| ___________________________________________________________ |
10-04-1990 Boerderij 75, no 28
Levens in dienst van boeren en voedselvoorziening
Stephan en Herman Derk Louwes. Bij geschiedschrijving in het kader van 75 jaar boerderij kun je om hen niet heen. De broers boetseerden een belangrijk deel van het landbouwbeleid in de jaren veertig en vijftig.
door J.D.R. van Dijk en W.K. Foorthuis*
* De heren Van Dijk en Foorthuis zijn medewerkers van Regio Project in Groningen.
„Wij hebben met Louwes een nationale figuur verloren. Hij legde de grondslagen voor onze moderne agrarische politiek, die in binnen- en buitenland diepe indruk maakte”.
In treffende bewoordingen herdenkt minister S..L. Mansholt op woensdag 28 januari 1953 zijn naaste medewerker, de drie dagen eerder plotseling overleden dr.ir. S.L. Louwes, directeur-generaal van de voedselvoorziening. Vele honderden toehoorders vullen de rolzaal in het gebouw van Kunsten en Wetenschappen in Den Haag. Agrarisch Nederland neemt in een indrukwekkende plechtigheid afscheid van een van zijn grootste voormannen.
De volgende dag beiert in het Groninger dorpje Vierhuizen de torenklok als eerbetoon aan de overledene. Een lange stoet familie en vrienden begeleidt Louwes naar zijn laatste rustplaats. Onder hen de ministers Mansholt en Staf en de broer van de overledene, Herman Derk.
Het is alsof de tijd heeft stilgestaan in het niet ver van de waddenkust gelegen plaatsje. De kerktoren en de molen beheersten ook al het dorpsgezicht toen Stephan hier een halve eeuw geleden naar school ging. Hij zat bij meester Winter in de klas, terwijl de onderwijzeres Clara Schönfeld op dit tweemansschooltje Stephans jongere broer Herman Derk onder haar hoede had.
Opa Derk
Stephan Louwe Louwes zag op 29 maart 1889 het levenslicht. Als kind al was hij impulsief en sterk op de buitenwereld gericht. Hij legde een flinke dosis geldingsdrang aan de dag. Broer Herman Derk, die vier jaar later werd geboren, op 15 augustus 1893, had een heel ander karakter. Hij was juist erg bescheiden, in zichzelf gekeerd, een individualist.
Een belangrijke rol in de belevingswereld van de jongens speelde opa Derk, hun stiefgrootvader Derk Roelofs Mansholt.
Deze veelzijdige en inspirerende figuur was van grote betekenis voor hun ontwikkeling. Hij liet zich leiden door agrarisch fundamentalisme. Naar zijn overtuiging vormde het platteland het gezonde fundament van onze samenleving. Deze grondgedachte bepaalde zijn optreden nog sterker dan zijn linkse denkbeelden.
Waren de broers qua aard en karakter in zekere zin tegengesteld aan elkaar, hun ideeën kwamen verrassend vaak overeen. Maar op de praktische uitvoering ervan hadden ze toch weer elk hun eigen visie.
Ambtenaar en hereboer
Stephan ontwikkelde zich tot een top-ambtenaar. Zijn eerste vaste baan vond hij in 1919 bij de Overijsselse Landbouwmaatschappij. Hij werd er benoemd tot secretaris-penningmeester.
Intussen was Herman Derk hereboer geworden op het ouderlijk bedrijf. Het boeren zat hem in het bloed. Hij genoot ook van de status die eraan vastzat. Herman Derk had een brede belangstelling en studeerde graag. Hij verslond de boeken van opa Derk.
Zijn intellectuele honger was niet te stillen. Ook zijn ijver en werkkracht waren verbazingwekkend.
Herman Derk zat zo in elkaar dat hij graag de boerenstand wilde dienen. Daartoe zou hij volop gelegenheid krijgen. Geleidelijk aan vond zijn visie erkenning en groeide zijn gezag. Zo kon het gebeuren dat hij allerlei aanbiedingen kreeg voor bestuurlijke functies. Het begon in 1923 toen hij toetrad tot het dagelijks bestuur van de Groninger Maatschappij van Landbouw. In 1930 werd er op zijn boerderij Nieuw-Midhuizen een bedrijfsleider aangesteld. Zo druk had Louwes het gekregen met bestuurswerk.
