Menu +

1987 ontgronding bij Huizingheem

 

___________________________________________________________

Bulletin Historische Kring Serie X Augustus 1988 Nummers 3 en 4 

[]

Uit dit antwoord zal het voor U lezer duidelijk zijn, waarom de leden van de Historische Kring “De Marne” vol belangstelling uitkeken naar hetgeen bij de ontgronding te voorschijn zou komen. Toen bleek dat noch het Biologisch Archeologisch Instituut (BAI) noch het Rijksinstituut voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) personeel voor het begeleiden van de ontgronding konden afstaan, hebben drie leden van de Kring, T.C. van Hoorn, B. Hazelhoff en L.H. Bruins, deze taak op zich genomen. Dagelijks hebben zij de gang van zaken gevolgd, de scherven die te voorschijn kwamen verzameld en de samrnstelling van de bodem naar beste kunnen onderzocht. Al spoedig werd duidelijk dat slechts op één plaats een concentratie van scherven gevonden werd.

Deze plaats is op de kaart is op de kaart aangegeven met de letter A.

De dobbe B, die gehandhaafd is, werd uitgegraven. Het slik dat eruit kwam bevatte geen enkele scherf. Dit kan een aanwijzing zijn dat deze dobbe niet lang geleden ook uitgegraven is.

De bult, aangegeven met de letter C, bevatte een brandhaard waarin o.a. een ijzeren evenaar van een graanbascule en delen van een paardetuig werden aangetroffen. Deze voorwerpen konden niet ouder zijn dan uit de 19de eeuw.

Wij begrepen niet goed wat zich hier had afgespeeld. De heer M. Vos, die al heel lang op het bedrijf Hekma werkzaam is, hielp ons uit de droom. Hij wist zich te herinneren dat op deze plaats vroeger afval werd gestort en o.a. kaf werd verbrand.

Op plaats D werd niets gevonden. Wij vermoeden dat deze verhoging is ontstaan doordat daar de grond gestort is bij het graven van de dobbe.

Het viel op dat de kleilaag onder de bouwvoor zeer dun was en op de meeste plaatsen ongeveer 50 cm onder de bouwvoor reeds overging in ongeroerd wadzand.

Op plaats A werden gevonden: handgevormde kogelpotscherven, op de draaischijf gemaakte ongeglazuurde scherven, geglazuurde aardewerkscherven van verschillende ouderdom en twee vrij nauwkeurig te dateren scherven van wandtegels. Volgens de bij uitstek deskundige Dingeman Korf, schrijver o.a. van het boekje Tegels (Bussum 1961), dateren ze uit de tweede helft van de 17de eeuw. Twee smidsspijkers waren niet goed te dateren. Als bijzondere vondst kwam nog een klein koperen muntje te voorschijn. Het was echter zo erg gecorrodeerd dat de letters niet meer te ontcijferen waren. Volgens Drs. A. Pol die als deskundige aan het Koninklijk Penningkabinet te Leiden is verbonden, zal op grond van jet materiaal (koper) op zijn vroegst 16de eeuws kunnen zijn.

Voor zover wij de vondsten op plaats A kunnen beoordelen omvatten deze een tijdperk, beginnende in de 13de eeuw en eindigende in het laatst van de 17de eeuw of het begin van de 18de eeuw.

Er zal een betrekkelijk kleine boerderij hebben gestaan, eerst van hout en na ± 1400 geheel of gedeeltelijk van baksteen opgetrokken. De plaats is kort na de bedijking bewoond geworden en ononderbroken bewoond gebleven tot ongeveer 1700. Misschien is het gebouw verwoest door de kerstvloed van het jaar 1717. 

 

      1976 Aerophoto Eelde

Op de tekening is met Letter C aangegeven een bult. Op de foto is het echter de drinkdob.

Dit resultaat is mede te danken aan de medewerking van de heer D.K. Hekma die evenals zijn dochter de werkzaamheden met grote belangstelling volgde en aan de bereidheid van de kraanmachinist J. Alfrink bij de uitvoering van de ontgronding met het onderzoek zoveel mogelijk rekening te houden.

Ulrum T.C. van Hoorn

___________________________________________________________

Terug naar 1717 Kerstvloed