Menu +

De molen te Zuurdijk van de familie Spiets

12485821_1781273762105152_6268629696855509866_o

Toen ik enige jaren terug, ‘s morgens voor de koffie dikwijls in de omtrek fietste, kwam ik af en toe ook nog wel eens over Zuurdijk en dan zag ik telkens weer de molen in zijn desolate en vervallen toestand staan en dat deed mij leed, want ik heb aangename herinneringen aan die molen en ik heb volle weet aan de tijd dat hij nog in volle fleur en glorie zijn werk verrichtte, Ja, ik zeg in glorie, want wat was Zuurdijk zonder de molen? Een kerk, een schooltje, een meesterswoning, een herberg, een smid, een kuiper,een verver een schoenmaker, een winkeltje, een varkenshandelaar en verder meerdere door en voor de boeren gebouwde arbeiderswoningen om de arbeiders, die anders voor dag en dauw langs slechte wegen uit de omliggende dorpen moesten komen, dichter bij de boerderijen te krijgen. Het was helemaal een boerenleefgemeenschap, een gewoon burgerwoonhuis was er niet en de molen, dat was Zuurdijk. Dat er ook nog een molen en een bakkerij waren is tenslotte niets bijzonders maar dat die zouden uitgroeien tot een regeringszaak zoals nu het geval is geweest, dat kan men wel een unicum noemen en dat op een dorpje dat ver van een vaarwater is gelegen, wat toen de enige mogelijkheid was voor handel en verkeer. De eigenaar van beide was toen Jacob Spiets, dagelijks “Joap Spiets” en dat was mijn oom, want zijn vrouw Geertje Wiersum was een volle zuster van mijn vader. ‘t Was een ongelijk echtpaar, Hij woog ver over de 200 pond en zij zal denk ik nooit meer dan 100 hebben gewogen, maar zij was gauw als water en hij deed altijd maar, stennen en poesten” en was voor alle lichamelijke arbeid ongeschikt. Maar dat hoefde ook niet, want hij had ook nog behalve molen en bakkerij vlakbij een klein boerderijtje en verder was hij nog graancommissionair, in samenwerking met Klaas Loots van de Ewer die als vrijgezel in Indië was geweest en wel wat bezigheden wilde hebben. Hij had dus genoeg aan zijn hoofd. Hij was een zoon van Albert Spiets, bakker te Den Hoorn in de nu nog bestaande bakkerij. Deze heb ik ook nog gekend want als het ‘s winters ijs was gingen wij als schooljongens bij een van de batten op en met de schaatsen onder even over de weg, daar een bijzonder hardbrood kopen die anders nergens te krijgen waren. Waar de fam. Spiets eigenlijk vandaan kwam, weet ik niet, maar de naam komt hier nooit voor. Hij had vijf zonen maar de naam is hier weer direct verloren gegaan. De oudste was Roelf Spiets, boer op boerderij Dees te Warfhuizen (twee dochters); de tweede was Oom (twee dochters en een zoon en opvolger, getrouwd; maar geen kinderen). De derde was Jo Bakker in de ouderlijke bakkerij, getrouwd maar geen’ kinderen. De vierde was Anko (twee dochters). De vijfde was Tammo, ongetrouwd. Anco is gekomen op hun eigen kleine boerderij vlak over de brug die door landaankoop en het bouwen van een nieuwe aparte schuur is vergroot (boerderij Scholtens). Wie de vorige eigenaar van de zaak was, weet ik niet meer het boerderijtje is in 1889 aangekocht van de fam. Voet. Het heeft de naam “Heuvelheem”, groot 8 H.A. en is tot 1902 in dienstverband bewoond door Klaas Lap en vrouw.

