, werd het min of meer coöperatief aangekocht met zoveel mogelijk waarborgen omgeven.
  Bij de hier gekweekte en sedertdien in zwang gekomen rassen, was dit niet meer nodig; de nabouw van dit zgn. „tonlijnzaad”, werd ook gezamenlijk naar Ierland uitgevoerd.
  Het kunstmestgebruik is sedertdien zeer toegenomen, maar in beginsel was het volop in opgang en alleen de chilisalpeter heeft haar overwegende plaats verloren; de grote statige driemasters lossen hun lading niet meer in Delfzijl na een avontuurlijke zeiltocht rond Kaap Hoorn, direct van de Chileense kust.
  De kunstmest, met name de stikstof, was toen in verhouding tot de graanprijs veel duurder dan nu; zuinig gebruik was dus geboden.
  Op het gebied der mechanisatie zijn de grootste veranderingen ingetreden, maar ook hier is het toch veelszins een geleidelijke ontwikkeling. De aflaadinrichting, de zelfbinder waren ook toen reeds bekend.
  Feitelijk had men toen de zelfbinder reeds veel meer kunnen gebruiken, want, afgezien van de roterende torpedo en de luchtband, werkte zij bijna even goed als nu. Maar men deed het alleen bij uitzondering — in onze schuur stond omstreeks 1910 een, jaren bruikbaar, doch ongebruikt — en dat om twee redenen.
  In de eerste plaats was men niet „mechanisatie-minded”, en dan beschouwde men het nog enigermate als broodroof t.a.v. de arbeiders. Deze moesten hun inkomen vooral aanvullen met de hogere verdiensten in het, in accoordloon, zichten van granen etc. en deze zichters waren in de eerste plaats vaste arbeiders en de seizoenarbeiders uit Friesland, de zgn. „vreemde-zichters”, dikwijls ook een soort familiestukken.
  Deze vonden het zeer onprettig als de zelfbinder hun werk afnam en de boer deed het dan ook niet gauw.
  Toch was dat zichten en vooral het binden door de vrouwen een zeer onvolkomen methode van oogsten; in natte zomers lag het koren — er was vaak een tekort aan bindsters — soms dagen tegen de natte grond en de schoven groeiden er aan vast. Er waren toen reeds enige aflaadinrichtingen, maar bijna al het te bergen graan moest met de vork in de schuur worden opgetast, op de laatste  beide handgrepen na. Het vleien van de schoven en het voorgooien aan hem, die daarmede belast was, de zgn. „stopper”, geschiedde met de hand.
  Meermalen heb ik het meegemaakt, dat een schoof door zes of soms zeven vorken en handen moest, voor zij op haar plaats lag; een zwaar en kostbaar werk, dat inhalen.
  De grote verandering op de moderne boerderij is de trekker, en zijn nut blijkt vooral in de oogsttijd, want die is nog altijd de zwaarste tijd, waarin de akkerbouwer de dan te velde staande oogst moet bergen, maar tevens door grondbewerking de oogst van het volgende jaar moet voorbereiden.
  Met de zorg voor het eerste, komt die voor het tweede licht in het gedrang en dat was vroeger, met al die handenarbeid voor het zichten en de paardenarbeid voor het ploegen vaak het geval.
  De trekker is een machtig hulpmiddel, om deze beide zware opgaven in de twee, drie zo drukke maanden goed te volbrengen.
  Als ik mij nu afvraag, wanneer stelde de leiding van een groot akkerbouwbedrijf de hoogste eisen aan de boer, toen of nu, dan ben ik met mijn antwoord zomaar niet klaar.
  De mechanisatie plaatst de boer voor zware eisen en zij vraagt van hem een geheel nieuw terrein van kennis, evenals de chemische onkruidbestrijding etc.
  In die mechanisatie is ook een element van spanning en gejaagdheid. Maar aan de andere zijde geeft die mechanisatie ook een prachtige kans de dagen met goed weer, desnoods dag en nacht te benutten en meer op tijd te zijn.
  Als ik alles overweeg, geloof ik, dat er niet zoveel verschil is, al kent de boer van nu één last, die zijn vader niet kende: de eindeloze administratie van loonbelasting etc. Dit wordt een welhaast ondragelijke last.
  Zo nader ik dan in gedachten de zo mooie zomer van 1914, met zijn goede angst en zijn noodlottige politieke ontwikkeling. Langzaam drong het tot ons door, dat er oorlogsgevaar was, langzaam, want wij kenden radio noch telefoon en slechts de krant bracht ons in kennis met het naderende onheil.
  De laatste week van Juli steeg de spanning bij de dag en op Vrijdagavond 31 Juli kwam de postbode, die de avondbestelling rondbracht, met de verpletterende tijding: Wij moeten morgenvroeg allemaal weg, alle lichtingen militie en landweer. 
  Zo trokken dan op 1 Aug. 1914 onze soldaten weg, en wij met onze paarden raar de paardenvordering te Leens om op Zondag 2 Aug. de gevorderden af te leveren op het station Baflo.
  Niet alleen in de vrede was een breuk gekomen, de oorlogsverschrikking in België zou spoedig aantonen, ook in onze te blijmoedige kijk op de zo vooruitgegane, ontwikkelde mens van de moderne tijd. Helaas zou de toekomst uitwijzen, dat dit repeterende breuken zouden blijken te zijn.

Ingezonden
Paard en tractor
 

  Gaarne wil ik enkele opmerkingen maken naar aanleiding van het artikel over bovengenoemd onderwerp in het nummer van de vorige week.
  Een statistiek wijst met cijfers de juiste feiten aan. In dezen wijst ze op een sterke stroming op het bedrijf in de richting van de tractor. De zichtbare voordelen van deze sterke en onvermoeide werker hebben deze richting zeker sterk beïnvloed. Deze stroom kan geforceerd zijn, waardoor de verwachte voordelen niet zijn behaald.
  Het bedrijf heeft zich niet in een gelijk tempo aan deze verandering kunnen aanpassen, doordat bijv. geen passende werktuigen werden genomen of deze niet vakkundig werden gebruikt.
Het paard bleef nog gereserveerd. Daar de stroom echter nog gaat in de richting van de tractor, zal deze ondeskundigheid door de practijk worden overwonnen, zal het paard op het bedrijf in aantal verminderen tot het juiste evenwicht is gevonden.
  Overtuigd, dat mijn zienswijze niet door ieder wordt gedeeld, 

Uithuizermeeden. S. J. Scholtens.

___________________________________________________________
 
Naar Gebroeders Louwes