Menu +

Graf 41 Henderikus Warendorp Jannes Torringa (1847)

langdurig In bewerking

______________________________________________________________

Kerk Graf 4 schoonmoeder Everdina Oudeman
Kerk Graf 4 schoonvader Roelf Eijes
Kerk Graf 5: 1e echtgenote Kunna van Kammen
Kerkhof 39: vader Jannes Luitje Torringa Moeder Hendrika Warendorp
Kerkhof 40: 2e echtgenote Antje Arends de Graaf
Kerkhof Graf 56: aanbehuwd tante Elizabeth Eijes
A145 A146: zoon Roelf Eijes Torringa Schoondochter Annetta Geuchina Zijlma
B001 B002: zoon Jannes Luitje Torringa Schoondochter Trientje Tebbens
Drafpaard Goliath

______________________________________________________________

Hendericus Warendorp Jannes Torringa, landbouwer Stoepemaheerd, ~ 02-11-1784 Zuurdijk (als Henricus Warendorp), † 27-07-1847 Zuurdijk, 62 jaar

Hendericus Warendorp Jannes Torringa was zeer (dwingend) actief in de dorpsgemeenschap en kerk. Hij werd de eerste voorzitter van de landbouwverering: “Nieverheid”.
Ook was hij een groot paardenliefhebber. Zijn meest beroemdste paard was: Goliath 

Bij overlijden werd zijn naam geschreven: Henricus Warendorp Jannes Torrenga
Aangevers overlijden Henricus: Enne Jans Huizing, 43 jaar, landbouwer (Huizingheem), wonende Zuurdijk, nabure en Klaas Jans Beukema, 45 jaar, landbouwer (Castor), wonende Zuurdijk, nabure

x I 09-08-1823 Leens Kunna Roelfs van Kammen, † 04-10-1825 Zuurdijk, 31 jaar, huis No 6, Stoepemaheerd

Zie voor zijn zoon uit dit huwelijk Kerk Graf 5 Kunna van Kammen

x II Antje Arends de Graaf, † 27-01-1843 Zuurdijk, Stoepemaheerd, 28 jaar, in het kraambed gestorven

Zie voor zijn kinderen uit dit huwelijk Kerkhof Graf 40 Antje Arends de Graaf

______________________________________________________________
Ter gedachtenis
van
HENDERIKUS WARENDORP
JANNES TORRINGA
geboren den 2 November 178(4)
overleden den --- Julij 1847
in leven
landbouwer te Zuurdijk

Bijzonderheden: Verweerd, gescheurd, liggende steen
Tekening: Vlinders, daarboven een stralenkrans, onder een treurboom.
Links onder een schedel met een bonk. Midden een zuil met een krans om de toren.

Grafsteenhouwer: J.K. Pieters

______________________________________________________________

In 1839 woonde op de boerderij Stoepemaheerd, huis no 6, 1 gezin en 11 bewoners.

Zie voor hen Bewoners Stoepemaheerd 1839

______________________________________________________________

Geuchien Zijlma beschrijft in zijn publicatie over het dorp Zuurdijk Henderikus Warendorp Jannes Torringa als volgt:

“Met Hendericus W. Torringa verrijst weer een persoonlijkheid aan wie gedurende lange tijd de voorrang moet worden toegekend. Ofschoon zijn vader Jannes Luitjes Torringa, overleden 1817, gelijk reeds aangehaald, werd gerekend tot de rijke Zuurdijkster boeren, was het toch voor deze zoon een kolossale onderneming om alleen en ongehuwd uit zes medeerfgenamen zich de grote boerenplaats, thans Adam Torringa, te doen toedelen.
Hij zat er dus als boer erg bezwaard en niet onwaarschijnlijk zou dit met de slechte jaren na 1820 een noodlottige afloopvoor hem hebben gehad, indien niet zijn rijk huwelijk dit had voorkomen. Die verbintenis toch met de schatrijke erfdochter Kunna van Roelf Eyes, weduwe van Everdina Oudemans, op wie ten slotte al de bezittingen van diens naaste voorgeslacht waren vererfd, maakte hem opeens tot verreweg de rijkste boer uit de gehele omtrek.

