| ___________________________________________________________ |
05-01-1833 Algemeen Handelsblad
INGEZONDEN STUKKEN []
Op het sneuvelen van Jonkh. Jan Evert Lewe van Aduard, Schout-bij-Nacht, in dienst van Z. M. den Koning der Nederlanden.
Wat krijgsgeschrei, wat felle gloed
Treft oor en oog en hart !
Hoe toont der strijd’ren rei zijn’ moed,
Die doodsgevaren tart!
Hoe sierlijk wappert Hollands vlag Van Hollands oorlogsvloot!
Zij dwingt zelfs vreemden tot ontzag;
Voor haar kiest elk den dood.
Van laf en siddrend wijken ver,
Vliegt ’t zeevolk koen ten strijd:
Der vlag, schoon als de morgenster
Heeft elk zijn’ arm gewijd.
De vijand, trotsch op overmagt,
Die ’t onregt schaamtloos schraagt,
Wil elk , met moed en mannenkracht
Die lage vrees verjaagt,
Bestrijden, en zijn’ roov’ren stoet,
Door fier en kloek beraad,
Ten koste ook van het eigen bloed,
Vergelden d’euveldaad.
Elk wenscht, in vuur’ge drift ontgloeid
Den braven strijdgezel,
Wien ’s vijands ontrouw, diep verfoeid,
Met moordend lood zoo fel
Bestookt, krachtdadig bij te staan,
Te helpen, in den nood;
Te sterven, voor Oud-Hollands vaan,
Den schoonen heldendood. —
Dit, dappre Lewe, was uw doel;
Hiervoor ontgloeide uw’ borst!
Dit edel, rein en warm gevoel
Was ’t, dat men smetten dorst!
Hoe, Nederlander! Zijt gij dan
Van schaamte zoo ontaard,
Dat gij het waagt, den edlen man,
Die fier en onvervaard,
Voor dc eer des lands zijn leven liet,
Te ontrukken de eerekroon;
In plaats, gij dankend op hem ziet,
Hem te overlaân met hoon?
Neen , wie aan ware deugd gelooft,
En wie opregtheid eert,
Gedoog’ niet , dat zijn glans verdoofd,
Zijn roem ooit wordt verneêrd !
Neen, eedle vriend van ’t Vaderland !
Te groot was uwe ziel,
Dan dat verachtlijk goud uw’ hand
Kon nopen , om de kiel,
Aan uw beleid en zorg betrouwd,
Te stellen in gevaar,
En ’t land, waar gij het licht aauschouwd
Hebt, als een woest barbaar,
Met ondank voor genoten goed
Te loonen ! Neen, veelmeer
Hadt gij steeds veil uw heldenbloed
Voor ’s lands geschondene eer.
Steeds klopte uw hart voor eer en pligt;
Uw hoogste lust was, d’ eed,
Dien gij , het oog omhoog gerigt,
Aan land en Koning deed,
Te houden met onwrikbren zin,
Te staven door uw daân.
Zoo, zoo gingt gij den doodslaap in,
Met eer en deugd belaân !
Deez’ zekerheid , bedrukte weeuw !
Vertrooste U in uw smart.
Uw gade streed als Neerlands leeuw ,
Met onbezweken hart.
Dat elk benijder van zijn’ roem,
Die snood hem schennen dorst ,
Wiens schand bejag elk brave doem’ ,
Door U met fiere borst ,
Bewust van ’s ega’s moed en trouw’,
Veracht worde en versmaad !
Bij ’t woên des nijds , in leed en rouw
Zij God uw toeverlaat !
Dat elk ontmenschte , niet te vreên
Met d’ onherstelbre ramp ,
’t Verlies, dat Gij reeds hebt geleên ,
Maar willens , u den kamp
Van ’t harde noodlot , dat u Hof
En pijnlijk u de ziel
Doorsneed, door vuige lasterstof
Wreed te verzwaren , viel’
In ’t kunstig weefsel , dat zijn hand ,
Vervreemd van wel te doen ,
Tot eigen’ , wel verdiende schand ,
Snood spon , den wrok ten zoen!
Uw gade was te groot, zijn roem
Blonk hem te zeer in ’t oog.
Nu is verdord zijn’ levensbloem;
Nu steeg zijn ziel omhoog!
Thans , thans verheft hij zich , vol praal ,
Ver boven’s lasters schicht!
Dat glorierijk zjjn’ naam omstraal’
De glans van ’t eindloos licht !
Eer, Nederlander, eer zijn’ schim!
Hij stierf den heldendood !
Dat hooger steeds zijn luister klimm’,
Voor lastertaal te groot.
Amsterdam, 24 December 1832.
P. F.-H. F….
| ___________________________________________________________ |
Naar Familie Jan Evert Lewe van Aduard