Als schooljongen heb ik wel eens een paar dagen bij oom en tante gelogeerd en ik ging er ook wel eens een dag heen. Ik vond dat prachtig, daar was wat te beleven in de bakkerij, in de molen, op de zwichtstelling of in de kap waar je naar alle kanten heel ver kon zien, bij Lap op het boerderijtje of met de jongens in het dorp spelen. Ik ben dus vele malen de kleiweg van Wehe naar Zuurdijk langs gekomen en ik wist precies en nog wel hoeveel haakse bochten ik moest maken om van de brug over “Kattenburg” te komen tot waar de wegen van Wehe en Leens samenkomen. ‘t Was een drukke huishouding. Behalve het-eigen gezin (vijf) nog een meid en twee bakkers- en twee molenaarsknechten op de kost. ‘s Middags dikwijls “boerenwafels”, plakken oud wittebrood met boter en suiker opgebakken. Oom, zoals altijd zonder jas, kon heel wat achter de knopen zetten en in die tijd was ik niet zo’n grote eter en dan zei hij: “doe hes ‘n houndermoag”. Toen ik ouder werd begon ik te begrijpen welk een grote zaak het was. Alle dinsdagen ging oom naar de Beurs in de stad. Daar was anders geen gelegenheid voor dan met de stoomboot van Zoutkamp. Daarvoor moest hij eerst met de “koetswagen” naar Rodehaan. Zijportieren waren er niet in, dus voorin stappen en over de voorbank naar de achterzitplaats. Dan moest een gordel achter de voorbank worden ingehaakt, dat was dan de zitplaats van de koetsier, de zoon neef Albert. Paard en wagen werden dan gestald bij Luutje Marringa tot de terugkomst als hij zijn zaken had gedaan. En dat waren er vele.
Hij moest de gort van de pelmolen aan de man brengen en gerst weer aankopen. Hij moest rogge kopen om te malen en bakken van roggebrood. En materiaal (buitenlandse bonen enz.) voor paardenbrood en dan nog zijn graancommissionnairswerk verzorgen. Op al die grote boerderijen met de vele werkpaarden was heel wat paardenbrood nodig, terwijl ook nog werd geleverd in de stad aan stalhouders en misschien wel voor de trampaarden. Welke stapels er soms in de bakkerij stonden is niet te zeggen. En daar Zuurdijk geen vaarwater had moest alles met eigen paarden en boerenwagen naar en van Warfhuizen worden gehaald en gebracht. Ik denk dat de zaak een goede klant voor de schipper was, dan een van de dikste boeren. En dan maakte de zoon iedere week met de “broodwagen” met twee sterke paarden in weer of wind, bij vorst of dooi een tocht over Warfhuizen, Den Hoorn, Wehe en Leens om de daar wonende klanten een “stoetje” brood of anderszins te bezorgen. Hij hield ook wel eens op een pleisterplaats aan, maar dat was hem te vergeven. Nu moet ik nog even vermelden de stalossen die warden gemest met de “dust”, de afval van de gortpellerijen en de drukte met de bakkerswinkel en de dagelijkse aanloop van de boeren, die geld kwamen wisselen of de rekeningen betalen, waarbij ook vaak de fles op tafel kwam. In zijn totaliteit zou men het bedrijf een economisch geheel kunnen noemen, alles kon worden gedaan met eigen mensen, het vervoer met eigen materiaal. De paarden konden overigens in het land worden gebruikt, de arbeider kon wel even helpen als er bij de molen even hulp moest wezen bij laden of lossen, de molenknechten konden wel op het boerderijtje hulp verlenen als daar bij inhalen of zoiets een poosje meer personeel moest wezen. De melk van een paar koeien werd gebruikt in de huishouding en de bakkerij. Alles kon normaal plaats hebben, alleen een tijdlang windstilte kon een ernstige stagnatie geven.

Toen de zoon in 1902 in het huwelijk trad en het bedrijf overnam, heeft hij voor de molen een motor aangeschaft om dat euvel te ondervangen. De jongelui kwamen toen ook in de zaak wonen en de ouders op het boerderijtje waar tante in 1915 is overleden en oom in 1930. Bij de molen is ook nog een pakhuis bijgebouwd en een schuurtje voor varkensmesterij: Mijn bezoeken gingen gewoon door, ik had nu twee adressen. Toen neef de zaak in 1947 had verkocht en een nieuw huis had gebouwd, kwam ik daar en toen hij overleden was bij zijn weduwe en later nog wel bij haar in “Avondlicht” in Haren, waar zij is overleden. Dit is dan de geschiedenis van de molen te Zuurdijk en haar bewoners de familie Spiets. Om dit alles te kunnen doen moet men ook de mentaliteit en de geaardheid hebben van de beide Spietsen en hunne vrouwen, waar ieder welkom en thuis was, ‘t was zogezegd ,ain hoeske van holaan”. Doordat ik er vaak ben geweest heb ik kennis gekregen van vele ingezetenen en ofschoon ik er niet ben geboren en getogen, zou ik haast met evenveel recht als de heer Geugien Zijlma kunnen zeggen: Zuurdiek mien dorpke.

Winsum, “Winkheem”
J. Wiersum Kzn.

Overgenomen uit De Hogelandster
Donderdag 3 april 1975

 

Bakkerij Meijer te Zuurdijk voor 1940
De bakkerij te Zuurdijk voor 1940

 

Terug naar Molen

Naar Jacob Spiets
Naar Albert Spiets