Menu +

C034 interview moeder van der Horn-Barsema

Artikel uit de Merne Map
Historische Kring “De Marne”

Dochtertje Joeagonde van der Horn. (C034)

BIENTJE VAN DER HORN-BARSEMA Geboren 1911

Bientje Leentje van der Horn-Barsema[1] werd geboren in Rasquert op 18 februari 1911 als oudste in het gezin van Jan Barsema[2] en Joeagonde Barsema-Vogel. Een paar jaar later kreeg zij een broertje, Willem[3]. Haar vader was boerenarbeider. Haar grootmoeder[4], die weduwe was, woonde in hetzelfde dorp en Bientje ging vaak naar haar grootmoeder toe.

 

Toen zij 3 jaar was verhuisde het gezin naar Eenrum. Kort nadat zij daar woonde, brak de mobilisatie uit (1914). Haar vader werd gelegerd in Apeldoorn, alwaar hij 4 jaar verbleef.

Bientje weet nog dat zij 18 dagen naar hem toegingen. Vooral de paarden die daar waren, kan zij zich nog goed herinneren. Moeder Barsema en Bientje woonden al die tijd samen in de Kromme Elleboog. Electrisch licht was er nog niet en zij verlichtten hun huis met petroleum lampen.

Toen zij 5 jaar was ging ze naar de Lagere School die destijds op het Marktplein stond. Zoals gebruikelijk was droegen de kinderen die voor het eerst naar school gingen hun mooiste kleren. Zij kwam in de klas bij juffrouw Mulder. In de klas stonden bankjes voor 2 kinderen. Hoewel de bankjes voor jongens en meisjes door elkaar stonden, gebeurde het nooit dat je als meisje naast een jongen kwam te zitten.

Thuis was er al weken lang geoefend om zoveel mogelijks alles rechtshandig te doen. Bientje was n.l. linkshandig, in die tijd niet toegestaan. Wat had ze moeite om op school rechts te moeten schrijven op haar lei! In de handwerkles moesten de meisjes breien leren. Dit ging voor haar extra moeilijk. Zij trok de draad zó strak aan dat het breilapje net een lerenlapje werd, zo stijf.

Als het speelkwartier was gingen de kinderen buiten op het plein allerlei spelen doen, de meisjes touwtje springen, zweeptopken of hoepelen. Op hun verjaardag droegen de kinderen een plak koek met een lint om hun linkerarm. Zij kreeg een vriendin, Dientje Kuur[5] en die vriendschap duurde jaren. Toen ze 18 jaar oud waren gingen ze nóg samen uit.

Vader kwam weer thuis en het gezin verhuisde naar Garnwerd, waar vader Barsema werk kreeg bij een boer. Als het zondag was liepen ze naar oma die in Rasquert woonde. Haar broertje, die 7 jaar jonger was, zat in de kinderwagen. De brug in Garnwerd was er toen nog niet, er was een pont. Omdat deze pont geld kostte, lieten ze zich met een klein roeibootje over het Reitdiep zetten. Het was een heel gedoe om de kinderwagen in dat bootje te krijgen. Aan de overkant gekomen gingen ze verder lopen. Een heel stuk weg was geplaveid met macadam, dat liep erg moeilijk. Maar ze kwamen bij grootmoeder aan, Soms gingen ze zondags ook wel naar Winsum, waar een oom en tante woonde.

Het gezin bleef 1 jaar in Garnwerd, hierna vertrokken zij naar Maarhuizen. Tussen Maarhuizen en Ranum stond een soort tolhuis en daar woonden ze 2 jaar. Bientje ging in Winsum naar school, naar de Gereformeerde school, “Want” zei men in die dagen “op de Openbare School leren ze niks”. Op die school zaten ook haar neefjes en nichtjes. Tussen de middag at zij bij haar tante en oom[6]. Op een dag goot het van de regen en haar neefje was zijn jas op school vergeten. Waar is je jas vroeg zijn vader. “Die hangt nog op school”. “Ga maar eerst je jas halen, want anders krijg je geen eten” zei zijn strenge vader en daar ging het joch, kletsnat, terug naars school om zijn jas te halen.

De boer waarbij vader werkte, dronk erg.