Voorzitter van de Groninger Maatschappij van Landbouw was hij inmiddels.

Een golf van actie
Zijn broer Stephan diende intussen als ambtenaar de boerenstand in Overijssel. De jaren twintig waren voor de landbouw somber. Was de malaise in de landbouw aanvankelijk nog te toeschrijven aan de naoorlogse depressie, na 1925 ging dit niet meer op.
‘De resultaten van het landbouwbedriif 1926/’27’. In deze radio-lezing van 1928 deed Stephan uit de doeken hoe slecht het met de rentabiliteit in de landbouw was gesteld. Na de grote crisis van 1929 bepleitte hij regeringssteun voor de landbouw. Hij riep de boeren op om zich beter te organiseren. Maar die hadden weinig vertrouwen in organisaties.
De bestaande boerenorganisaties waren te veel praatcolleges geweest. De ontevredenheid uitte zich in het ontstaan van vele actie- en crisiscomité’s.
Velen zochten hun heil in de nieuwe boerenbond ‘Landbouw en Maatschappij’. Aldus betuigden ze instemming met de visie van landbouweconoom Jan Smid, de agrarische voorman die in het Boerderij-nummer van 6 februari heeft gestaan. Smid wilde de politiek voor het karretje van de boeren spannen. Hoe meer leden we hebben, des te groter zal onze invloed zijn, redeneerde hij.
Spreekbeuren
Herman Derk Louwes trad toe tot de Groninger Boerenbond, een provinciale tak van ‘Landbouw en Maatschappij’ . Hij raakte bevriend met Smid en hij hield ook spreekbeurten voor ‘Landbouw en Maatschappij’. Daarin gaf hij uitdrukking an een instinctief gevoel van plattelandsbewoners.
Het gevoel dat hun maatschappelijke belangen werden overheerst door ‘de hegemonie der stedelijke maatschappij-beschouwing’ ofwel ‘het grote-stads-egoïsme’. En dat terwijl de landbouw volgens Louwes een van de allerbelangrijkste takken van bedrijf in ons land was.
Zijn broer wilde als agrarisch fundamentalist ook dat de politiek meer aandacht voor de landbouw had. Om dat te kunnen bereiken, moest de boerenstand krachtig zijn georganiseerd. De nieuwe boerenbonden waren hem dan ook een gruwel. Hun aanwezigheid betekende tweedracht en versnippering.
Stephan organiseerde op 24 februari 1932 een grote crisisvergadering in Zwolle, als tegenwicht tegen de bijeenkomst die ‘Landbouw en Maatschappij’ in Assen hield. Zo probeerde hij de roerige boerenbonden enigszins de wind uit de zeilen te nemen. Ruim 6.000 leden bezochten de manifestatie in Zwolle.
Pleidooien voor overheidssteun
Binnen hun eigen politieke partij probeerden beide broers een voortrekkersrol te vervullen met betrekking tot het landbouw-crisisbeleid. Stephan behoorde tot de Vrijzinnig Democratische Bond, zijn broer tot de Liberale Staatspartij De Vrijheidsbond.
Stephan was van 1923 tot 1935 lid van de Provinciale Staten van Overijssel en van 1931 tot 1935 tevens gedeputeerde. Hij bepleitte overheidssteun voor de boeren.
De akkerbouwcrisis, betoogde hij, was ontstaan door conjuncturele factoren en iets als de rente en andere vaste lasten.
Structurele factoren die niet golden voor industrie en diensten.
Ook Herman Derk maakte zich sterk voor overheidssteun aan de landbouw. Op spreekbeurten en in ingezonden stukken veroordeelde hij de politiek van de vrijhandel. Bij zijn pleidooi voor steun citeerde hij meermalen de woorden van Jan Smid: ,,De Nederlandse boerenstand is geworden de ezel, waarop de niet-landbouwende bevolking sinds jaren haar lasten poogt te leggen”.
In zekere zin was Herman Derk te veel een vertegenwoordiger van het conservatieve platteland.
Hij legde het in de crisisproblematiek af tegen zijn praktisch ingestelde broer. Deze speelde een vooraanstaande rol in het ontwerpen en uitvoeren van landbouwcrisismaatregelen. Dwars tegen heersende liberale opvattingen in ontwierp hij in de eerste crisisjaren een actieve overheidspolitiek.
