03-09-1832: De grote brand van Paramaribo

___________________________________________________________

1832 brand paramaribo teenstra plattegrond cojo mentor present

08-09-1832 Surinaamsche Courant, zaturdag 

PARAMARIBO.
Gouvernements-Huis
Den 5den September 1832. 

De Gouverneur Generaal der Nederlandsche West Indische Bezittingen, kwijt zich bij dezen van den treurigen, doch schuldigen pligt, om aan zijne stadgenooten, zijne grooote tevredenheid te kennen te geven, over de welwillendheid en hulpvaardigheid, welke zij in den nacht van den 3den op den 4den dezer, ter gelegenheid van den noodlottigen brand, waardoor wederom een schoon gedeelte dezer plaats in een puinhoop is verkeerd geworden, hebben aan den dag gelegd. 

In het bijzonder betuigt hij zijnen dank aan die ambtenaren, welke zich terplaatse des gevaars door hun moed en beleid hebben onderscheiden; zoo mede aan de officieren en manschappen van Zijne Majesteits Marine, van de Landmagt en van de Schutterij, als ook aan de equipagiën der koopvaardij-schepen, alle welke met den meesten ijver en trouw, hunne beste, pogingen ter redding en beveiliging hebben aangewend; pogingen, welke hen allen op de algemeene hoogachting billijke aanspraak doet hebben, waarvan de Gouverneur Generaal het zich tot eene eer rekent, bij dezen de tolk te zijn.
De Gouverneur Generaal voornd.,
De Algemeene Secretaris, G.A. van der MEE. 

___________________________________________________________
 

Vermits er bij den rampvollen brand van den 3den dezer, waarschijnlijk vele Goederen van invidu’s zullen zijn geborgen, zondtr dat daarvan de Eigenaren bekend zijn; zoo wordt een ieder bij dezen uitgenoodigd, om die goederen binnen den korst mogelijken tijd in een daartoe op de plaats van het Gemeente-Huis gereed gemaakt lokaal te deponeren, ten einde een ieder in staat te stellen, hunne vermiste Goederen te kunnen reclameren.
Zullende den Tweeden Commies ter Weeskamer, den Heer C. A. FISCO, dagelijks van des morgens negen tot twaalf uren vaceren, om de bedoelde Goederen in ontvangst te nemen.
Paramaribo, 6 September 1832.
De President van het Gemeente Bestuur, L. B. SLENGARDE. 

___________________________________________________________

Het Gemeente Bestuur dezer Kolonie, diep getroffen zijnde over de ramp, welke den 3en dezer maand een gedeelte onzer Stad getroffen heeft, en waardoor vele Personen en Huisgezinnen door het verlies van alle hunne bezittingen in armoede gedompeld zijn, acht het van deszelfs pligt, om deszelfs medeburgers, vooral diegenen die door Gods goedheid van die rampen zijn verschoond gebleven, in de gelegenheid te stellen, om hunne ongelukkige Stadgcnootcn, met goederen of geldelijke bijdragen behulpzaam te zijn. 

Tot welk einde het Bestuur voornoemd, het doelmatigst heeft geoordeeld, de Wijkmeesters te qaulificeren, om ieder in zijne wijk met eene Lijst en Armbus rond te gaan, ten einde zoodanige bijdragen in te zamelen, als men zal verkiezen af te staan ten behoeve der noodlijdenden. Paramaribo, 6 September 1832.
De President van het Gemeente bestuur.
L. B. SLENGARDE. 

___________________________________________________________

ADVERTENTIEN.
De Ondergeteekende acht zich verpligt om door deze, openlijk zijne tevredenheid te betuigen over den ijver en de gewilligheid, welke door bijna alle de aanwezig geweest zijnde geëmploijeerden bij het brandwezen, zoowel Blanken, als Vrijlieden en ook de Slaven der ingezetenen is betoond, gedurende de twee nachten en twee dagen dat de Spuiten, ten gevolgen1 van den noodlottigen ramp die deze Stad weder heeft getroffen, in dienst zijn geweest, terwijl hij zich overtuigd houdt dat ieder onbevoordeeld ooggetuige, die den staat der brandblusch-middelen in aanmerking neemt, aan de onvermoeide pogingen der Spuitgasten, regt zal doen wedervaren.
Paramaribo, 7 September 1832
H. G. ROUX, Opperbrandmeester.

___________________________________________________________

NIEUWSTIJDINGEN.
Paramaribo. 7 September. 

