Menu +

Meer over de molen “De Zwaluw”

12485821_1781273762105152_6268629696855509866_oAl eeuwenlang omringen korenvelden Zuurdijk. Tarwe, haver, gerst, rogge, boekweit en andere producten moesten hun weg naar de magen van mens en dier vinden. Veel granen zijn niet direct te eten maar hebben meer bewerking nodig dan alleen braden, bakken of koken. Graan moet gemalen en gerst moet gepeld worden. Vanaf de middeleeuwen ontwikkelt zich de molen zoals wij die kennen voor deze bewerkingen.
Sinds de tachtig jarige oorlog is bewerken van granen onderhevig aan wetgeving. Deze ”Wet op het Gemaal” was niet alleen een belastingwet maar reguleerde ook het aantal molens per inwoneraantal, wie mocht malen en wat er in een molen gemalen mocht worden.

Voor elke 1800 inwoners mocht een molen gebouwd worden. Zuurdijk heeft dit inwoneraantal nooit gehad, we mogen dus aannemen dat de molen altijd mede voor handel en export heeft gedraaid. Een andere regel van de wet bepaalde dat een bakker nooit zijn eigen meel mocht malen. De huidige, tweede molen in Zuurdijk was de vervanger van een afgebrande molen uit 1831 en hij werd in 1858 gebouwd door E.J. Kamphuis die zowel molenaar als bakker was. Deze combinatie van beroepen was pas na de opheffing van de Wet op het Gemaal in 1850 toegestaan.
Ook het malen van graan en het pellen van gerst in dezelfde molen was pas vanaf 1850 toegestaan. Vooral in Groningen ontstond een lucratieve bedrijfsvoering in combinatie van malen en pellen.
Na 1850 zien we hausse in molenbouw en molenverbouw. De echte Groninger koren- en pelmolen ontstaat. Voor pellen is veel wind nodig liefst 5 Beaufort of meer. Hiervoor waren stevige molens nodig en gelukkig waait het vaak hard in onze kustgebieden. Op minder winderige dagen schakelde de molenaar over op het malen van graan. Maar de grootste verdienste voor de molenaar lag in het pellen van gerst tot gort.

Gort was tot de eerste wereldoorlog het volksvoedsel in Nederland, Groningen was met Zeeland een belangrijkste gortleverancier. Tegenwoordig is de gort uit ons dagelijks menu geheel verdrongen door tarwe (bloem), haver (Muesli), rogge en spelt. En gerst wordt nu alleen nog machinaal gebroken en voor de bierindustrie gebruikt!
Bovenstaande veranderingen in wetgeving en consumptiepatroon hebben hun sporen in de molen De Zwaluw achtergelaten.

In 1831 wordt een korenmolen in Zuurdijk gebouwd. Deze gaat door brand verloren. Voor de uitvinding van de bliksemafleider gingen molens vaak verloren door inslag.
Voor 1831 werd het koren gemalen in de molen van Houwerzijl.

Molenaar en bakker Kamphuis laat in 1858 de huidige koren- en pelmolen bouwen. Zoals gebruikelijk op Groninger pelmolens heeft De Zwaluw een koppel pelstenen d.w.z. twee stuks; een voorloper en een naloper. Voor het reinigen van de gepelde gort heeft de molen een waaierkast. Hierin wordt het pelstof van de gort geblazen en de gortkorrel op grootte geselecteerd.
Aanvankelijk had de molen ook twee maalkoppels voor graan. Hiervan is nog een in bedrijf.

In Nederland is lang nadat stoom, elektriciteit en motoren het van de windkracht gingen winnen doorgemalen op gratis windenergie. Het hardnekkig doorwerken op wind werd ingegeven door zuinigheid maar werd mede mogelijk door de doorgaande ontwikkeling van de wieksystemen op molens in Nederland. De molen in Zuurdijk heeft verschillende wieksystemen gekend. Zowel de eerste als de tweede molen waren oudhollands opgehekt. Onze molens hebben meestal vier wieken (ofwel twee roeden die elkaar in de askop kruisen). Als u de wieken bekijkt ziet u een breed hekwerk aan de achterkant van de wiek en houten planken (windborden) aan de voorkant van de wiek. Zeilen op het hekwerk in combinatie met windborden noemt men oudhollands hekwerk maar het is een verbetering van vroegere systemen. Vroeger moest de molenaar afhankelijk van de windkracht meer of juist minder zeilen op de wieken aanbrengen. Hij moest de molen stilzetten, in de wieken klimmen, zeil uitrollen of inrollen en weer verder malen.

Veel gemakkelijker is het systeem van zelfzwichting. Zwichten is het verminderen van winddruk op de wieken, zelfzwichting is het automatisch aanpassen van stand van de klepjes in de wieken bij veranderende windkracht. Tussen de heklatten zijn de kleppen van de zelfzwichting bevestigd. Deze zijn draaibaar. Bij meer wind of bij windvlagen drukt de wind de kleppen (verder) open en de wind passeert de wieken zonder dat ze sneller gaan draaien. Bij minder wind draaien de kleppen vanzelf weer dicht. Het grote voordeel voor de molenaar was dat hij niet meer in de wieken hoefde te klimmen en dat de molen regelmatiger draaide in ons klimaat met wisselende windkrachten. De molenaar kon al zijn aandacht aan de constante kwaliteit (fijnheid) van de meel-productie besteden. Toch vinden veel mensen een draaiende molen met zeilen op de wieken mooier dan een “klepjes”-molen.

Malen en pellen is zwaar werk voor een molenaars en molenknechten. Eeuwenlang werd er aan verbetering van de molen gewerkt. Veel molens hebben een zakken-hijs-inrichting. Dit luiwerk werkt op windkracht en neemt het dragen van zakken graan en meel van de molenaar over. Soms demonstreert de molenaar het ophijsen van zakken als de molen draait.

De Zwaluw heeft nog een transportsysteem in de molen, ook op windkracht. Een jacobsladder bestaat uit een doorlopende transportband. Hierop zijn bakjes ter grootte van een koffiemok bevestigd die door een bak graan of gort lopen. De gevulde bakjes worden omhoog getransporteerd en kiepen de inhoud in trechter. Van hieruit loopt het graan of gerst naar de maal- of pelstenen.

Al deze ontwikkelingen van oude technieken zijn nog werkzaam in de molen van Zuurdijk. De molenaar kan de werking van de molen zichtbaar maken.