Menu +

Brief 04-11-1838 Klaas Jans Beukma

___________________________________________________________

Washington township den 4 November 1838. 

Zeer waarde Zuster! 

Hebben wij van onze zijde der Oceaan, nog altijd het onschatbaar geluk mogen hebben, gelukkige berigten van ons aller toestand u te kunnen doen toekomen, en zijn wij allen, zelfs eenmaal voor u en alle onze waarde vrienden, als uit den dood verrezen, thans ben ik in de hardroerende noodzakelijkheid, u te weten, te doen komen, dat een onzer, het offer des doods is geworden; Zaturdag den 27 October ontving ik het grievende berigt, dat onzer aller vriend uwen Neef M. E. van Kampen des avonds van den 18 September verleden was; gevoeliger en treffender was voor ons deze tijding, daar wij met verlangen, reeds zijne terugkomst begonnen tegemoet te zien, welke verwachting door dit hoogsttreurig berigt, voor nu en altoos, is afgesneden. 

Ik beklaag in mijn hart zijne naaste betrekkingen, wegens dit hun getroffen verlies, en stel mij levendig den schok voor, welke eene plotselinge kennisgeving bij hen moet veroorzaken, om hen regelregt daar mede te overvallen, waarom ik mij in dezen ook aan u wende, om hen hier voor gevoegelijk te kunnen voorbereiden. 

In de daad zijn hier begonnen loopbaan, gaf hun regt, tot de zalige hoop, dat het doel van zijne veerwijderingin den ruimste zin, zou verwezenlijkt worden, en openden buitendien voor zijnen broeder en zusters het vooruitzigt, dat wanneer ter eeniger tijd, wederwaardigheden, of rampen hun Vaderland voor hun te erg mogte worden, zij hier in de armen konden vallen van eenen broeder, die hier in de daad innig genegen, en in staat was, de bezwaren eener verhuizing zeer te kunnen verligten.
Ook ik, en wij allen verliezen veel door zijnen dood, zijn gemis, het denkbeeld hierop mij zelven te staan in dit verwijderde werelddeel, in zekere opzigt, met mijne kinderen verwekt een onwillekeurig, melancolijk gevoel van vreemdelingschap, wat door al het goede, dat wij hier genieten, niet geheel kan verdreven worden. Gij moet gevoelen dat het veel is, den eenigen man te zin vallen, welke met ons dat in der daad harden stap, om vrienden en vaderland te verlaten, heeft ondernomen en doorgestaan, die onder de duizenden hier de eenige was, die met ons onze geliefde voorwerpen kende, met ons gevoelde, en overeenstemde, en het waren in de daad, onze zaligste oogenblikken, wanner wij onderling over onze vrienden en voormalig woonoord zaten keuvelen, en ons allerlei kleinigheden, van allerlei aart, ons onderling voor den geest hielpen brengen; welk een vreugd was het wanneer wij M. met uwe brieven zagen opdagen en hoe weldadig was het dan niet voor het gevoel, dat wij tenminsten éénen vriend hadden, die bij het lezen derzelve in onze vreugde en droefheid deelde.

Doch moge ik deze treurige indrukken van mij verwijderen; zoo onverbidlijk den dood is, zoo onherroeplijk is het leven! 