Nimmer hebben Suriname’s Ingezetenen, in zoo weinige uren tijds, een zoo groot onheil beleefd, als door de verschrikkelijke vuurramp, door welke het schoonste en rijkste gedeelte dezer Stad, in den bangen nacht van den 3den op den 4den dezer, in de asch gelegd is.
Vele Kolonisten, nog bevangen van schrik, bij de herdenking aan den noodlottigen brand, door welken deze Stad op den 21sten en 22sten Januarij 1821 zoo verschrikkelijk geruïneerd geworden is, verstomden bij het noodgeschrei van brand! brand! 

Deze ontzettende brand ontstond in het huis L. C. No. 4, op dengHeilige Weg, aankomende en bewoond door den Heer Mozes Nunes Monsato, waarvan zich de ware oorzaak slechts gissen laat.  Voor en aleer dat dit huis in laaije vlam stond, ontwaarde men reeds brand in de achtergebouwen van de aanbelendende huizen, slaande de vlam op eene ongeloofelijke snelle wijze van het een tot  het ander huis over, waartoe het drooge saizoen, bij den grooten voorraad van brandstoffen in de pakhuizen der kooplieden aanwezig, de voornaamste oorzaak was.

Niet vóór het aanbreken van den dageraad, werd men den brand meester, zoowel bij de Saramaccabrug als in de Maagdenstraat door het vaardig daarstellen van een brandpad bij het gewezen Luthersch Diakonie huis, zijnde alle brandbare stoffen, vooral hout van afbraak, met de meeste vlijt en volharding van daar weg gedragen. 

In dezen treurigen nacht zijn niet minder dan 46 erven van alle gebouwen, en de meeste daarin zijnde goederen beroofd geworden. 

Zie hier eene korte opsomming van de verbrande huizen: 

Op den Heilige Weg zijn verbrand: 6 woonhuizen, waaronder de huizen bewoond door de Heeren M. N. Montsanto, J. C. Walther en Gebroeders Stuger. 

Aan de Waterkant zijn verbrand: Het Evangelisch Luthersch Kerkgebouw en de Pastorij, en 14 woonhuizen, waaronder de huizen bewoond door de Heeren M. & S. A. Wittering ; van West & de Hart; Mr. P. Fiers Smeding; Colin Campbell Jr.; M. C. Nasay; Gebr. Soesman; H. M. Wolff de Fridrici; H. A. Buhk ; D. del Prardo ; S. van Beulingen ; A. van Gelder ; de huisvrouw van den uitlandigen D. J. Loth; zijnde aan de overzijde de huizen bewoond door de Heeren H. M. Leudesdorff, en die van den onlangs naar het Moederland vertrokkenen A J. Posnankie, benevens de twee daarnaast staande gebouwen, zwaar beschadigd.

In de Steenbakkerijstraat zijn verbrand: 6 woonhuizen en 6 afgebroken en beschadigd. 

In de Maagdenstraat, zijn afgebrand: 6 woonhuizen, waaronder de huizen bewoond door de Heeren M. Naar en J. Robertson; 2 afgebroken en 1 beschadigd.. 

In de Joden Breestraat zijn verbrand 12 woonhuizen, waaronder de luizen bewoond door de Heeren  A. J. Heidweiller; Do. A. Roelofsz; J. P. L. Weimann;  D. B. Mesquita. 

Te zamen 46 woonhuizen verbrand en 13 afgebroken en beschadigd; zijnde het getal van de zij- en achtergebouwen voorzeker drie malen meer geweest. Zoo heeft geheel Paramaribo dan geene andere Protestantsche kerk, dan die der in 1828 gebouwde en op den 22sten Julij van dat jaar, ingewijde kerk van de Moravische Broedergemeente, welke mede in groot gevaar is geweest van in den jougsten brand mede een prooi der vlammen te worden. 

Sedert den brand van 1821, hielden de Gereformeerden hunne godsdienst-oefening met de Lutherschen in het Kerkgebouw der laatsten, welke dan ook nu in puin verkeerd is, terwijl alle de daarin zijnde monumenten en inscriptien, met het orgel en fraaije predikstoel, vernietigd zijn. 

Dit nu verbrande Kerkgebouw (hebbende geene toren), werd in het jaar I744 geheel van steen opgetrokken (*), wordende in datzelfde jaar door den Heer Johann Frederick Knöffel met een Orgel begiftigd; de eerste Leeraar dezer gemeente was Phaffius. Regt tegen over het orgel vond men aan het ooster geveleinde boven den predikstoel op eene steen in den muur, de woorden: Gloria in excelsis Deo 1768. 