Dit alleen zou natuurlijk genoeg zijn om hem onder zijn dorpsgenoten een enige positie hebben doen innemen. Ik heb hem persoonlijk niet gekend hoewel naar mij nevelig voorstaat toch eens gezien bij een schoolfeest, waar hij aan de kinderen een prent deed uitdelen. De prent bij die gelegenheid aan mij gegeven, ofschoon niet schoolplichtig, herinner ik mij thans nog wel. Het was een tijger, die in een boom geklommen een troep apen vervolgde, welke zich nu op het einde van een lange tak, de één hangende aan de staart van de ander, naar beneden lieten zakken.

Een man van studie en algemene kennis kan H.W. Torringa niet worden genoemd. Maar bij zijn tijdgenoten stond hij hoog aangeschreven, aan zijn uitspraak en beoordeling werd bijzonder veel gehecht. Als bekwaam landbouwer, goed vee en paardenkenner, begaafd met een vlot en helder oordeel, ook in maatschappelijke zaken, was, waar dit te pas was, zijn zienswijze van buiten gewone invloed, doorgaans dominerend.
Typisch Zuurdijkster in zover dat hij zich van de loop der regerings- en bestuurszaken gewoonlijk weinig aantrok, heeft dit niet weerhouden soms vooruitstrevende zaken en personen te steunen, b.v. W.L. Dijkhuis bij de oprichting der Afd. Leens van Nijverheid. Veel aandeel in de werkzaamheden lag niet op zijn weg, het voorzitterschap zal meer zijn opgedrongen dan begeerd, toch was zijn steun van betekenis voor het welslagen.

Liefhebber van sport, inzonderheid harddraven, aangenaam en onderhoudend in gezelschap, veel uitgaan en bezoek, boers royaal, heeft dit zeker van zijn strek gestel meer gevraagd als het op de duur vermocht uit te houden.
Ik heb wel eens horen zeggen, hoeveel dagen achtereen hij in het laatste van zijn leven met paard en arreslede over ijs was uitgeweest. Daarbij, een drinker was hij juist niet, doch een plakker wel. Van de ouderen hoorde ik wel als bijzonderheid hoe hij in zo’n gezelschap schier de gehele nacht had kunnen zitten, zonder van zijn stoel op te staan. ”

______________________________________________________________

Hij was een groot paardenliefhebber.
Meerdere paarden van hem hebben op draverijen in den lande prijzen gewonnen. Zijn bekendste paarden waren Goliath, Prinses en na 1843 Kruisinga, meestal bereden werden door de pikeur Jan Pieter Oepkes de Boer uit Friesland, die als Jan Pieters de Boer, zoon van Pieter Oepkes geboren was. Goliath werd met J.P.O. de Boer afgebeeld op een schilderij.
In de periode 1836 – 1847 reden de paarden Goliath/Prinses/Kruisinga (eigenaar H.W.J. Torringa), Willemijntje/Lietze (eigenaar A. van der Hoop uit Amsterdam) en Nette (eigenaar A.M. Visser uit Akkrum) vaak tegen elkaar. Deze paarden wonnen zo vaak de prijs of de premie dat eigenaren van andere paarden zich niet meer wilden inschrijven. Ook het kijkerspubliek vond dat de spanning weg was als deze paarden altijd alles wonen. Bij vele harddraverijen werd uitdrukkelijk vermeld dat alleen paarden mee mochten doen die nog geen prijzen hadden gewonnen.

Geuchien Zijlma rept er met geen woord over, maar het houden van draverijpaarden zal buiten aan-, verkoop en fokken ook geld gekost hebben.
Op 03-08-1844 stond in de Arnhemsche courant het volgende artikel over een harddraverij te Harlingen:

Volksvermaken
Noem mij die zeeliên slechts, die zich zoo stout vertoonen,
Als zij, die Neérlands kust en dit gewest bewonen;
En heeft dit land daartoe de schoonste strekking niet?
Rivier en meer en poel, — ‘t is wat er wat men ziet;
Van buiten door de zee aan allen kant omgeven,
Heeft ook natuur den Fries deez’ lastbrief voorgeschreven
Doorkliefden oceaan ……!
Mr. Deketh. 