De naastbestaanden mogen zich verzekerd houden dat M. hier deugdzaam heeft geleefd, en alle achting en vertrouwen genoot van zijne bekenden; –
Laat hun zijne nagedachtenis heilig zijn, zoo als het mij en de mijnen ook steeds zal blijven.
De nalatenschap van M. zal door mij zoo goed mooglijk bezorgd worden en onder mij berustende  blijven tot zoo lang ik berigt, en gelegenheid krijg, het aan zijne erfgenamen te doen toekomen, het bestaat uit de helft van het door mij aangekochte land, voor zoover dit betaald is, en uit de overige goederen kan worden betaald, welk een en ander op dezen voet staat.
De koopprijs van het aandeel land ongeveer 8 acres is plm. 240 doos hierop is door M. betaald 100 dll. Bij Benbridge nog te goede van zijn loon 100 dll. (hiervan is de schuldblijk bij mij berustende) overigens hetgeen op zijne laatste woonplaats, van hem aanwezig is, en waar over reeds door Benbridge geschreven is om het naar hier over te zenden. Die laatste hangt zoo als gij ligt begrijpt grootendeels aan de eerlijkheid van den tegenwoordigen bewaarder af en kan dus niet begroot worden alleen kan ik u zeggen dat M. met min of meer 50 doll. is van hier vertrokken wat zeker grootendeels door de reisen eerste oponthoud zal benoodigd geweest zijn. Overigens ziet gij uit zijne aan mij gerigte brieven welke ik hierbij overzned, dat hij daar een gedeelte van de oogst eener boerderij had aangekocht, waarvan evenwel ten tijde van zijn overlijden nog slechts weinig te gelde konde zijn, en het zal er dus mede veel aan afhangen, hoe gemoedelijk men hiermede te werk gaat. Een Amerikaan is echter zelden gewoon op kleintjes te zien, en ik heb dus reden te vreezen dat hier weinig van te regt zal komen.
Ik heb bij dit schrijven ook tevens om eene authentieke doodacte laten verzoeken. Het nog compaterende van B. zal ik trachten in te krijgen, doch men vreest hier voor het ophanden zijn van verscheidene bankroeten onder de kooplieden hier in Lafayette, en onder deze ook dt van B. ofschoon deze zeer vele landerijen en goederen bezit. De zachte weg zal evenwel naar mijn inzien, en ook dat van onze vriend L. wel de verkieselijkste zijn. Ik sta nog bij voortduring, met hem op zeer goede voet. Dat M. zich in zijne brieven zoo scherp over hem uitlaat spruit voor uit verschillen in zijne laatste diensttijd dewijl B. zeker uit geldgebrek en het verlangen hem nog eenigen tijd in zijn dienst te houden beide, hem in zijne begeerte om naar elders te gaan door inhouden van het loon eenigen tijd heeft opgehouden en eindelijk nog slechts gedeeltelijk betaald heeft. Bij een volgende zal ik u de uitslag van alles mededeelen en tevens antwoord afwachten hoe de erven wenschen met de nalatenschap gehandeld te hebben, of ik bijv. zijne kleederen, koffer, horologie, enz zal laten verkoopen, en hoe met het land te handelen. Ik had in dit laatste opzigt aan M. de keus gelaten tot aan het naaste voorjaar, of om het land zelve te nemen of aan mij at te staan voor de inkoopprijs, mits mij het geld der halve koopprijs latende voor de intrest der bank (6 procent) tot de tijd ik het uit mijne inkomsten kan aflossen, deze keus staat thans aan zijnen ouder, en zal het laatste zeker voor hem als het verkieselijkste beschouwd worden in welk geval hij dat geld wat bij Neef T. Meijer berustende is in afbetaling nemen voor zoover dit neef Meijer gelegen komt. Met het overige zal hij eenige tijd moeten wachten tot zoo lang ik het uit mijne inkomsten heb kunnen vinden of eenige schikking eeniger wege heb kunnen maken. Uwe broeder geve mij vrijmoedig op, met welk een aandrang hij het ontvangst van het geheel verlngd, ik zal zooveel doenlijk mij hierna voegen. 

Voor den dood van M. heb ik tevens ook weder ondervonden hoe oppervlakkig en nietig onze menschelijke plannen en inzigten zijn. Bij het inkopen van dit land had ik voornamelijk voor M. ten doel om zijne overgewonnen penningen op eene zekere wijze te bewaren doch later verheugde ik mij door een bespiegeling dat wanneer M. spoedig een vrouw mogt vinden hij althans gedurende Truida’s afwezigheid bij mij kon inwonen en ik en Kornelis bij hun in de kost konden gaan elkander  wederkeerig helpen in onze tuiniersbezigheden en ik naar alles aan de gang te hebben geholpen zeer gevoegelijk gelegenheid te zullen krijgen om mijne zaken voor eenige maanden te verlaten, en u en alle mijne vrienden nog eens weder op te zoeken. Mijne verbeelding had voor mijne overeenkomst reeds het zomer of najaar van 1840 bestemd: doch in stede van dit heeft het gestrekt mij in mijn vaderland weder tot schuldenaar te maken. Het noodlot laat zich door geene menschelijke wil regeeren. 