Regeringscommissaris
In 1931 werd Stephan benoemd tot regeringscommissaris voor de uitvoering van de Tarwewet. De provinciale ambtenaar zou zich voortaan op landelijk niveau verdienstelijk maken. Met de uitbreiding van de landbouwcrisiswetgeving groeide ook het terrein waarop hij werkzaam was. In 1935 werd hij benoemd tot regeringscommissaris voor de akkerbouw en veehouderij. In deze functie heeft hij mede de grondslagen gelegd voor het landbouwcrisisbeleid.
In de loop van de jaren dertig groeide op het landelijke podium ook het aanzien van Herman Derk. In 1933 werd deze lid van de Tweede Kamer. Het jaar daarop werd hij benoemd tot commissaris van de Nederlandse Heidemaatschappij. Vier jaar later volgde zijn benoeming tot voorzitter van het Koninklijk Nederlands Landbouw-Comité. In hetzelfde jaar trad hij toe tot het dagelijks bestuur van de Liberale Staatspartij.
Herman Derk was nu vrijwel permanent van huis. Per trein reisde hij van vergadering naar vergadering. Ondertussen vond hij de tijd om tientallen spreekbeurten te houden, honderden artikelen te schrijven, in kerken te preken en… de boekhouding van de boerderij bij te houden.
Kritiek op de nationale bond
De relatie met de nationale bond ‘Landbouw en Maatschappij‘ verslechterde. Dat kwam door zijn kritische houding. In een redactionele noot onder een ingezonden stuk dat Louwes in het weekblad ‘Landbouw en Maatschappij‘ plaatste, lezen we: „De heer Louwes waarschuwt ons niet het brede pad der demagogie op te gaan door ongemotiveerde ontevredenheid te exploiteren ten bate van de groei onzer organisatie. Deze waarschuwing is door ons met grote verontwaardiging vernomen, omdat zij ons inziens elke grond mist.”
Op 3 december 1940 werden de banden tussen Louwes en de nationale bond verbroken.
Landbouwschap in wording
Onderwiil was Herman Derk bezig met iets wat wel zijn levenswerk wordt genoemd. Hij probeerde de organisaties in de agrarische wereld te verbreden en propageerde dat boeren en landarbeiders op voet van gelijkwaardigheid zouden gaan samenwerken in overlegstructuren. In die dagen een nogal vreemde houding voor een ‘dikke’ Groninger boer, maar in feite een gevolg van wat ‘opa Derk’ zijn jongens had voorgehouden. En zo legde Herman Derk het fundament voor de naoorlogse Stichting van de Landbouw, het latere Landbouwschap.
Hij was ook de drijvende kracht achter de onderhandelingen en is daardoor een van de grondleggers van het naoorlogse landbouwbeleid. Hetzelfde geld voor zijn broer. Het was een wat vreemde speling van het lot dat neef Sicco Mansholt dit beleid uitvoerde als minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoor-ziening.
Voedselproduktie onder invloed van de staat
De oorlogsdreiging werd in die tijd steeds groter. In 1938 nam Louwes het initiatief tot de oprichting van een organisatie die zich in geval van oorlog zou gaan bezighouden met de voedselvoorziening.
Stephan werd benoemd tot hoofd van het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in oorlogstijd. Zijn organisatorische talenten aansprekend bouwde hij de voorziening uit het niets op.
Met inschakeling van de landbouworganisaties werden grote voorraden voedsel aangelegd.
Vrijwel de hele produktie en distributie kwamen onder staatsinvloed. Het pluimvee en de varkens gingen naar de slacht (met uitzondering van het fokmateriaal), de rundveestapel werd ingekrompen. De staat stimuleerde de verbouw van landbouwprodukten als rogge, aardappelen en koolzaad (voor de vetvoorziening) of dwong deze af met teeltregelingen.
Distributieregelingen
Vrijwel alle voedingsmiddelen vielen geleidelijk onder de distributieregelingen. Er werden centrale keukens opgericht en ook kregen de mensen voorlichting over een optimale benutting van het voedsel. Al met al een gigantische klus. Dat de hongerwinter in 1944 niet is uitgegroeid tot een onvoorstelbare ramp, is te danken aan Stephan Louwes. Dat is achteraf onomstotelijk komen vast te staan.