(*) Hartsinck. D. II. bladz. 891. Evenwel schijnt hier vroeger reeds een Godshuis dezer Gemeente te hebben gestaan, want men vindt elders aangeteekend, dat de Heer Johs. Phaffius, de eerste  Luthersche Predikant dezer Kolonie, hunne Kerk in het laatst van de maand October [] inwijd heeft.

Aan de achter- of noordermuur was een marmeren gedenkteeken geplaatst, nu geheel tot poeder verbrand, van den Engelschen koopman William Leckie Esq., dewelke den 8sten April 1824, na 24 jaren in deze Kolonie geweest te zijn, in den ouderdom van 45 jaren overleed. 

Verder las men op dit monument: »In the midst of life we are in death“, alsmede, in die zelfde taal, de woorden te vinden in het Evang. Joh. XI. 25, 26. 

Men zegt, dat eene commissie uit de Leden van de Loge Concordia, daartoe speciaal gedelegeerd, aan de Kerkenraden (in Hervormde en Luthersche Gemeenten, die beide door hel afbranden van het Luthersche Kerkgebouw verstoken zijn van eene plaats ter openlijke godsdienst-oefeningen bestemd, eene der zalen van het Gebouw der Loge heeft aangeboden, om in dezelve, volgens onderling te makene schikkingen, provisioneel hare godsdienstige bijeenkomsten te houden. Wij twijfelen niet, of dit aanbod zal met de meeste dankbaarheid door beide Gemeenten zijn aangenomen. 

Wij achten ons nog verpligt, om door middel van ons Blad, de  tolken te zijn van de opregte gevoelens van dankbaarheid, die de Inwoners dezer Stad en allen die daarbij belang hebben, bezielen voor de vereenigde en onvermoeide pogingen, zoo door Z. E. den Heer Gouverneur Generaal en verdere Hooge Autoriteiten, als door den Heer Kolonel ter zee, De Quartel, den Heer Luitenant-Kolonel en Plaatselijke Kommandant, Balfour van Burleigh, den Heer Majoor Kommandant der Schutterij, Mr. P. Fiers Smeding, den Inspecteur der Bruggen Wegen. enz., M. D. Teenstra, de officieren en manschappen der Marine, de matrozen der Koopvaardijschepen, de Leden der Schutterij, en vele particuliere Ingezetenen, ter blussching van het vuur in het werk gesteld, terwijl wij geene mindere hulde toebrengen aan de bijzondere zorg van den Heer Baljuw en Commissaris van Politie, J. C. Muller, die ter voorkoming van wanorde, waartoe bij dergelijke  rampspoedige gebeurtenissen maar al te dikwijls aanleiding gevonden wordt, alle die maatregelen heeft doen nemen, welke de omstandigheden met mogelijkheid aan de hand konden geven. 

Jammervol is het aanzien van dat gedeelte der Stad, dat door deze ramp geteisterd werd, terwijl het onder het onmogelijke te achten is, de schade daardoor veroorzaakt, met eenige waarschijnlijkheid te gissen. Dit echter is zeker, dat mogen ook al eenige eigenaren of bewoners der afgebrande huizen door dat onheil niet geheel tot hunnen ondergang gebragt zijn, en anderen wier huizen voor brand geassureerd waren, in zoodanige verzekering een middel vinden, om spoedig weder het geleden verlies, zoo al niet geheel dan toch, gedeeltelijk te kennen herstellen, er echter een aantal huisgezinnen door het plaats| gehad hebbend onheil, zoodanig geleden heeft, dat zij niet dan door de hulpvaardigheid en bijstand hunner Stadgenooten van eene volstrekte armoede zullen te redden zijn; daarom dan ook wij bet genoegen niet ontveinzen, dat wij ontwaarden bij het vernemen der maatregelen door het Gemeente Bestuur alhier genomen, ten einde de gelegenheid open te stellen om langs eenen doelmatiger weg, de liefde giften, ten behoeve van onze bij den brand ongelukkig gewordene Stadgenooten, in te zamelen. 

Het voorbeeld, zoo wij vernemen, te dien aanzien reeds door eenige leden der Loge Concordia gegeven, moge vele navolgers vinden, en ook deze ramp getuige wederom dat de deugd der menschlievenden eene deugd is, welke in de harten der Surinamers als ingeschapen kan beschouwd worden.

___________________________________________________________

___________________________________________________________
Naar Marten Douwes Teenstra in Suriname (1828-1833)

Naar boek M.D. Teenstra: Bijzonderheden betrekkelijk den brand te Paramaribo, in den nacht van den 3den op den 4den September 1832