Mijne treurige stemming zou mij nog ligt langer in deze toon doen voortgaan doch ik wil opzettelijk. dit keer bij de ingeslotene brieven aan welke ik denk dat de familie behoefte heeft, slechts een enkel blaadje voegen, dewijl deze zeker om het gevorderde saisoen over Engeland of Frankrijk u zullen moeten worden toegezonden en dit u dus veel aan port zal kosten en ik moet u nog schrijven dat wij gister (het is thans den 5) zaturdag, eindelijk het groote genoegen hadden van u een paket brieven te ontvangen van het laatste gedeelte van 1837 en door Hr. Schitlthuis in Januarij 1838 verzonden. In het begin van Sept. gaf Mr. Cole ons van derzelver aankomst bij Z.Ed.  berigt en vroeg hierbij hoe het ons wegens de zwaarte van het paket te zullen toezenden, daar ZEd. geene gelegenheid kon vinden het mij met goederen naar hier toe te zenden en hij vreesde dat het langs de gewone pakvaart line bij zich zelven zou verloren gaan. Onmiddelijk schreef ik ZEd. om het paket te breken, en de brief onmiddellijk mij toe te zenden; tevens gaf ik van deze aankomst te New. Y ook berigt aan M. (den 17 September des daags voor zijn dood). Het vorige paket van welks verlies ik in mijne laatste van den 7 Augustus gewaagd heb, heeft nog niet weder kunnen opgespoord. B. geeft mij nog wel altijd hoop doch ik vrees dat zij voor altijd verloren zijn, dit voor ons zoo gewigtig verlies moet gij zoo veel mogelijk herstellen. Van de Witt vond ik tot mijne verwondering niets bij het paket, ik hoop dat er eenig schrijven van hem in de terug gebleven boeken (deze zend de Hr. Cole mij bij de eerste gelegenheid) mag liggen. Ook van Oom D. nul. Met de Bokummers ben ik geheel verzoend, doch hoe is het met uwe Betje, Bouke en Geertruida geen brief geen woord van haar. Eene gelukkige indruk maakten op ons deze brieven geene sterfgevallen of ongelukken van aanbelang en meerdere algemeene voorspoed mogt dit zoo voort duren! 

Zoo als dit jaar voor ons met ongelukken is begonnen (wat gij uit de vorige gezien hebt) zoo schijnt het ook tevens te zullen eindigen, ook wij hebben dit zomer in de ziekten moeten deelen, welke hier reeds bij mijn vorig schrijven zoo algemeen heerschten allen hebben wij langer en korter, (hoezeer niet gevaarlijk) ziek geweest, bij Truida heeft de ongezonde luchtgesteldheid ten gevolge dat haar gebrande voet niet beteren wil zoodat zij van alle genoegens gedurende eenige tijd heeft moeten afzien en Willem heeft kort na zijn beterschap een huiduitslag gekregen zoo als ik nog nimmer gezien heb. Hij is geheel met zweren overdekt en heeft op sommige plaatsen aanmerkelijke wonden en geweldig gezwollen beenen, hij kan naauwlijks liggen en nog minder zitten: dit heeft nu reeds een week of zes geduurd. hij is thans wel iets aan het beteren doch dit gaat zeer langzaam, hij is thans zoo ver dat hij eenigsinds zijne handenkan gebruiken, hij maakt zich de tijd ten nutte met zich in het meetkundig rekenen te oefenen. Teekenen kan hij niet. Mogelijk hebben wij onze ongesteldheden meest te wijten door dien wij na het verlies van ons houtvlot, een naast de rivier staand groot en zwaar loghuis van Benbridge gekocht hebben en dit na de oogsttijd hebben neergevlot, bij hetwelk wij gedurende 14 dagen, daaglijks aan het midden in het water zwaar moesten werken; het was toen wel zeer warm weder, doch men houdt dit hier voor zeer ongezond en dit scheen zoo, in de gevolgen, althans Korn. wierd bij dit werk eerst ziek, toen Willem, en eindelijk ik, doch met mij liep het met een enkele koorts af. 

Dit huis ligt nu in balken op de plaats van bouwen en het volgende winter of vroege voorjaar opgerigt te worden. Wij hebben ons mais reeds te huis op een paar wagenvrachten na behalve dat op het nieuw aangekochte land. Het maisgewas is in deze streken middelmatig doch in sommige oorden, ten gevolge van het natte voorjaar en drooge zomer bijna geheel mislukt wij hebben naar gissing van ongeveer 2 acres min of meer 900 bushel: de bushel kost hier thans 37 ½ cents, doch men denkt algemeen dat het hooger zal lopen. 

De aardappeloogst is zeer gering, de bushel kost thans 75 cents. Het graan en vooral de tarwevrucht is meest overal zeer goed uitgevallen. 

De winter begint zich hier reeds weder gelden te laten, voor eenige dagen hadden wij reeds eenige sneeuw en bijna ieder nacht aanzienlijk vorst en hadden geheel de dag onafgebroken sneeuw. 

Heil zij u allen! dit wenscht uwen Broeder. 

K. Jz. Beukma

___________________________________________________________

Naar Brieven Klaas Jans Beukma en zonen Jan, Kornelis, Willem Beukma en schoondochter Hillechien Beuckma