Op een dag terwijl vader de koeien aan het melken was, kwam de boer bij hem en beschuldigde hem ervan dat hij tarwe had gestolen om het zelf te verkopen. Barsema werd zo kwaad van deze valse beschuldiging dat hij de boer wilde aanvliegen. Later bleek dat een andere arbeider de dief was. Het was de gewoonte in die tijd dat arbeiders in mei werden aangenomen voor 1 jaar werk en toen het dan ook mei was, zei vader zijn werk op. Er was n.l. nog een heel onprettig incident met de boer geweest. Op een avond, de boer was weer stomdronken, gooide hij een steen door hun ramen. Kleine Willem stond in een looprekje voor het raam. Gelukkig liep het goed af, maar de boer moest voor het gerecht komen.

 

Bientje was inmiddels 10 jaar en het gezin vertrok naar Warfhuizen, waar vader bij boer Diekhuis[7] ging werken. Moeder hielp in het grote woonhuis van de boerderij. Als Bientje uit school kwam, hielp ze haar moeder vaak mee. Op een dag ging moeder naar het land om te werken en zei tegen Bientje dat zij de peren moest koken. “Hier is het mes, je moet dat erin steken als er water aanzit is het goed, want dan zit er nog genoeg nat in de pan, anders moet je er wat water bijgieten”. Maar Bientje ging aan het spelen en vergat de hele peren. Toen moeder thuiskwam stond de pan met koude peren nog op tafel in de keuken! Zij was inmiddels 13 jaar en op een dag zei de boerin tegen haar moeder: “De dienstbode gaat trouwen, zou je dochter hier niet voor het lichte werk kunnen komen?” Dat betekende de melkbussen, schrobben e.d. Dit werk voldeed haar zo best dat ze het 2 jaar deed.

Hierna verhuisden zij naar Warffum, waar vader ging werken bij boer v.d. Tuuk. Naast de schuur stond een villa.

De avond voordat Bientje daar zou gaan werken als meid kreeg ze vreselijk last van haar maag. Haar ouders dachten dat het van de zenuwen kwam en dat zij op zag tegen haar nieuwe baan. Haar plaats in de villa werd door een andere dienstmeid ingenomen. Later bleek dat haar kwaal toch serieus was en moest zij naar een specialist in het ziekenhuis in Groningen, Dr. Engelkens.

Het gezin verhuisde terug naar Warfhuizen, waar vader Barsema ging werken bij boer Westerdijk[8]. Haar moeder hielp mee op de boerderij, maar ze kreeg rheuma en Bientje deed hoe langer hoe meer het werk van haar moeder. Het was hard werken voor haar, eerst op de boerderij het werk doen en daarna thuis de boel aan kant maken en het eten koken. Omdat de ziekte van haar moeder zich verergerde gingen zij in een huisje in het dorp wonen. Bientje hoorde dat men in het Blauwe Binhuis een meid zocht. “Ik wil daar wel werken pa” zei ze tegen haar vader. Toen begon het handelen over haar loon tussen haar vader en de boerin. Vader wilde dat zij f. 300.- per jaar zou verdienen, maar de boerin wilde niet meer dan f. 250.- geven. Na verder praten noemde de boerin een bedrag van f. 285.-, maar vader hield vol. De boer kwam inmiddels thuis en vroeg: “En … zijn jullie eruit?” Hij hoorde het hele verhaal. “Nou,” zei de boer “je weet wat je aan haar hebt (zij had er al eens een poosje gewerkt) en een andere meid … dat moet je maar afwachten.” En: zij kreeg f. 300.- En zo kwam ze te werken op het grote Blauwe Binhuis. Beneden waren 2 grote kamers, 1 grote slaapkamer, en 1 kleine kamer met alkoof.

Tussen de kamers was een soort doorloop waar een ledikant stond. Er waren 2 lange gangen, (waarin bedsteden waren). Verder was er een grote keuken, betegeld met zwarte tegels. Er stond een kookkachel in en een ronde tafel waarop een petroleumstel stond. Onder de kachel was alles zwart wat elke keer gepoetst moest worden.

