03-01-1833: Begrafenis van Jan Evert Lewe van Aduard te Vlissingen

___________________________________________________________

03-01-1833 Algemeen Handelsblad 

— Part. Corresp. (VLISSINGEN, 31 December.)

Zaturdag den 29sten dezer was het lijk van wijle den Schout bij-Nacht Jonkheer J. E. Lewe van Aduard, in een der lokalen van het Arsenaal , op de Uitrustingswerf alhier, voor een ieder te zien.
De catafalque, die het stoffelijk overschot van den zoo roemrijk gesneuvelden Zeeheld bevatte, was doelmatig met de ridderordes en het metalen kruis, vlaggen en wapens, versierd.
Indrukwekkend was het gezigt van deze geheel met zwart behangen lijkkamer, voor hem die bij een gevoelig hart, onbegrensde vaderlandschliefde en eene levendige verbeeldingskracht bezit; als in verbeelding zweefden de rijen onzer zeehelden rondom deze doodkist, het was als of zij den gesneuvelden goedkeurend toewenkten; weemoedig ruste het oog op de vlag, die zoo dikwerf door den afgestorvenen was verdedigd en vereerd; de herinnering drong in het voorledene, men zag de Ruiter bij Soulsbay, Evertsen bij Harwich, van Brakel te Chattam, Tromp te Kijkduin, in kruidnevelen gehuld, voor ’s lands regten pal staan; van Speyk, de held van Austruweel, geleide den braven Lewe in de rijen der gesneuvelde zeehelden , waar zijn naam onder den jubelgalm der seraph’s in het gouden boek der eeuwigheid werd opgeteekend. 

Heden had alhier de lijkplegtigheid en ter aarde bestelling plaats; de lijkkoets door 4 paarden getrokken, werd voorafgegaan:
1°. door tamboers en hoornblazers van het garnizoen, welke bij afwisseling hunne treurige en sombere marschen deden hooren;
2. een sterk detachement van de Zeeuwsche schutterij;
3°. een sterk detachement van de Noordbrabandsche schutterij;
4°. de Koloniale divisie, onder kommando van den Heer Majoor Dressel;
5°. de vrijwillige artilleristen;
6°. het uitmuntend korps muzijkanten van Zr. Ms. linieschip de Zeeuw, hunne plegtige lijkmarschen spelende;
7°. stads lijkdienaars;
8°. het blazoen of wapenschild der familie Lewe, gedragen door een Adelborst der Marine;
9°. bezijden de lijkkoets als slippendragers de Heeren Kolonels der Marine de Haan, Spengler, Rijk en de Kapt.-Luit. Edeling,
vervolgens de Zoon van den waardigen gesneuvelden, Adelborst aan boord van Zr. Ms. linieschip de Zeeuw,
en den Heer Schrijver en Victualiemeester Ovink, van den bodem waarop de heldendood plaats vond; daarna Z. E. de Heere Vice-Admiraal, Opperkommandant der vesting Gobius, Z. E. de Heere van Vredenburgh, Gouverneur der Provincie, en de Heere Guicherit, Generaal-Majoor, Provinciale Kommandant, de Regering der stad Vlissingen, alle de Hoofd- en verdere Officieren der zee- en landmagt, alle de Adelborsten der Marine, de Geestelijken van alle godsdienstige gezindheden, met derzelver Kerkgenootschappen en Ouderlingen, de hooge en mindere Beambten van ’s Rijks Marine en andere Administratiën, de Administratie van bet Loodswezen, met alle de loodsen, en alle de matrozen van Zijner Majesteits schepen in het dok en op de reede, en een sterk detachement Mariniers; de vlaggen waren van alle rijks en particuliere vaartuigen halver stok geheeschen; dof en plegtig klonken de kanonschoten die van de ter reede liggende schepen en de batterijen der vesting werden gedaan; statig en met treurigen ernst ging dc onafzigtbare trein door de voornaamste grachten en straten der stad, waar het overschot van den braven en dapperen Hollandschen vlootvoogd aan de aarde zoude worden wedergegeven;
in de nabijheid der graftombes van de eveneens met roem gesneuvelde Luits. der Marine Klinkhamer en Maas, (in het bombardement van Antwerpen), rust het ligchaam van den achtingswaardigen Lewe, die voor den roem onzer wapenen stierf.

Op de begraafplaats, even buiten de stad, gekomen, werd het lijk met de grootste plegtigheid in het graf nedergelaten, onder het knallen van eereschoten uit de geweren en het doffe en treurige gebulder der minuutschoten. De Hr. Kolonel der Marine Lutsenburg, met de taak van Ceremoniemeester bij deze gelegenheid belast,  hield over het nog geopende graf, eene treffende en doelmatige redevoering, de kundigheden, de dapperheid en regtschapenheid van den zoo roemrijk gesneuvelden huldigende.

Grafschrift.

Hij die bij Palembang voor Hollands grootheid streed,
’t Verraad en muitzucht bij Antwerpen siddren deed,
Zijn bloed ten offer bragt en door zijn roemrijk sneven,
Het zegel drukte op een vlek’loos nuttig leven,
Hij die van moed en trouw het schitterendst voorbeeld gaf
Lewe van Aduard rust in dit Heldengraf. 

Vlissingen , 31 Dec. 1832. A. Ruysch. 

De volmaaktste orde, niettegenstaande de ontzettende menigte volks die door deze plegtigheid was uitgelokt en de straten als overdekte, heerschte bij dezen lijktogt; het was als of een ieder het verlies gevoelde van een braaf man, een dapperen en kundigen vlootvoogd en een edel maatschappelijk burger, die zijne voortreffelijkheid, zijne regtschapenheid en zijne vaderlandsliefde geenszins van den Adelstand, waartoe hij behoorde, ontleende, maar aan den Adel der Ziel, die hem (meer dan een Edelman) tot een Edel mensch maakte, verschuldigd was.

___________________________________________________________

04-01-1833 Dagblad van ’s-Gravenhage  

 — Het lijk van den roemrijk voor bet vaderland gesneuvelden schout-bij-nacht Lewe van Aduard is den 31 December te Vlissingen, met de grootste militaire plegtigheid, aan den rang des overledenen verschuldigd, op het kerkhof aldaar, in de nabijheid der graven, van de, bij het bombardement van Antwerpen in 1830, gesneuvelde luitenants der marine Maas en Klinkhamer, ter aarde besteld. 

Al de militaire en burgerlijke autoriteiten, benevens de troepen van het garnizoen, volgden, onder treurmuzijk , plegtstalig het stoffelijk overblijfsel eens helds, die voor onze regten en den roem onzer wapenen het leven liet.

___________________________________________________________

Naar Familie Jan Evert Lewe van Aduard