Een ondankbare taak
Het directoraat van de voedselvoorziening was Stephans levenswerk. Niets kon deze uitgesproken opportunist en realist ervan weerhouden om tijdens de oorlog op zijn post te blijven. Ervan overtuigd de juiste keuze te hebben gemaakt, trotseerde hij vele aanvallen. Zo werd hem verweten dat hij verraad pleegde aan het Nederlandse volk. Na de oorlog diende de ‘Grote Adviescommissie der illegaliteit‘ een klacht tegen hem in. Aan de juistheid van zin aanblijven is overigens nooit algemeen of ernstig getwijfeld.
Nog in 1945 werd Stephan speciaal adviseur van Sir John Boyd Orr, de directeur-generaal van de FAO. In april 1947 werd in Rome het Europeese Bureau van de wereldvoedselorganisatie opgericht met Stephan Louwes als de eerste directeur. In hetzelfde jaar viel hem ook een eredoctoraat van de Landbouwuniversiteit in Wageningen ten deel. Later weigerde hij om gezondheidsredenen een mogelijke benoeming tot directeur-generaal van de FAO.
Van 1948 tot aan zin dood in 1953 vervulde hij wederom zin oude post van directeur-generaal voor de voedselvoorziening. Het is de vraag of Stephan Louwes in eigen land niet meer had moeten worden geëerd. En of hij het niet had verdiend om minister te worden.
Illegaal overleg
Herman Derk had het in de oorlog minder zwaar. Een aantal instanties waarvan hij voorzitter was, waren bij het begin van de wereldbrand opgeheven. Ander overleg werd intenser. Zo reisde hij tot de eerste augustus van 1944 eens in de maand naar Utrecht om onder de dekmantel van de ‘Commissie Kerk en Platteland‘ illegaal te overleggen met kerkmensen. Ook het overleg tussen boeren en landarbeiders werd illegaal voortgezet. De bedoeling daarvan was om na de oorlog over een gemeenschappeliik orgaan te kunnen beschikken. Het overleg zou in 1954 leiden tot de totstandkoming van het Landbouwschap.
Voor Herman Derk waren de eerste na-oorlogse jaren een periode van persoonlijke triomf. De een na de andere benoeming of verkiezing volgde. Op 25 juni 1945 werd hij weer voorzitter van de Groninger Maatschappij van Landbouw; twee dagen later hervatte hij zin werk als voorzitter van het KNLC (een functie die hij tot eind 1950 zou vervullen). Op 2 juli werd in Den Haag de Stichting voor de Landbouw in het leven geroepen met Louwes, de geestelijke vader, als voorzitter.
Kort daarna werd hij voorzitter van de Nationale Coöperatieve Raad. Groot was zijn verbazing toen men hem begin 1946 in Londen koos als de eerste vice-voor-zitter van de International Federation of Agricultural Producers (IFAP). In 1950 werd Louwes lid van de Eerste Kamer.
Tot 1960 bleef hij een van de persoonlijkheden die het gezicht van de Nederlandse landbouw bepaalden. Zowel nationaal als international gaf hij mede vorm aan de ideeën en plannen die voor en tijdens de oorlog waren ontwikkeld.
Zilveren broodmand
Op donderdag 24 maart 1960 vond in hotel De Witte Brug te Den Haag de jaarlijkse uitreiking van ‘De Zilveren Broodmand‘ plaats. De prijs viel toe aan een Nederlander die zich bijzonder verdienstelijk had gemaakt op het gebied van de voedselvoorziening. Dit jaar had de jury van de Nederlandse Vereniging van Meelfabrikanten besloten de prijs aan Herman Derk Louwes te verlenen. In zin dankrede beschreef deze de rol die zijn broer had gespeeld in het crisislandbouwbeleid en de voedselvoorziening.
„Als hij nog in ons midden was” zo sprak hij, „zou ik graag deze onderscheiding aan hem overlaten, juist omdat de tarwe zo in het middelpunt van zin levenswerk heeft gestaan”.
Op zaterdag 8 oktober 1960 overleed Louwes. Ook deze keer stonden de voormannen van agrarisch Nederland rond het familiegraf in Vierhuizen.
___________________________________________________________
Naar Gebroeders Louwes