Achter de keuken was een melkkamer, een karnhuis, hieronder lagen 4 kelders (aardappel- en appelopslag, mangelkamer, inmaakpotten, wijn e.d.). Boven was 1 grote logeerkamer afgetimmerd op de zolder. Bij slecht weer hing men de was op deze grote zolder te drogen. ‘s Zomers werkte ze van 7.00 uur – 18.00 uur. ‘s Winters van 8.00 uur – 17.00 uur. Als Bientje om 7.00 op haar werk kwam ging ze daar eerst ontbijten. Daarna deed ze de afwas die er stond.

Als het wasdag was, maandag, had ze een drukke dag. Van te voren zette ze de witte was te trekken in groene zeep in een ketel en bracht hem aan de kook. Op maandag werd de was uit de ketel gehaald en op de bleek gelegd, een schoon grasveld achter de boerderij. Daarna werd de was met sunlightzeep gewassen en weer op de bleek gelegd. Op woensdag werd hij schoongespoeld en buiten neergehangen. Als de was bijna droog was werd hij gemangeld of gestreken. Het bonte goed, o.a. de bevertien[9] broeken werden in de houten wasmachine met wringer gewassen. Dit gebeurde door een lange stok heen en weer te bewegen zodat de was een schommelende beweging maakte. Deze was werd niet op de bleek gelegd, maar na het schoonspoelen opgehangen om te drogen. In die tijd had men alleen witte lakens, slopen, theedoeken, handdoeken en ondergoed. Het karnhuis kreeg dan ook een goede beurt en werd gedweild met water en soda. In de woonkamers was heel wat af te stoffen en dit moest dagelijks gebeuren, daar de kachels, die met turf en hout gestookt werden, erg veel stof veroorzaakten. Omdat de oudste meisjes[10] in Groningen studeerden werd de bovenkamer niet gebruikt. Soms paste Bientje op de zoon des huizes[11], zij sliep dan beneden, in een van de bedstedes. Zij mocht niet de w.c. gebruiken van het gezin, maar moest naar de stal waar een “kakdoos” stond. Ze vond het altijd heel naar om die w.c. te gebruiken als de arbeiders bezig waren in de schuur. Er zat n.l. geen slot op de deur. Soms als de boerin weg was, maakte ze wel stiekem gebruik van de w.c. binnen (ook een kakdoos).

Vrijdags moesten de kachels geveegd, de ring van de kookkachel moest afgekrabt worden, evenals de ketels. Dit deed zij buiten. Met de kachelborstel en schuurpapier werden zij verder schoongemaakt, alsook de kachel. Daarna werd alles gepoetst tot het glom. ‘s Middags had zij de tijd om koper te poetsen, o.a. de knoppen van de deuren, de ketel, de doofpot. Ook maakte ze dan de w.c.’s schoon en de badkamer. In de keuken was een koperen pomp, boven een bak. Hieronder stond een emmer (er was nog geen afvoer.) De ramen werden gedaan met water uit de regenbak buiten, Zij haalde dan een emmer water op uit de put. Hierin ging een pomp spoot het water uit de slang. Zo werden de ramen gewassen. Er waren heel wat ramen in de boerderij en als Bientje dit werk gedaan had, had ze ‘s avonds zere schouders van het pompen.

Als de kachel in de keuken brandde, moest hij uit na het middageten, koud of niet. Zij vertelde dat haar vingers soms zo stijf van de kou waren dat zij niets meer kon. Ze ging dan wel met mand met kousen, die ze moest stoppen als zij klaar was met ander werk, naar de deel omdat daar de koeien stonden en het lekker warm was. Tussen de middag at ze warm in de keuken, in haar eentje. De boerin kookte goed en stond er altijd op dat zij ’s morgens een ei at en melk dronk.

Er waren vaste dagen wat betreft het menu: maandags: snert, dinsdag: stamppot, woensdag: stampot van snijbonen, donderdag: hutspot vrijdag: aardappelen met kool of bonen en vlees, ook wel rollade, zaterdags boerenkool. Men at toen veel zout spek en Bientje was daar niet zo dol op, het soms zo ontzettend zout. Zij gaf het dan stiekem aan de kat. Zij mocht zelf een plak roggebrood snijden om op te eten. ’s Morgens kreeg zij een kopje koffie en ’s middags een kopje thee. Ook dat gebruikte ze in haar eentje in de keuken. De bakker, slager en kruidenier kwamen destijds nog aan de deur. Zij werden geholpen door de boerin. Er waren 7 arbeiders op de boerderij.