Het Vriesche volksvermaak, dat in elke stad,in elk vlek en op verschillende dorpen dezer provincie jaarlijks plaats grijpt? te weten de harddraverij met paarden, voorheen om eene met goud of zilver gemonteerde zweep, thans om eene zilveren vaas, eenen tabakskomfoor, of eenigen anderen prijs, had dezer dagen, bij gelegenheid van de kermis, ter dezer slede, plaats. Belangrijk was inderdaad deze wedloop. 

Dertien sierlijke paarden namen aan dezen wedstrijd deel, en menige rid droeg getuigenis van de geoefendheid der paarden in het hard-draven, maar niet minder van de geoefendheid van derzelver berijders, waarvan er waren , die in hunne loopbaan grijs geworden zijn, en met kunstoogen voorzien waren. Liefde tot de kunst, en bevordering van levensonderhoud, deed hen, in weerwil hunner jaren, nog moedig, kloek en vlug van beroep waarnemen. 

Jammer, dat de afloop, zoo als zulks wel met meer dingen gaat, eenige flaauwheid deed blijken, en, dat, wanneer men gemeend had, de kunst van paard en rijder, bij het laatste rid, in vollen luister te zien prijken, dezelve zoo koel afliep, dat het scheen, alsof paard en rijder vermoeid en afgemat waren en de palm der overwinning, als het ware, zonder krachtsinspanning verworven werd. 

Puik van Neêrlands harddraverijen, de rijke Adriaan van der Hoop van Amsterdam , ging wederom, met zijn klein vlug paardje, de Lietse, bereden door den wakkeren en kloeken Ary Houtman, mede van Amsterdam, met den prijs strijken. 

Bij die gelegenheid werd verhaald, dat gemelde heer van der Hoop, het getal prijzen, door harddraven hier en daar behaald, en welke van meerdere en mindere waarde zijn, reeds tot honderd vijf en zestig (zegge 165) had doen stijgen. Waarlijk, om zoo iets le kunnen doen en volhouden, behoort men een vorstelijk kapitaal te bezitten, en het is aan kleine, eerstbeginnende houders van harddravers wel aan te raden, voorzigtig te zijn, om met dien grooten baas, die weldra wegens zijne harddravers eenen Europeschen naam behaald zal hebben, in dien wedstrijd to blijven verkeeren, daar een en ander met geene geringe of beperkte middelen is vol te houden. 

Het is intusschen vreemd, dat men ter dezer plaatse geen meer lust en neiging tot zeilen gevoelt, waartoe deze plaats zoo uitnemend geschikt is, en die bij den lust tot varen, den Fries als het ware aangeboren, bijval en goedkeuring zoude verwerven, terwijl men alsdan de kunst van geoefendheid in sturen en zeilen zoude kunnen gadeslaan en meer en meer in beoefening brengen. Dan er schijnt in alles eene zekere moedeloosheid te bestaan, en wel voornamelijk de scheepvaart betreffende, die van jaar tot jaar toeneemt, en eene zigt- en merkbare kwijning aan deze zoo schoone en welgelegene plaats doet opmerken. Mogt een kloek en schrander bestuur dit eens opmerken en pogingen aanwenden, ten einde deze plaats meerdere welvaart erlange en voor grooter verval bewaard blijve. Ook was er bij de harddraverij ter dezer plaatse iets op te merken, dat eenen misstand, zoo geene spotternij, verwekte. Men moet welen, dal men voor heeren burgemeester en wethouders en de leden van den edel achtbaren raad eene soort van théater had opgerigt, ten einde hun edel achtbaren al het genoegen van zoodanigen wedloop le doen inoogsten, en op weik théater menige toast ten genoegen en voordeel der inwoners werd gedronken. Dit théater was heden met eenaantal sierlijk gekleede juffertjes bezet, zoodat hun edel achtbaren in het midden dezer kindertjes eene vertooning maakten als ware het eene jufvrouwen-kostschool of een naaiwinkel van de eerste klasse. 

Harlingen, juli 1844. Bato.

Noot: Adraan van der Hoop was bankier en grondlegger van het Rijksmuseum. In zijn kunstcollectie bevond zich “Het Joodse Bruidje” van Rembrandt van Rijn. Ook hij liet enkele van zijn paarden schilderen.

______________________________________________________________

Graven Kerkhof
Familie Torringa 3e Generatie