Er werd graan, bieten en vlas verbouwd. Ook waren er een paar koeien. Haar vader melkte de koeien ‘s morgens. Bientje moest de melkbussen schoonmaken. Op een dag hoorde Bientje een telefoongesprek van de boerin. Ineens merkte ze dat over haar werd gesproken. “Ja, zij hoeft niet te denken dat ik volgend jaar weer f. 300.- loon geef, dat is gewoon te gek”. Op dat moment besloot Bientje de eer aan zich zelf te houden en zei haar betrekking op, ondanks het feit dat zij daar met plezier werkte. Inmiddels was zij 19 jaar geworden en zij kwam te werken op de boerderij van Westerdijk in Warfhuizen. Zij hadden daar 6 melkkoeien en een akkerbouwland. Zij herinnert zich nog een zomer dat het zó warm was geweest dat veel sloten droog stonden. Op een dag ging ze met haar melkkrukje naar de koeien toe omdat ze gemolken moesten worden. Maar ze liepen weg door de droge sloten en hoe ze ook schreeuwde, “Ja, ik vloekte zelfs en gooide met de schemel naar de koeien” ze gingen er steeds weer vandoor. Wat werd ze kwaad en ze vergat helemaal haar positie, want toen de boer eraan kwam en zei: “Ja, zo worden ze nóg woester” gilde ze tegen de boer: “Als ik morgen niet geholpen wordt met die rot koeien, doe ik het niet meer”. En … zij kreeg hulp de andere dag! In Warfhuizen was een zangkoor en daar ging ze 1x per week zingen. Ook was ze lid van de jeugdclub van de kerk. Maar veel vrije tijd had ze niet, want de rheuma van haar moeder werd al erger en zij moest ook koken. 1 jaar heeft zij gewerkt op de boerderij. Toen ze hoorde dat er een nieuwe meid gevraagd werd op het Blauwe Binhuis solliciteerde ze daar naar. En ze werd weer aangenomen! Maar na één jaar kreeg haar vader werk als 1e arbeider in Zuurdijk, op Stoepemaheerd bij boer Torringa[12]. Bientje kreeg werk als meid op Doornbosheerd[13] bij Ewer. In de winter van 1929 vroor het hard en er werd druk geschaatst in Leens. Met haar vriendin Afien van Dijk[14], ging Bientje daar naartoe en daar ontmoette ze een hele leuke jongen. Haar vriendin wist wat van hem te vertellen: hij heet Roelf van der Horn en woont al 3 jaar in Amerika. Bientje heeft die winter heel wat geschaatst en vaak met Roelf. Hij ging terug naar Amerika, maar na 1½ jaar kwam hij terug en vroeg Bientje ten huwelijk. Omdat de broer van Roelf[15] door een ongeval om het leven kwam, werd er niet een groot bruiloftsfeest gevierd. De bruid gekleed in een licht blauwe zijden jurk, de bruidegom in een donker blauw pak, wit overhemd met gestreepte stropdas gingen met enkele familieleden naar het gemeentehuis, alwaar het huwelijk werd voltrokken[16]. Daarna ging men naar het nieuwe huis in Burum in Warfhuizen[17].

Het was een dubbele woning. De gasten dronken iets en toen was het feest over. De andere dag ging Roelf als losse arbeider werken bij verschillende boeren. Bientje verdiende bij door op het land schoven te gaan binden. De kerk in Warfhuizen bezat n.l. 4 stukken land.

Schoven binden was vrouwenwerk, de mannen zetten de schoven op in hokken. Het schoven binden deed zij zo: een bos gezicht graan haalde zij bij elkaar, nam er een aantal halmen van af, haalde die onder de bundel door. Haar ene voet zette zij op het einde neer en met haar handen maakte zij er een knoop in. Dan liep zij verder, pakte weer een bundel graan samen en alles herhaalde zich.

Zij vond het fijn werken zo in haar eentje. Omdat de velden niet zo groot waren, was het werk ook goed te overzien. En ze verdiende er wat bij, want het loon van een losse arbeider was niet zo hoog.

Zij hadden goeie buren, het waren binnenschippers[18]. Zij vervoerden veel turf en als ze winters weg waren, verkocht Bientje turven voor hen. Als loon mocht ze zelf gratis turven nemen voor de kachel. Dat was hard nodig want Roelf had geen werk die winter. Om wat geld te verdienen liep Bientje een paar keer per week met brood van bakker Huisman. Vooral met Kerst had ze het druk, want dan hadden de mensen veel bestellingen gedaan, o.a. lange krentebroden. Zij bezorgde tot aan Roodehaan toe. Van de Vakbond kreeg Roelf een uitkering van f. 8.40 per week. Hiervan moest hij f. 0.60 bondsgeld per week betalen. Samen met het geld dat Bientje bijverdiende kwamen zij de winter door.

In het voorjaar van 1933 kreeg Roelf werk in Zuurdijk, op de boerderij Bosheuvel bij boer Zijlma[19] en daar zou hij 30 jaar blijven werken. Het huisje, waarin zij gingen wonen stond in Zuurdijk[20], naast het huidige huis van Willemien Vos[21]. Het had 1 huiskamer, en een klein kamertje. Zij sliepen in de bedstede.

Na één jaar verhuisden zij, naar het huis dat tussen de boerderij en de smid Munting[22] stond, nummer G40.

Hier werd hun, dochtertje Gonnie geboren, genoemd naar haar grootmoeder Joeagonde. Zij werd ziek en overleed 3 maanden later.

Groot was hun vreugde dan ook toen zij in 1936 weer een dochtertje kregen. Zij noemden haar Gonnie, naar haar overleden zusje. In 1939 werd Klaas Jan geboren. Alles ging goed met hem tot hij – toen hij 9 maanden was – hersenvliesontsteking kreeg. Antibiotica was er destijds niet en hoewel hij in leven bleef, hield hij zowel geestelijk als lichamelijk een handicap van zijn ziekte over en hij werd een echt zorgenkind.

In de oorlogstijd was het niet gemakkelijk aan kleding te komen. Daarom spon moeder van der Horn wol en breide daar kleren van voor de kinderen. Zij verfde de wol vaak in mooie kleuren.

Op een dag zou Gonnie bruidsmeisje zijn bij een schoonzuster[23]. Zij kreeg een jurk van dezelfde stof als de bruid. Bientje zou de jurk naaien. Terwijl zij hiermee bezig was, viel er een beker chocolademelk over de jurk en de vlek kon er niet meer uit. Zo kon Gonnie toch niet naar de bruiloft! En nieuwe stof was er niet. Tot diep in de nacht ging Bientje aan het breien: een donkerblauw plooirokje en een witte trui, allemaal van schapenwol. Zij borduurde op de rol bloemen. Gonnie zag er beeldig uit op de bruiloft.

Honger hebben zij nooit geleden in de oorlog. Zij hadden een geit, een varken, konijnen en kippen. Bovendien haalden zij hun groenten uit de moestuin en op het land van de boer hadden ze voor eigen gebruik een paar regels aardappels verbouwd. (Dit tegen betaling!). De school in Zuurdijk ging ook door, dit in tegenstelling tot het Westen waar de scholen dicht moesten omdat er geen kolen voor de kachels waren.

Toen de waterleiding kwam, wilden ze graag een aanrecht in de keuken. Nu stond er onder de pomp een emmer. De mensen van de eerste “nije hoezen” hadden van de boer (de huiseigenaar) een aanrecht gekregen en Bientje rekende daar ook op. Zij wilde een lang aanrecht, zodat zij veel werkruimte kreeg. De boer, wilde hun alleen een klein aanrecht geven.” Dan maken wij er zelf wel een” zei Roelf tegen Bientje. Onder de aanrecht timmerde een kennis, kastjes en hiervoor werd een gordijntje gehangen. Toen alles klaar was begon de boer zich toch wel wat te schamen en besloot hun de kosten voor de aanrecht, f. 75.-, terug te betalen.

 

Vader, moeder van de Horn met hun kinderen Klaas Jan en Gonnie in 1948 in Zuurdijk.

Het linker huis op de achtergrond is de v.m. kuiperij Brink[24], het rechter huis is van van Duin[25].

 

In mei 1955 ging Klaas Jan naar “Groot Bronswijk” in Wagenborgen. Hij was in 1950 al vier maanden daar geweest, maar kreeg zo’n heimwee, dat zij hem weer thuis haalden. Nu ging het goed en Klaas Jan had het daar naar zijn zin. Moeder Bientje ging elke week naar hem toe. Dat was een hele onderneming vanuit Zuurdijk: eerst met de Marnebus naar Groningen. Dan moest ze vanaf de Ebbingestraat, waar de bus stopte, hard lopen naar het Damsterdiep, om daar de aansluiting van de Roland bus naar Wagenborgen nog te kunnen halen. ‘s Winters was het ontzettend koud in de bussen, want een goede verwarming hadden de bussen nog niet. Tot Klaas Jan’s dood (hij was toen 33 jaar) heeft Bientje de reis elke week gemaakt.

Dochter Gonnie had, nadat zij de Ulo in Ulrum met goed vervolg had doorlopen, op het Gemeentehuis in Ulrum werk gekregen Zij ging verder studeren en behaalde, als een van de jongste cursisten in Nederland (!) de akte GAI. Zij werd toen adjunct commies ter secretarie. In 1960 trouwde zij met E. Meima en zij gingen wonen in Assen, later in Veendam. Zij kregen drie zoons: Henk, Rob en Marcel.

 

Hoe verliep het intussen met vader Roelf van der Horn?

Na zoveel jaren hard, hard werken kreeg hij last van evenwichtstoornis en hij moest, tot zijn groot verdriet, want het boerenwerk deed hij met hart en ziel, ander werk zoeken. Hij kwam bij de Plantsoenendienst van de gemeente Leens. Na 2 jaar ging dit werk ook niet meer en hij werd afgekeurd. Zij waren inmiddels verhuisd naar Wehe-den Hoorn naar de Rochefortstraat, waar zij 9 jaar bleven wonen. In 1972 verhuisden zij naar een kleinere woning, een seniorenwoning, in de Kerkstraat. Roelf stierf op 75-jarige leeftijd in een verpleeghuis in Groningen. Bientje bleef daar alleen wonen tot dit voorjaar. Toen verhuisde zij naar “Oldeheem in Kloosterburen. Wat heeft zij het hier naar haar zin! “Het is hier gezellig, als ik zin heb in een praatje ga ik naar de zaal toe en ontmoet daar anderen. Ik heb ook een veilig gevoel, want als er iets is, kan ik meteen voor hulp bellen”. Zij komt mensen tegen die zij vroeger In haar jeugd kende. En dan komen de herinneringen “weet je nog? Ken je die en die? .. “En zij krijgt bezoek van haar kleinkinderen en haar achterkleinkinderen Jasper en Mariska. Sinds kort eet zij gezamenlijk met een groepje bewoners ‘s middags aan tafel in de grote zaal en dat is reuze gezellig. Het eten smaakt er gewoon nog lekkerder door! En dan gaan wij foto’s bekijken, van de school in Eenrum en Warfhuizen. Zij weet nog heel, heel veel namen, ongelofelijk en dat op 88 jarige leeftijd!

Op een middag had ik een verrassing voor mevrouw van der Horn. Vrienden van mij, Marlies en Ed Hartman, wonen al jaren in een huis in Burum, nr. 16, het huis waar Bientje en Roelf hun eerste huwelijksjaar in doorbrachten, het dubbele woonhuis. Op mijn vraag aan Marlies “Zou ik eens mogen langs komen met mevrouw van der Horn” werd meteen gereageerd: “Gezellig, komen jullie dan meteen theedrinken”? En zo kwam Bientje in haar oude huis en in dat van haar buren. Er waren nog veel dingen, zoals deuren, en uiteraard de indeling van het huis die haar bekend voorkwamen. En wij hoorden vele verhalen van de schippers, want hoewel zij in het dorp bekend staan als “flinke drinkers” hoorden wij nu ook de positieve kanten van de heer en mevrouw Cleveringa[26]. Hoe buurvrouw in die moeilijke winter soms zo maar langs de ramen kon komen lopen, aantikte en een schaal met vlees en eten aanbood. Hoe ze samen konden lachen bij alle verhalen die de schippers vertelden. “Het waren fijne buren” knikte mevrouw van der Horn.

En daar was nog een andere middag waarop haar grote hartewens: nog eens in het Blauwe Binhuis te mogen kijken, in vervulling ging. Ik durfde het haast niet te vragen aan de huidige eigenaars, de heer en mevrouw van Alphen, of wij mochten langskomen. Maar wat werden wij spontaan en gastvrij ontvangen! Bientje mocht alles op haar gemak bekijken en hier was bijna nog alles bij het oude (alleen de bedstedes waren weggehaald en een nieuwe opening keuken-huiskamer was gemaakt). Zij vertelde honderduit aan ons hoe alles vroeger was en wat haar taak was geweest. Ik kon het met haar beamen: wat een prachtige, prachtige boerderij! En met wat een vriendelijkheid werden wij ontvangen door het echtpaar van Alphen!

Dat mevrouw van der Horn nog steeds een goede huisvrouw is, bleek later wel in de auto want zij kon er niet over uit hoe schoon alles was, ja, ook de grote stal was brand-brandschoon, een compliment aan boer van Alphen die al het werk binnen doet terwijl zijn twee zoons het bedrijf verder perfect bestieren.

Het was voor mij de eerste keer dat ik op een boerderij kwam, die nog in bedrijf is en ik heb mijn ogen uitgekeken en genoten.

En dan neem ik afscheid van deze vitale vrouw, die zo’n vol leven achter zich heeft, een leven dat niet gemakkelijk is geweest, maar waarop zij toch met voldoening kan terugzien.

 

Dorry Bakker Juli 1999

 

 

[1] Zij werd waarschijnlijk vernoemd naar haar overleden tante Bientje Barsema, * 16-05-1892 Schouwerzijl, † 09-04-1905 Eenrum, 12 jaar of andere tante Bientje Barsema, gehuwd Johannes Smit

[2] Jan Barsema, * 17-04-1883 Mensingeweer, † 11-12-1952 Zuurdijk, 69 jaar , gehuwd Joeagonde Vogel, * Baglo, † 17-04-1943 Warfhuizen, 60 jaar

[3] * 1918?

[4] Leentje Spoelma, * Kloosterburen, † 22-09-1945 Groningen, 86 jaar x 01-12-1881 Eenrum Kornelis Barsema, * Pieterburen, † 16-07-1934 eenrum, 77 jaar

[5] Berendina Catharina Kuur, * 22-10-1911 Eenrum, dochter van Jan Kuur en Hendrikje Dost

[6] Kornelis Barsema, schoenmaker, * Eenrum, gehuwd Jantje de Graaf, * Winsum, † 22-12-1930 Groningen

[7] Jan Diekhuis, gehuwd Trientje Teenstra, landbouwer op Blauw Binhuis

[8] ?

[9] katoenen, eenzijdig geruwd weefsel met een inslag in satijnbinding voor werkkleding’ 

 

[10] Maria Martje Diekhuis, * 13-7-1902, † 1982, gehuwd met Jan Enne Hekma | graven B072

Martha Jantina Diekhuis, * 11-6-1904, gehuwd Simon Petrus Meijer

[11] Willem Jan Diekhuis, * Niekerk 29-10-1914, † 26-09-1926 Warfhuizen, 11 jaar

[12] Jannes Luitje Torringa, gehuwd Afina Wilhelmina Toxopeus

[13] Cornelis en Geerdinus Doornbos | graf B045 B098

[14] Aafiena Jantina van Dijk, *Schouwerzijl?

[15] Tjitze van der Horn, † 22-05-1932 Groningen graf D072, gehuwd Riemke Klaassen graf H014

[16] 16-06-1932 Wehe-den Hoorn

[17] Burum 16, Warfhuizen

[18] Pieter Cleveringa

[19] Hendrik Jelte Zijlma, gehuwd met Hilje Bos | graven B055 en B056

Daarna Geuchien Zijlma, † 1984, gehuwd met Johanna Roelina van Kampen, † 2000 | graf B075

[20]1e Nijhoezen

[21] dochter van IJzebrand Vos? Wilhelmina Vos, geboren te Leens op 18 februari 1916

[22] graf B063 Tamme Munting † 1964, gehuwd graf B064 Grietje Bos †1965

[23] ?

[24] graf H096 Berend Brink, † 1951, gehuwd Trientje Dalmolen, † 1998

[25] ? Albert van Duinen | graf H083

[26] Pieter Clevering, † 1950 Warfhuizen, gehuwd met Geertje Drent, † 29-01-1979

 

Terug naar C034